gemeente Steenbergen | Algemeen uitvoeringsbesluit APV

Regeling Algemeen uitvoeringsbesluit APV

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

  • Datum inwerking-treding 25-07-2013
  • Terugwerkende kracht t/m
  • Datum uitwerking-treding 05-02-2016
  • Betreft nieuwe regeling
  • Datum ondertekening 20-06-2013
  • Bron bekendmaking Steenbergse Bode
  • Kenmerk voorstel BM1301836

Inleiding

Algemeen uitvoeringsbesluit APV

Burgemeester en wethouders van Steenbergen en de burgemeester van Steenbergen, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;

overwegende:

dat op 20 juni 2013 de Algemene plaatselijke verordening 2013 is vastgesteld;

dat zij met het oog op de uitvoering van deze verordening nadere regels en aanwijzingen dienen vast te stellen;

gelet op artikel 6:4 van de Algemene plaatselijke verordening 2013, hierna te noemen ‘APV’;

Besluiten:

vast te stellen het volgende Algemeen uitvoeringsbesluit APV

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Indiening aanvraag

  • 1.

    Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 1:3, lid 2, van de APV wordt een vergunningaanvraag als bedoeld in artikel 2:25 (evenementenvergunning) en artikel 5:23 (snuffelmarktvergunning) van de APV, die wordt ingediend minder dan twaalf weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft, niet behandeld.

  • 2.

    In uitzonderingsgevallen kan door of namens de burgemeester worden besloten om een aanvraag als bovenbedoeld die niet tijdig is ingediend, alsnog in behandeling te nemen.

HOOFDSTUK 2. OPENBARE ORDE

Artikel 2.1 Beperking aanbieden en dergelijke van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2:6, lid 1, van de APV zijn geen openbare plaatsen aangewezen.

Artikel 2.2.1 Voorwerpen op openbare plaatsen (terrassen)

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2:10, lid 3 onder a, en lid 5, van de APV is de volgende nadere regelgeving met betrekking tot terrassen van toepassing. In deze nadere regels wordt verstaan onder:

Terras: Een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.

  • 1.

    Het is toegestaan een terras te plaatsen indien wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

    • a.

      Het terras levert geen gevaar, schade of hinder op voor de bruikbaarheid en het doelmatig en veilig gebruik van de weg en vormt geen belemmering voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

    • b.

      Op wegen of weggedeelten, bestaande uit een rijbaan en een trottoir, wordt het terras zodanig ter hoogte van de eigen onderneming op het trottoir geplaatst dat een vrije doorgang in een recht doorgaande lijn van minimaal anderhalve meter breed aanwezig is voor voetgangers en rolstoelgebruikers.

    • c.

      Het terras wordt zodanig geplaatst dat altijd een vrije en onbelemmerde doorgang in een recht doorgaande lijn van minimaal vier meter breed aanwezig is en blijft ten behoeve van hulpdiensten.

    • d.

      De exploitant of beheerder zorgt ervoor dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van het terras, het terras(meubilair) en de op en in nabijheid van het terras op de weg achtergebleven stoffen of voorwerpen worden verwijderd.

  • 2.

    Het terras mag niet worden geplaatst:

    • a.

      Indien op de locatie van het terras (onderhouds)werkzaamheden moeten worden verricht;

    • b.

      Tijdens een evenement, markt, kermis, andere festiviteit en/of gebeurtenis van algemeen belang, tenzij hiervoor door de burgemeester toestemming is verleend.

  • 3.

    Door of namens het bestuursorgaan gegeven aanwijzingen in het kader van het algemene belang, de openbare orde of veiligheid dienen strikt te worden opgevolgd. Deze aanwijzingen kunnen onder ander betrekking hebben op het geheel of gedeeltelijk verplaatsen dan wel verwijderen van het terras en/of daarop aanwezige voorwerpen (zoals bijvoorbeeld glaswerk) zonder dat de exploitant aanspraak kan maken op schadevergoeding.

  • 4.

    Schade die is toegebracht aan gemeentelijke eigendommen als gevolg van het terras zal door de gemeente voor rekening van de exploitant worden hersteld.

  • 5.

    Voor het plaatsen van een terras op gemeentegrond zal een overeenkomst tot verhuur daarvan worden gesloten met de exploitant. Op deze huurovereenkomst zijn bepalingen van toepassing zoals vermeld in het terrassenbeleid.

Artikel 2.2.2 Voorwerpen op of aan de weg (uitstallingen)

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2:10, lid 3 onder b, en lid 5, van de APV is de volgende nadere regelgeving met betrekking tot uitstallingen van toepassing. In deze nadere regels wordt verstaan onder:

Uitstalling: Een los voorwerp geplaatst voor een pand op een openbare plaats, dat een onmiskenbare relatie heeft met de bedrijfsactiviteiten van de in dat pand gevestigde onderneming, waaronder tevens wordt verstaan:

  • a.

    voorwerpen en stoffen die behoren tot het reguliere assortiment van een winkel;

  • b.

    uitstallingsmaterialen;

  • c.

    speelattracties.

  • 1.

    Het is toegestaan een uitstalling te plaatsen indien wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

    • a.

      De uitstalling brengt door de omvang, vormgeving, constructie, plaats of het beoogde gebruik geen schade toe aan de weg.

    • b.

      De uitstalling of het beoogde gebruik daarvan levert geen gevaar op voor de bruikbaarheid en het doelmatig en veilig gebruik van de weg en vormt geen belemmering voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

    • c.

      De uitstalling of het beoogde gebruik daarvan levert geen overlast op voor gebruikers van in de nabijheid gelegen onroerende zaken.

    • d.

      Een vrije doorgang in een recht doorgaande lijn van ten minste anderhalve meter is gewaarborgd voor voetgangers en rolstoelgebruikers.

    • e.

      Er is altijd een vrije en onbelemmerde doorgang in een recht doorgaande lijn van minimaal vier meter aanwezig ten behoeve van hulpdiensten.

    • f.

      De uitstalling levert geen risico op voor de openbare orde en veiligheid.

    • g.

      De initiatiefnemer zorgt voor een schoon en ordelijk aanzien van de uitstalling en voor het schoonhouden van de openbare ruimte in de directe omgeving daarvan.

    • h.

      De uitstalling is enkel aanwezig op de weg op tijden dat de in dat pand gevestigde onderneming voor het publiek geopend is.

