gemeente Steenbergen | Beleidsregels artikel 13b Opiumwet, Damoclesbeleid

Regeling Beleidsregels artikel 13b Opiumwet, Damoclesbeleid

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

  • Datum inwerking-treding 17-04-2015
  • Terugwerkende kracht t/m
  • Datum uitwerking-treding 01-02-2020
  • Betreft nieuwe regeling
  • Datum ondertekening 13-04-2015
  • Bron bekendmaking gemeenteblad
  • Kenmerk voorstel BM1500599

Inleiding

1. Inleiding

De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) of II (softdrugs) wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Om bij de handhaving aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit te voldoen is het gewenst om de bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet vast te leggen in lokaal beleid. Op grond van bestuursrecht is een gedegen onderbouwing van het besluit van de burgemeester vereist, bij voorkeur door middel van beleidsregels. In deze beleidsregels, het Damoclesbeleid, is vastgelegd op welke wijze de burgemeester van deze bevoegdheid gebruikt maakt en welke overwegingen hieraan ten grondslag liggen.

Nieuwe ontwikkelingen en opgedane ervaringen met betrekking tot de bestuursrechtelijke handhaving van de Opiumwet maken actualisering en vaststelling van nieuw Damoclesbeleid noodzakelijk. Uit een inventarisatie van het vigerende cannabisbeleid binnen de acht gemeenten van district de Markiezaten bleek dat op uiteenlopende wijze invulling werd gegeven aan deze bevoegdheid. Omdat georganiseerde criminaliteit niet stopt bij de gemeentegrens is het bij de aanpak van drugshandel van belang zo veel mogelijk districtelijke (en regionale) eenheid te creëren. Hiermee wordt verplaatsing van drugshandel zo veel mogelijk voorkomen en wordt duidelijkheid gecreëerd voor overtreders, handhavingspartners en overige betrokkenen. Met deze nieuwe beleidsregels zijn de bestuursrechtelijke maatregelen binnen district de Markiezaten op elkaar afgestemd, waardoor sprake is van een uniform Damoclesbeleid binnen het basisteam Bergen op Zoom (gemeenten Bergen op Zoom, Steenbergen, Tholen en Woensdrecht).  

De aanpak van georganiseerde criminaliteit (waaronder drugshandel) is één van de vijf gemeenschappelijk benoemde veiligheidsthema’s binnen het “Regionaal Beleidsplan Zeeland – West Brabant 2013 – 2014”. Een geactualiseerd en effectief Damoclesbeleid is van belang voor de integrale aanpak van drugshandel. Deze beleidsregels sluiten in grote lijnen aan bij/vloeien voort uit de landelijke en regionale bestuurlijke aanpak van georganiseerde misdaad (o.a. bij de Taskforce Brabant-Zeeland).

2. Juridisch kader

Voor de bestuurlijke handhaving van de verboden in de zin van artikel 2 (verbod op aanwezigheid van harddrugs, lijst I) en artikel 3 (verbod op aanwezigheid van softdrugs, lijst II) Opiumwet, is in die wet artikel 13b opgenomen.

Artikel 13b Opiumwet luidt als volgt:

  • 1.

    De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing indien woningen, lokalen of erven als bedoeld in het eerste lid, gebruikt worden ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de geneeskunst, de tandheelkunde of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk apothekers, artsen, tandartsen of dierenartsen.

3. Uitgangspunten optreden

  • 1.

    Handel in drugs wordt in het geheel niet gedoogd, ook niet in zogeheten coffeeshops die zich houden aan de door het College van procureurs-generaal opgestelde (BI)AHOJG-criteria (zie hoofdstuk 5).

  • 2.

    Er wordt bestuursrechtelijk handhavend opgetreden indien in een woning of lokaal handel in drugs plaatsvindt of heeft plaatsgevonden.

  • 3.