  • 2.

    De uitstalling die voldoet aan het in artikel 1 gestelde, mag uitsluitend aanwezig zijn ter hoogte van de eigen onderneming op voor voetgangers bestemde delen van de weg.

  • 3.

    De uitstalling mag niet worden geplaatst indien deze een belemmering vormt voor op de locatie van de uitstalling te verrichten (onderhouds)werkzaamheden, evenementen, markten, kermissen, andere festiviteiten en/of gebeurtenissen van algemeen belang.

  • 4.

    Indien dit door of namens de gemeente, de politie of de brandweer wordt geëist in het kader van het algemene belang, de openbare orde of veiligheid, dient de uitstalling geheel of gedeeltelijk te worden verwijderd zonder dat de initiatiefnemer recht heeft op schadevergoeding.

  • 5.

    Schade die is toegebracht aan gemeentelijke eigendommen als gevolg van de uitstalling zal door de gemeente voor rekening van de initiatiefnemer worden hersteld.

Artikel 2.2.3 Voorwerpen op of aan de weg (bouwobjecten)

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2:10, lid 3 onder c, en lid 5, van de APV is de volgende nadere regelgeving met betrekking tot bouwobjecten van toepassing. In deze nadere regels wordt verstaan onder:

Bouwobjecten: Voorwerpen, zoals bouwmaterialen, steigers, puinbakken, containers, keetcontainers, verhuisliften, eco-toiletten etc.

  • 1.

    Het is toegestaan tijdelijk bouwobjecten te plaatsen indien wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

    • a.

      Bouwobjecten brengen door de omvang of vormgeving, constructie, plaats van bevestiging of het beoogde gebruik geen schade toe aan de weg.

    • b.

      Bouwobjecten of het beoogde gebruik daarvan leveren geen gevaar op voor de bruikbaarheid en het doelmatig en veilig gebruik van de weg en vormt geen belemmering voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

    • c.

      Bouwobjecten leveren geen overlast op voor gebruikers van in de nabijheid gelegen onroerende zaken.

    • d.

      Bouwobjecten of het beoogde gebruik daarvan leveren geen risico op voor de openbare orde en veiligheid.

    • e.

      De duur van de ingebruikname van de weg of een weggedeelte bedraagt aaneensluitend niet langer dan dertig dagen.

    • f.

      Op het trottoir een vrije doorgang in een recht doorgaande lijn van ten minste anderhalve meter breed is gewaarborgd voor voetgangers en rolstoelgebruikers.

    • g.

      Er is altijd een vrije en onbelemmerde doorgang in een recht doorgaande lijn van minimaal vier meter breed aanwezig ten behoeve van hulpdiensten.

    • h.

      Het college wordt tenminste vijf werkdagen voorafgaand aan de plaatsing van de bouwobjecten in kennis gesteld met een telefonische of digitale melding.

  • 2.

    Bouwobjecten mogen niet worden geplaatst indien deze een belemmering vormen voor aan, onder, op of boven de weg te verrichten (onderhouds)werkzaamheden, evenementen, markten, kermissen, andere festiviteiten en/of gebeurtenissen van algemeen belang.

  • 3.

    Door of namens het bestuursorgaan gegeven aanwijzingen in het kader van het algemene belang, de openbare orde of veiligheid dienen strikt te worden opgevolgd. Deze aanwijzingen kunnen onder andere betrekking hebben op het geheel of gedeeltelijk verplaatsen dan wel verwijderen van de geplaatste objecten zonder dat de initiatiefnemer aanspraak kan maken op schadevergoeding.

  • 4.

    Schade die is toegebracht aan gemeentelijke eigendommen als gevolg van bouwobjecten zal door de gemeente voor rekening van de initiatiefnemer worden hersteld.

Artikel 2.2.4 Voorwerpen op of aan de weg (reclameborden, plantenbakken en banken)

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2:10, lid 3, onder d en e, en lid 5, van de APV is de volgende nadere regelgeving met betrekking tot reclameborden, plantenbakken en banken van toepassing. In deze nadere regels wordt verstaan onder:

Reclamebord: Een reclame-uiting geplaatst voor een pand op een openbare plaats, dat een onmiskenbare relatie heeft met de bedrijfsactiviteiten van de in dat pand gevestigde onderneming.

Plantenbakken en banken: Hetgeen hieronder in het dagelijks verkeer wordt verstaan.

  • 1.

    Het is toegestaan reclameborden, plantenbakken en banken te plaatsen indien wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

    • a.

      Reclameborden, plantenbakken en banken brengen door de omvang, vormgeving en plaats geen schade toe aan de weg.

    • b.

      Reclameborden, plantenbakken en banken leveren geen gevaar op voor de bruikbaarheid en het doelmatig en veilig gebruik van de weg en vormt geen belemmering voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

    • c.

      Reclameborden, plantenbakken en banken leveren geen overlast op voor gebruikers van in de nabijheid gelegen onroerende zaken.

    • d.

      Een vrije doorgang in een recht doorgaande lijn van ten minste anderhalve meter breed is gewaarborgd voor voetgangers en rolstoelgebruikers.

    • e.

      Er is altijd een vrije en onbelemmerde doorgang in een recht doorgaande lijn van minimaal viermeter breed aanwezig ten behoeve van hulpdiensten.

    • f.

      Reclameborden, plantenbakken en banken leveren geen risico op voor de openbare orde en veiligheid.

    • g.

      De initiatiefnemer zorgt voor een schoon en ordelijk aanzien van reclameborden, plantenbakken en banken en voor het schoonhouden van de openbare ruimte in de directe omgeving daarvan.

    • h.

      Reclameborden zijn enkel aanwezig op de weg ter hoogte van de eigen onderneming en op tijden dat de in dat pand gevestigde onderneming voor het publiek geopend is.

  • 2.

    Reclameborden, plantenbakken en banken die voldoen aan het in artikel 1 gestelde, mogen uitsluitend aanwezig zijn op voor voetgangers bestemde delen van de weg.

  • 3.

    Reclameborden, plantenbakken en banken mogen niet worden geplaatst indien deze een belemmering vormen voor op de locatie van de reclameborden, plantenbakken en banken te verrichten (onderhouds)werkzaamheden, evenementen, markten, kermissen, andere festiviteiten en/of gebeurtenissen van algemeen belang.

  • 4.

    Door of namens het bestuursorgaan gegeven aanwijzingen in het kader van het algemene belang, de openbare orde of veiligheid dienen strikt te worden opgevolgd. Deze aanwijzingen kunnen onder ander betrekking hebben op het geheel of gedeeltelijk verplaatsen dan wel verwijderen van de geplaatste objecten zonder dat de initiatiefnemer aanspraak kan maken op schadevergoeding.

  • 5.

    Schade die is toegebracht aan gemeentelijke eigendommen als gevolg van de reclameborden, plantenbakken en banken zal door de gemeente voor rekening van de initiatiefnemer worden hersteld.

Artikel 2.2.5 Voorwerpen op of aan de weg (verkiezingsborden)

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2:10, lid 3, onder f en lid 5, van de APV is de volgende nadere regelgeving met betrekking tot verkiezingsborden van toepassing. In deze nadere regels wordt verstaan onder:

Verkiezingsbord: Een los voorwerp (een beplakte kartonnen plaat, bevestigd aan een paal), geplaatst op een openbare plaats, dat een onmiskenbare relatie heeft met de verkiezingen als bedoeld in afdeling II en V van de Kieswet, die in hetzelfde kalenderjaar gaan plaatsvinden. Het is toegestaan verkiezingsborden te plaatsen in de periode dat campagnes van de verschillende aan de verkiezingen deelnemende politieke partijen plaatsvinden tot en met de betreffende verkiezingsdag. Er moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden:

  • 1.

    De verkiezingsborden brengen door de omvang (max. A3), vormgeving en plaats geen schade toe aan de weg en bevestigingsplaatsen.

  • 2.

    Borden mogen niet bevestigd worden aan geschilderde palen.

  • 3.

    De verkiezingsborden leveren geen gevaar op voor de bruikbaarheid en het doelmatig, veilig, gebruik van de weg en vormt geen belemmering voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

  • 4.

    Alvorens gebruik te maken van ongeschilderde palen van een andere eigenaar/wegbeheerder dan de gemeente Steenbergen, dient bij die instantie toestemming te worden gevraagd.

  • 5.

    De verkiezingsborden leveren geen overlast op voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaken.

  • 6.

    Een vrije doorgang in een recht doorgaande lijn van ten minste anderhalve meter breed is gewaarborgd voor voetgangers en rolstoelgebruikers.

  • 7.

    Er is altijd een vrije en onbelemmerde doorgang in een recht doorgaande lijn van minimaal vier meter breed aanwezig ten behoeve van hulpdiensten.

  • 8.

    De verkiezingsborden leveren geen risico op voor de openbare orde en veiligheid.

  • 9.

    De initiatiefnemer zorgt voor een schoon en ordelijk aanzien van de verkiezingsborden en voor het schoonhouden van de openbare ruimte en in de directe omgeving daarvan.

  • 10.

    De verkiezingsborden zijn enkel aanwezig vanaf twee maanden voor de verkiezingsdag tot en met de dag van verkiezingen.

  • 11.

    De verkiezingsborden moeten uiterlijk twee dagen na de verkiezing verwijderd zijn.

  • 12.

    Schade die is toegebracht aan gemeentelijke eigendommen als gevolg van de verkiezingsborden zal door de gemeente voor rekening van de initiatiefnemer worden hersteld.

  • 13.

    Bij het plaatsen van de verkiezingsborden moet er rekening gehouden worden met de Kieswet.

Artikel 2.3 Maken of veranderen van een uitweg

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2:12, lid 2, van de APV zijn geen categorieën van uitwegen aangewezen.

Artikel 2.4 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2:15, lid 2, van de APV is de volgende nadere regelgeving met betrekking tot de veiligheid op de weg van toepassing.

  • 1.

    In deze nadere regels wordt verstaan onder:

    • a.

      overhangende beplanting: boven een openbare plaats hangende beplanting, bomen hieronder begrepen;

    • b.

      rabatstroken: klinkerstroken langs de rijbaan, bedoeld als parkeer- en voetgangersgedeelte.

  • 2.

    Van belemmering, hinder en/of gevaar voor het wegverkeer en/of voor de instandhouding en bruikbaarheid van een openbare plaats als gevolg van overhangende beplanting, is in ieder geval sprake indien:

    • a.

      boven een openbaar voet- of fietspad de vrije doorgang minder dan twee meter en vijftig centimeter hoogte bedraagt;

    • b.

      boven een openbare rijweg, een parkeerterrein en een rabatstrook de vrije doorrijhoogte minder dan vier meter en vijftig centimeter hoogte bedraagt;

    • c.

      de beplanting tijdens het groeiseizoen van 1 mei tot en met 30 september gemeten vanaf de erfafscheiding boven een openbaar voet- of fietspad, een openbare rijweg, een parkeerterrein, een rabatstrook verder uitsteekt dan dertig centimeter en buiten het groeiseizoen verder dan de erfafscheiding zelf;

    • d.

      bij lichtmasten en armaturen de beplanting de lichtval naar de openbare autowegen, parkeerterreinen, rabatstroken, voet- en fietspaden belemmert;

    • e.

      verkeers- en informatieborden niet vrij van beplanting zijn of door beplanting niet goed zichtbaar zijn.

  • 3.

    De eigenaar of beheerder van overhangende beplanting is gehouden deze zodanig terug te brengen en terug gebracht te houden dat hinderlijke en/of gevaarlijke situaties, zoals bedoeld onder 2, worden vermeden.

  • 4.

    In het geval als bedoeld onder 2, lid c, dient na aanschrijving door of namens burgemeester en wethouders het terug brengen van overhangende beplanting in ieder geval plaats te vinden tot aan de erfgrens.

Artikel 2.5 Rookverbod in bossen en op natuurterreinen

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2:18, lid 1, van de APV is het in de periode van 1 april tot 1 november verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden binnen een afstand van dertig meter daarvan.

Artikel 2.6.1 Evenement (gebiedsaanwijzing)

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2:25, lid 5, van de APV zijn geen gebieden aangewezen.

Artikel 2.6.2 Evenement (meerjarige vergunningen)

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2:25, lid 9, van de APV is geen nadere regelgeving van toepassing.

Artikel 2.7 Gebruik van glas- en vaatwerk / verboden drankgebruik

  • 1.

    Ter uitvoering van het bepaalde in de artikel 2:33a, lid 1, en artikel 2:48, lid 1, van de APV is het op openbare plaatsen in de bebouwde kommen van de gemeente Steenbergen verboden om alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank alsmede al dan niet leeg glaswerk, bij zich te hebben.

  • 2.

    Het gebruik van kunststof of karton glaswerk tijdens de volgende evenementen is verplicht, zowel op de terreinen en openbare plaatsen waar deze evenementen worden gehouden als in de horecabedrijven (inclusief op de daarbij behorende terrassen) gelegen aan die terreinen en wegen:

    • a.

      Steenbergen: tijdens de Jaarmarkt, tijdens het Beachvolleybaltoernooi op de Markt, tijdens het Basketbaltoernooi op de Markt, tijdens de kermis op de Markt en de Westdam en tijdens Koninginnedag;

    • b.

      Dinteloord: tijdens de MUZA-feesten; en

    • c.

      tijdens overige nader door de burgemeester aan te wijzen en als zodanig bekend te maken, grootschalige publiektrekkende evenementen.

  • 3.

    Tijdens de carnavalsperiode, te beginnen op de vrijdag voorafgaande aan de officiële carnavalsperiode om 10.00 uur en eindigende op aswoensdag om 04.00 uur, is het gebruik van kunststof of karton glaswerk in de gehele gemeente verplicht in alle horecabedrijven tijdens aldaar te houden carnavalsactiviteiten.

  • 4.

    De regeling onder 3. is van kracht in De Heen in het weekend (van vrijdag tot en met zondag) voorafgaand aan de officiële carnavalsperiode.

Artikel 2.8 Verschaffing gegevens nachtregister

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2:38, van de APV worden ambtenaren bij separaat besluit aangewezen.

Artikel 2.9 Plakken en kladden

  • 1.

    Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2:42, lid 4, van de APV zijn de aanplakborden die van gemeentewege worden geplaatst voor de verkiezingen van publiekrechtelijke organen in de gemeente aangewezen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 2.

    Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2:42, lid 6, van de APV is de volgende nadere regelgeving met betrekking tot het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen van toepassing:

  • -

    aangebrachte affiches op de borden die telkenmale ten behoeve van de verkiezingen van gemeentewege tijdelijk worden geplaatst mogen niet over worden geplakt met een andere affiche o.i.d.

Artikel 2.10 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2:52, van de APV zijn geen uren of plaatsen aangewezen.

Artikel 2.11 Overlast en verontreiniging door honden

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2:58, lid 6, van de APV is het een eigenaar/geleider van een hond naast openbare plaatsen buiten de bebouwde kom ook toegestaan om zich met die hond te bevinden op de volgende, binnen de bebouwde kom gelegen plaatsen, zonder dat deze hond is aangelijnd:

  • a.

    In Steenbergen:

    • -

      een veld aan de Wisselkom;

    • -

      een veld aan de J.L. Brooijmansdreef;

    • -

      een veld aan het Floraplein;

    • -

      een zone met wandelpaden gelegen langs de watergang tussen Solmsbolwerk tot aan het fietspad aan Buiten de Veste (totale lengte zeshonderdtwintig meter).

  • b.

    In Dinteloord:

  • -

    een veld aan de Omloop.

De onder a. en b. genoemde plaatsen zijn weergegeven op de bij het aanwijzingsbesluit behorende en als zodanig gewaarmerkte tekeningen.

Artikel 2.12 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2:60, lid 1, van de APV zijn geen plaatsen en dieren aangewezen.

Artikel 2.13 Bedelarij

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2:65, van de APV zijn geen gebieden op of aan de weg aangewezen.

Artikel 2.14 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2:73, lid 1, van de APV zijn de volgende plaatsen aangewezen waar het in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast verboden is consumentenvuurwerk te gebruiken.

  • 1.

    de omgeving van:

    • a.

      gebouwen bestemd voor het tijdelijk of permanent verblijf van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, waartoe in ieder geval behoren:

      • 1°.

        een ziekenhuis, een bejaardenhuis, een verzorgingshuis of een verpleeghuis,

      • 2°.

        gebouwen van onderwijsinstellingen of

      • 3°.

        gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen;

    • b.

      gebouwen met rieten daken;

    • c.

      opslag en overslag van brandstof / tankstations;

    • d.

      opslag en overslag van vuurwerk / vuurwerkverkooppunten;

    • e.

      opslag en overslag van overige brandbare stoffen;

    • f.

      dierenpensions / dierenasiels;

    • g.

      dierenparkjes / veehouderijen / dierenpopulaties / beschermde flora en fauna;

    • h.

      kerken, begraaf- en herdenkingsplaatsen en rouwcentra;

    • i.

      het cultuurhistorisch verdedigingswerk Fort Henricus te Steenbergen.

  • 2.

    plaatsen die krachtens bestemming of vast gebruik als passage, promenade, portiek of centrale (publieks)ingang en/of -uitgang worden gebruikt;

  • 3.

    plaatsen onder viaducten;

  • 4.

    plaatsen waar sprake is van volksverzamelingen;

  • 5.

    plaatsen die door de daartoe bevoegde bestuursorganen zijn aangewezen als:

    • -

      stiltegebieden,

    • -

      beschermde of staatsnatuurmonumenten of

    • -

      Natura 2000 gebieden (gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn).

Artikel 2.15 Verzamelingen van personen in verband met drugs

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2.74a, lid 1, van de APV zijn geen openbare plaatsen aangewezen.

Artikel 2.16 Veiligheidsrisicogebieden

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2:76, van de APV zijn geen veiligheidsrisicogebieden aangewezen.

HOOFDSTUK 3. SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE EN DERGELIJKE

Artikel 3.1 Nadere regels

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 3:3, van de APV is geen nadere regelgeving met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden in hoofdstuk 3 van de APV bepaald.

Artikel 3.2 Straatprostitutie

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 3:9, van de APV zijn geen wegen of gebieden aangewezen waar straatprostitutie is toegestaan.

HOOFDSTUK 4. BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE

Artikel 4.1 Aanwijzing collectieve festiviteiten

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 4:2, lid 1 en lid 2, van de APV worden collectieve festiviteiten jaarlijks bij separaat besluit aangewezen (voor zover daaraan behoefte bestaat).

Artikel 4.2.1 Overige geluidhinder (geluidswagens)

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 4:6, lid 5, van de APV is de volgende nadere regelgeving met betrekking tot geluidswagens van toepassing.

Het is toegestaan een geluidswagen in te zetten indien wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

  • a.

    De geluidswagen beweegt zich minimaal met loopsnelheid voort.

  • b.

    De geluidswagen beweegt zich voort met een maximale tussenstop van twee minuten per vijftig meter.

  • c.

    De geluidsbelasting bedraagt ten hoogste negentig dB(A) aan de bron.

Artikel 4.2.2 Overige geluidhinder (knalapparatuur)

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 4:6, lid 5, van de APV is de volgende nadere regelgeving met betrekking tot het gebruiken van knalapparatuur voor het verjagen van vogels of wild van toepassing.

  • a.

    Een knalapparaat wordt slechts ingezet voor de noodzakelijke verjaging van wild en/of gevogelte om schade aan gewassen te voorkomen dan wel te beperken.

  • b.

    Een knalapparaat mag niet worden gebruikt als er beschermde vogels of ander beschermd wild zich op het perceel bevinden.

  • c.

    Het verjagen (verontrusten) van vogels of wild dient overeenkomstig het bepaalde in en krachtens de Flora- en faunawet te gebeuren (informatie over de eventueel noodzakelijke ontheffingen op grond van de Flora- en faunawet kan worden verkregen bij de Faunabeheereenheid Noord-Brabant, Postbus 100, 5201 AV ’s-Hertogenbosch, telefoon (073) 217 36 40).

  • d.

    De knalapparatuur wordt niet gebruikt binnen:

    • -

      een afstand van vijftig meter van de weg;

    • -

      een afstand van tweehonderdvijftig meter van de bebouwde kom;

    • -

      een afstand van tweehonderdvijftig meter van een geluidgevoelig object van derden; en

    • -

      een afstand van tweehonderdvijftig meter van het stiltegebied Heense Polder.

  • e.

    De knalapparatuur wordt niet gebruikt tussen 21.00 uur en 07.00 uur.

  • f.

    De knalapparatuur wordt niet gebruikt in de periode van 1 oktober tot en met 31 maart, uitgezonderd de periode 1 december tot en met 28 februari, wat betreft het beschermen van schadegevoelige granen.

  • g.

    Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door een knalapparaat bedraagt niet meer dan 50 dB(A) voor de periode tussen 07.00 uur en 19.00 uur en niet meer dan 45 dB(A) voor de periode tussen 19.00 uur en 21.00 uur, gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen van derden op een hoogte van anderhalve meter.

  • h.

    De knalfrequentie bedraagt maximaal zes knallen per uur tussen 07.00 uur en 19.00 uur en vier knallen tussen 19.00 uur en 21.00 uur.

  • i.

    Staan meerdere knalapparaten op minder dan driehonderd meter van een geluidsgevoelig object opgesteld dan geldt samen het maximum van zes respectievelijk vier knallen per uur.

  • j.

    Binnen tweehonderdvijftig meter van een reeds geplaatst knalapparaat wordt geen ander knalapparaat opgesteld.

  • k.

    Een knalapparaat wordt elke drie dagen tenminste vijftig meter verplaatst.

  • l.

    De opgestelde apparatuur dient van de woonbebouwing af te zijn gericht.

  • m.

    De knalapparatuur dient op een zodanige wijze opgesteld en gebruikt te worden, dat geluidsoverlast voor derden zoveel mogelijk wordt voorkomen.

  • n.

    De knalapparatuur dient periodiek geïnspecteerd en onderhouden te worden ter voorkoming van het nodeloos in werking treden daarvan.

  • o.

    Vrij opgestelde knalapparaten dient voorzien te zijn van een duidelijk leesbaar label, waarop de naam, adres, woonplaats en (mobiel) telefoonnummer van de gebruiker staan vermeld.

  • p.

    Tijdens het gebruik van knalapparatuur moet desgevraagd kunnen worden aangetoond of aannemelijk worden gemaakt, dat ook minimaal één andere verjagingsmethode wordt toegepast.

  • q.

    Het tijdstip van ingebruikneming van een knalapparaat en de locatie waar dit wordt opgesteld dienen tenminste twee werkdagen van te voren te worden gemeld bij de gemeente.

Artikel 4.3 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enzovoorts

  • 1.

    Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 4:13, lid 1, van de APV is het gehele grondgebied van de gemeente aangewezen als gebied, waar het verboden is buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht en buiten de weg gelegen de onder artikel 4:13, lid 1 onder a, b, c, d en e van de APV genoemde stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.

  • 2.

    Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 4:13, lid 2, van de APV zijn geen nadere regels gesteld.

HOOFDSTUK 5. ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE

Artikel 5.1 Te koop aanbieden van voertuigen

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 5:3, lid 1, van de APV zijn de wegen in de bebouwde kommen van de gemeente Steenbergen, alle carpoolplaatsen (parkeerterreinen die qua ligging en ontsluiting geschikt zijn voor het in- en uitstappen in het kader van het deelgebruik van een auto, en die als zodanig herkenbaar zijn) en direct naar een bebouwde kom leidende of uit een bebouwde kom komende wegen aangewezen als gebieden waar het verboden is een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

Artikel 5.2 Kampeermiddelen, aanhangwagens en andere

  • 1.

    Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 5:6, lid 1, onder a, van de APV zijn de wegen in de bebouwde kommen van de gemeente Steenbergen aangewezen als wegen waar het langer dan op drie achtereenvolgende dagen plaatsen of hebben van een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt niet is toegestaan. Een langer gebruik van de weg voor stalling van dergelijke voertuigen, is buitensporig met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte en voorts schadelijk voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2.

    Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 5:6, lid 1, onder b, van de APV zijn geen plaatsen aangewezen.

Artikel 5.3 Parkeren van grote voertuigen

  • 1.

    Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 5:8, lid 1, van de APV zijn alle wegen in de bebouwde kommen van de gemeente Steenbergen aangewezen als wegen waar het verboden is om een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan twee meter en veertig centimeter te parkeren. Het parkeren van voertuigen die in één of beide richtingen groter zijn, is schadelijk voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2.

    Het parkeren van deze voertuigen is wel toegestaan op de bedrijventerreinen Reinierpolder I en II in Steenbergen en op het parkeerterrein voor vrachtauto’s aan de Van Heemskerckstraat en op het bedrijventerrein Molenkreek in Dinteloord.

  • 3.

    Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 5:8, lid 2, van de APV zijn geen wegen aangewezen.

Artikel 5.4 Overlast van fiets of bromfiets

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 5:12, van de APV zijn geen plaatsen aangewezen.

Artikel 5.5 Vrijheid van meningsuiting

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 5:16, lid 2, onder a en b, van de APV zijn geen openbare plaatsen of bepaalde dagen en uren aangewezen.

Artikel 5.6.1 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen (aangewezen gedeelten)

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 5:25, lid 1, van de APV is het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op de volgende gedeelten van openbaar water:

  • 1.

    de havenkom en het havenkanaal in Dinteloord, behoudens voor degenen die kunnen aantonen d.m.v. een overeenkomst het recht te hebben om een roeiboot in het havenkanaal af te meren en zij die met een pleziervaartuig gedurende maximaal vierentwintig uur aan-/afmeren in de havenkom;

  • 2.

    de Rietkreek te Nieuw-Vossemeer, voor zover het betreft het gedeelte van het openbaar water, dat in beheer en onderhoud is bij de gemeente in de nabijheid van de Burgemeester Catshoeklaan;

  • 3.

    de haven en het havenkanaal te Steenbergen, behoudens voor een tweetal ligplaatsen voor woonschepen, zoals aangeduid op de plankaart van het bestemmingsplan ‘Stadsreconstructie Vesting Noord’ en zoals vermeld op het ligplaatsenoverzicht behorend bij de Woonschepenverordening 1997, behoudens de in de haven aanwezige ligplaatsen voor de pleziervaart en voor degenen die kunnen aantonen van de gemeente of een andere (semi-)overheidsinstantie een vergunning te hebben gekregen om een (roei-)boot te mogen afmeren in het havenkanaal.

Artikel 5.6.2 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen (nadere regels of beperkingen)

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 5:25, lid 2, van de APV zijn geen nadere regels of beperkingen gesteld.

Artikel 5.7 Crossterreinen

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 5:32, lid 2, van de APV zijn geen terreinen aangewezen en geen nadere regels gesteld.

Artikel 5.8 Beperking verkeer in natuurgebieden

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 5:33, lid 2, van de APV zijn geen terreinen aangewezen en geen nadere regels gesteld.

Artikel 5.9 Verboden plaatsen (verstrooien as)

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 5:36, lid 2, van de APV zijn geen andere plaatsen als genoemd in lid 1 van dat artikel aangewezen.

HOOFDSTUK 6. STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 6.1 Toezichthouders

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 6:2, van de APV worden toezichthouders door het daartoe bevoegde bestuursorgaan bij separaat besluit aangewezen.

Artikel 6:2 Inwerkingtreding

De in dit besluit opgenomen nadere regels en aanwijzingen treden in werking op de achtste dag na die waarop deze zijn bekendgemaakt.

Artikel 6:3 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als Algemeen uitvoeringsbesluit APV.

Toelichting behorende bij het Algemeen uitvoeringsbesluit APV

1. algemeen

De gemeenteraad heeft bij besluit van 20 juni 2013, nummer BM1301016 de Algemene plaatselijke verordening 2013 (APV) vastgesteld.

Daarbij heeft de raad het college de bevoegdheid gegeven om voor een aantal activiteiten nadere regels te stellen. Ook zijn in de APV verboden opgenomen die uitsluitend van toepassing zijn in bepaalde - door het college of de burgemeester aan te wijzen - delen of gebieden van de gemeente. Dit zijn de zogenaamde aanwijzingsbesluiten.

In de APV zijn de regels op hoofdlijnen gegeven. Het is aan het college en aan de burgemeester om deze regels nader uit te werken. Ter wille van de overzichtelijkheid zijn de door deze bestuursorganen vastgestelde nadere regels en de aanwijzingsbesluiten opgenomen in dit Algemeen uitvoeringsbesluit APV.

2. strafbaarstelling

Overtreding van dit APV-uitvoeringsbesluit is geregeld in artikel 6.1 van de APV.

3. artikelsgewijze toelichting

Niet bij alle deelbesluiten is een toelichting bepaald. Hieronder zij opgenomen de toelichtingen zoals die zijn vastgesteld ten tijde van de vaststelling van de separate deelbesluiten.

2.15

In de APV zijn verschillende artikelen opgenomen waarmee activiteiten met (consumenten)vuurwerk zijn te reguleren:

  • -

    Artikel 2:73 maakt het mogelijk om bij nader besluit verboden vuurwerkplaatsen aan te wijzen.

  • -

    De verkoop van consumentenvuurwerk is gebonden aan een verkoopvergunning ex artikel 2:72. De vergunninghouder dient acht weken vóór de eerste verkoopdag (vóór 1 of 2 november) uit het Vuurwerkbesluit kennisgeving te doen van het gebruik maken van de doorlopende verkoopvergunning.

  • -

    Het gebruiken van vuurwerk tijdens een evenement kan gebonden zijn aan een evenementenvergunning als bedoeld in artikel 2:24.

achtergrond

Dit besluit is genomen in het kader van het voorkomen van gevaar, schade of overlast door het gebruik van consumentenvuurwerk op openbare plaatsen. Het gaat om bescherming van deze algemene belangen in een min of meer bijzondere omgeving, in een specifieke situatie of in een bijzondere omstandigheid, die daar net iets nadrukkelijker om vragen. De locaties zij zodanig benoemd en beschreven dat het besluit in de praktijk zo flexibel mogelijk als preventief en gedragscorrigerend instrument kan worden toegepast.

aanwijzen verboden vuurwerklocaties

Het college kan op grond van artikel 2:73 plaatsen aanwijzen waar geen consumentenvuurwerk mag worden gebruikt. Dit kunnen plaatsen zijn die gevoelig zijn voor geluid, zoals bijvoorbeeld verzorgingshuizen of dierenasiels, maar ook plaatsen waar het gebruiken van consumentenvuurwerk is toegestaan, behalve wanneer daar zich al dan niet bewust mensen hebben verzameld (bijvoorbeeld om te winkelen, te recreëren, gezellig te verblijven of anderszins) of waar zij ter plaatse bijeen zijn in het kader van een bijzondere gelegenheid, zoals een weekmarkt, een manifestatie, een evenement of daarmee vergelijkbare activiteiten. Dergelijke al dan niet bewust gekozen samenloop van mensen wordt in dit besluit ‘volksverzamelingen’ genoemd. Het volstaat niet om uitsluitend dit artikel in de APV op te nemen. Het college moet tevens een aanwijzingsbesluit nemen, waarin de plaatsen zijn vermeld, zoals bedoeld in het eerste lid, van artikel 2:73. Zonder een dergelijk aanwijzingsbesluit is het een loos artikel.

respectering natuurwaarden

Natuur- en stiltegebieden zijn van belang voor de in de natuur rustzoekende recreant en het in stand houden van de flora en fauna en de biodiversiteit. Activiteiten die de geluidsbelasting en beleving van de natuurwaarden negatief beïnvloeden, en die niet gebiedseigen zijn (zoals landbouwactiviteiten), moeten worden geweerd. Lokaal kan daar onder meer aan worden bijgedragen door aanwijzing van deze gebieden waar het gebruik van consumentenvuurwerk niet is toegestaan om de kans op gevaar, schade en overlast hierdoor in een dergelijk kwetsbaar en waardevol gebied te voorkomen.

motivering aanwijzingsbesluit

De aanwijzing van deze plaatsen worden ingegeven ter voorkoming van gevaar, schade of overlast en wel specifiek als volgt:

  • -

    het bepaalde onder 1a. : gesteld ter voorkoming van overlast,

  • -

    het bepaalde onder 1b. : gesteld ter voorkoming van gevaar/schade,

  • -

    het bepaalde onder 1c. : gesteld ter voorkoming van gevaar,

  • -

    het bepaalde onder 1d. : gesteld ter voorkoming van gevaar/overlast,

  • -

    het bepaalde onder 1e. : gesteld ter voorkoming van gevaar,

  • -

    het bepaalde onder 1f. : gesteld ter voorkoming van overlast,

  • -

    het bepaalde onder 1g. : gesteld ter voorkoming van schade/overlast,

  • -

    het bepaalde onder 1h. : gesteld ter voorkoming van overlast,

  • -

    het bepaalde onder 1i. : gesteld ter voorkoming van gevaar/schade,

  • -

    het bepaalde onder 2. : gesteld ter voorkoming van schade/overlast,

  • -

    het bepaalde onder 3. : gesteld ter voorkoming van overlast,

  • -

    het bepaalde onder 4. : gesteld ter voorkoming van gevaar/schade/overlast en

  • -

    het bepaalde onder 5. : gesteld ter voorkoming van gevaar/schade/overlast.

toezicht en handhaving; beperking gevaar/schade/overlast

Door het nemen van het aanwijzingsbesluit kan zowel preventief (bij overlastdreiging) en verscherpt (in corrigerende zin op het moment dat concrete overlast zich voordoet) worden toegezien op de vuurwerkproblematiek, met name in de dagen rond de jaarwisseling. Zie ook onder het kopje ‘achtergrond’.

4.2.2

uitgangspunten nadere regels

Het telen van fruit en overige agrarische activiteiten vormen voor diverse ondernemers in Steenbergen een belangrijke bron van inkomsten. Inherent hieraan is het treffen van maatregelen ter beperking van opbrengstschade (ruim dertig procent van de provinciale opbrengstschade vindt plaats op het grondgebied van Steenbergen). Het gebruik van een knalapparaat ter beperking van vogel- en wildschade kan daarbij een hulpmiddel zijn. De ondernemers staan echter ook andere hulpmiddelen ter beschikking, die deze schade kunnen beperken.

Wanneer het voorkomen van iedere vorm van hinder door knalapparaten als uitgangspunt wordt genomen, is het gebruik van deze apparaten in Steenbergen vrijwel uitgesloten. Wonen in (het buitengebied van) Steenbergen c.q. aan de rand van de bebouwde kom betekent samenleven met de agrarische bedrijfstak en fruitteeltsector. Deze bedrijvigheden hebben hun lusten en hun lasten. Dat laatste is niet onoverkomelijk, mits deze zijn begrensd. Een zekere mate van hinder ten gevolge van het gebruik van knalapparaten is in dit verband toelaatbaar, voor zover de mate en de tijdsperiode waarin de hinder kan worden ondervonden beperkt is.

Indien de regulier gebruikelijke geluidnormen worden verlaten moet het uitdrukkelijk gaan om een bedrijfsvoering in uitzonderlijke omstandigheden: het voorkomen c.q. beperken van ernstige vraatschade. Deze uitzonderlijke omstandigheden kunnen zich voordoen wanneer rijpende gewassen worden aangevreten of (pas) ingeplante of ingezaaide akkers regelmatig worden bezocht door vogels. Dit beperkt zich over het algemeen tot de periode april tot en met september.

Het gebruik van knalapparatuur is beperkt tot het tijdvak van 07.00 uur tot 21.00 uur (of zoveel korter). Hoewel vraat ook buiten deze tijdsperiode zal optreden, is afwijking van de reguliere geluidnormen buiten deze uren niet toelaatbaar.

Het optreden van schrikeffecten ten gevolge van een enkelvoudige knal bij bewoners of gebruikers van geluidgevoelige objecten is in het algemeen ongewenst. Hieruit volgt dat in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur een niveau hoger dan zeventig dB(A, imp) ter plaatse van de gevel van geluidgevoelige objecten van derden in het algemeen niet toelaatbaar is.

Overschrijding van een niveau van vijfenzeventig dB(A, imp) is - gelet op het gestelde in de circulaire schietlawaai van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer - onaanvaardbaar. Dit is tevens in lijn met de maximale grenswaarde van vijfenzeventig dB(A) voor piekwaarden (Lmax), die in het kader van de Wet milieubeheer wordt gehanteerd.

De effecten die samenhangen met een overschrijding van het achtergrondniveau met meer dan tien dB(A) door herhaald hoorbare knallen worden eveneens ontoelaatbaar geacht. Hieruit volgt dat in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur een niveau hoger dan vijftig dB(A) ter plaatse van de gevel van geluidgevoelige objecten van derden niet toelaatbaar is (vanwege de avondrust bedraagt niveau vanaf 19.00 uur ten hoogste vijfenveertig dB(A)).

Cumulatie van de geluidbelasting door tegelijkertijd functionerende knalapparaten is ongewenst. Wanneer een tweede knalapparaat nabij een reeds opgesteld apparaat wordt geplaatst, dan neemt de geluidbelasting toe. Het is om die reden dat een minimale afstand gewenst is tussen twee knalapparaten. Staan meerdere knalapparaten op minder dan driehonderd meter van een geluidsgevoelig object opgesteld dan geldt samen het maximum van zes respectievelijk vier knallen per uur.

Op grond van bovengenoemde uitgangspunten zijn nadere regels te formuleren. Deze zijn geformuleerd vanuit de gedachte dat niet in iedere situatie geluidmetingen verricht moeten worden om te beoordelen of voldaan wordt aan het in en krachtens artikel 4:6 van de APV gestelde. Wanneer er wordt voldaan aan deze nadere regels en uitgangspunten is er sprake van een situatie waarbij niet die mate van hinder wordt veroorzaakt als bedoeld in dat artikel 4.6 en waarbij het gebruik van een knalapparaat is verboden.

Omdat er in werkelijkheid verschillen bestaan tussen knalapparaten is noodzakelijkerwijs uitgegaan van een gangbaar knalapparaat.

eigen verantwoordelijkheid inzake Flora- en Faunawet (Ffw) en andere regelgeving

Het gebruik van knalapparatuur is in de APV geregeld in artikel 4:6 Overige geluidhinder. Dit artikel valt onder de afdeling ‘geluidhinder en verlichting’ van Hoofdstuk 4 ‘Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente’. Het motief is het regelen van de geluidsoverlast. Middels deze nadere regels wordt dat wat knalapparatuur betreft genoegzaam gedaan. Binnen deze nadere regels is een artikel 4:6-ontheffing voor het gebruik van knalapparatuur mogelijk.

Dit geeft gebruikers daarvan echter geen vrijbrief om vrijelijk een knalapparaat in te zetten. Het verjagen (verontrusten) van vogels of wild dient altijd overeenkomstig het bepaalde in en krachtens de Ffw te gebeuren. Informatie over de eventueel noodzakelijke ontheffingen op grond van de Ffw kan worden verkregen bij de Faunabeheereenheid Noord-Brabant, Postbus 100, 5201 AV ’s-Hertogenbosch, telefoon (073) 217 36 40.

jurisprudentie

Terecht is geoordeeld dat het belang, ter bescherming waarvan de Ffw is vastgesteld, te weten de bescherming van in het wild levende planten- en diersoorten, zich niet tegen het vaststellen door de gemeenteraad van regels, die tot doel hebben het tegengaan van geluidhinder in de openlucht en het voorkomen van geluidhinder bij omwonenden, verzet. Voorts is met juistheid het door het college bij toepassing van artikel 4:6a, eerste lid, van de APV gevoerde beleid niet strijdig met de Ffw of anderszins onrechtmatig geacht (ABRS, 201104314/1/A3).

Eventuele strijdigheid van de kap met de in de Ffw opgenomen verbodsbepalingen is, gelet op het toetsingskader, geen weigeringsgrond voor de kapvergunning. Verweerder heeft op grond van artikel 2 Ffw, zoals eenieder, in zijn besluitvorming wel een zorgplicht in acht te nemen en heeft daaraan naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de kapvergunning voldoende inhoud gegeven door daarin de voorwaarde op te nemen dat, alvorens er wordt gekapt, moet worden gecontroleerd of er beschermde vogels of andere dieren aanwezig zijn, Er mag pas worden gekapt als eventueel aanwezige nesten of verblijfplaatsen verlaten zijn. Dat geldt ook voor het spechtengat dat blijkens de Bomen Effect Rapportage is aangetroffen in één van de te kappen eiken. De kapvergunning is dan ook niet in strijd met de Ffw (RB Utrecht SBR 11/4350 en 11/4359).

4.3, lid 1

Artikel 4:13 van de APV - en daarmee het aanwijzingsbesluit - ziet niet toe op handelingen die plaatsvinden op de “weg” in de zin van de wegenverkeerswetgeving of in een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Daartegen kan worden opgetreden op basis van andere in de APV opgenomen voorschriften en/of de milieuvoorschriften.

De noodzaak tot het aanwijzen van heel het grondgebied is gelegen in het feit dat dit besluit mede behelst het voorkomen van schade aan de openbare gezondheid. Er zijn geen locaties denkbaar waarin dezelfde mate van opslag minder risico’s voor de openbare gezondheid met zich mee zou brengen. Het aantal mensen dat dat risico zou lopen mag immers nooit het uitgangspunt zijn. Eenieder heeft recht op dezelfde gezondheidsbescherming.

Mestopslag op een agrarisch perceel, akker- of weiland kan worden toegestaan binnen de contouren van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer. Milieuhygiënisch is dat verantwoord en handhavingtechnisch uitvoerbaar vanwege het alle gevallen van toepassing zijn van deze uniforme landelijke regels.

5.1

Dit aanwijzingsbesluit heeft betrekking op het voorkomen van excessief parkeren door het te koop aanbieden of verhandelen van voertuigen. In de Wegenverkeerswet of in de Algemene plaatselijke verordening wordt nergens aangegeven wat het begrip “parkeerexces” precies inhoudt. Daarom zal bij het aanwijzen van gebieden waar dit te koop aanbieden of verhandelen verboden zou moeten worden tevoren moeten worden vastgelegd wat dit begrip omvat.

Mede omdat dit aspect van het verkeer aan een voortschrijdende ontwikkeling onderhevig is, is van het begrip “parkeerexces” bezwaarlijk een voldoende concrete definitie te geven. Uit jurisprudentie blijkt dat onder het begrip “parkeerexces” ieder excessief parkeren op de weg worden begrepen. Daarvan is sprake in de volgende gevallen:

  • a)

    wanneer het parkeren op de weg betreft dat met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers, die gelegenheid om te parkeren behoeven, buitensporig is en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief; eigenlijke aanvulling), en

  • b)

    wanneer het gebruik van de weg als parkeerplaats op zich zelf niet ongeoorloofd is te achten, maar wel dat de aard van het voertuig, het met het parkeren beoogde doel of het aantal te parkeren voertuigen relatief gezien een te grote ruimte opeist in vergelijking met de behoefte aan parkeerruimte van anderen; alsook

  • c)

    wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om andere motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde of veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, voorkoming van uitzichtbelemmering en stankoverlast (oneigenlijke aanvulling).

Voor het motief van dit aanwijzingsbesluit wordt aansluiting gezocht bij het onder a. en c. bepaalde.