    Het bestuursrechtelijk handhavend optreden bestaat in de regel uit de last aan de eigenaar en/of gebruikers van een woning en/of het lokaal om de woning en/of het lokaal waar handel in drugs heeft plaatsgevonden binnen een bepaalde termijn te sluiten en voor een bepaalde periode gesloten te houden, bij gebreke waarvan bestuursdwang wordt toegepast.

  • 4.

    Indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven (bijvoorbeeld gelet op de omvang of de frequentie van de overtredingen en/of de veroorzaakte/terug te dringen overlast) kan er voor worden gekozen spoedeisende bestuursdwang toe te passen en derhalve geen termijn voor de tenuitvoerlegging van de sluiting te stellen.

Definitie drugshandel

In deze beleidsregels wordt onder drugshandel verstaan: de verkoop, aflevering of verstrekking dan wel het daartoe aanwezig zijn van soft- en/of harddrugs. Hennepteelt, hennep drogen of hoe dan ook houden of voorhanden hebben van hennepplanten, welke niet enkel is gericht op eigen gebruik, wordt eveneens als handel beschouwd.

Om te beoordelen of een hoeveelheid drugs erop wijst dat de drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn, wordt aangesloten bij de door het openbaar ministerie toegepaste criteria ten aanzien van de hoeveelheden[1]. Dit betekent dat een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram, een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram en een hoeveelheid van maximaal 5 hennepplanten in beginsel als hoeveelheden voor eigen gebruik worden aangemerkt. Grotere hoeveelheden wijzen er op dat de drugs bestemd is voor verkoop, aflevering of verstrekking. Ook wanneer geen hoeveelheid drugs wordt aangetroffen kan uit andere feiten en omstandigheden blijken dat er sprake is van drugshandel op grond waarvan tot sluiting kan worden overgegaan.

[1] Aanwijzing Opiumwet, Stcrt. 2011, nr. 22936.

Last onder bestuursdwang

Op grond van artikel 5:32 Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. De wet laat aan het bestuursorgaan dus een discretionaire bevoegdheid om te kiezen voor een van beide alternatieven. Ten aanzien van de uitoefening van de bevoegdheid van artikel 13b Opiumwet is volgens de burgemeester de meest aangewezen maatregel steeds de (tijdelijke) sluiting van een woning of lokaal middels het opleggen van een last onder bestuursdwang. Gelet op het belang dat geschonden wordt door de overtreding van de Opiumwet mag volgens de burgemeester niet het risico worden genomen dat de overtreding ondanks een last onder dwangsom wordt voortgezet of herhaald en dient te worden voorkomen dat door betrokkenen een financiële belangenafweging wordt gemaakt. Als beleidsuitgangspunt wordt dus gekozen voor het opleggen van een last onder bestuursdwang en niet voor het opleggen van een last onder dwangsom. Dit betekent concreet dat woningen en/of lokalen die niet vrijwillig worden gesloten en gedurende de periode van de sluiting gesloten worden gehouden, worden dichtgetimmerd en/of verzegeld en dat de kosten daarvan op de overtreders worden verhaald.

4. Nulbeleid ten aanzien van coffeeshops

Op basis van onderzoeken naar het aantal drugstoeristen en het koopgedrag van coffeeshopklanten is gebleken dat gedoogde coffeeshops in Roosendaal en Bergen op Zoom een belangrijk aandeel hebben gehad in het drugstoerisme.[1] Dit heeft vervolgens geleid tot de commercialisering van de distributie van softdrugs met als gevolg dat de productie op steeds grotere voet is georganiseerd en voor een deel ook in handen is gekomen van de georganiseerde misdaad.[2] Om de toestroom van drugstoeristen en de daarmee gepaard gaande overlast en criminaliteit te verminderen is in 2009 besloten in de gemeenten Roosendaal en Bergen op Zoom geen coffeeshops meer te gedogen. Dit zogeheten nulbeleid blijft onder het Damoclesbeleid 2014 onverminderd van kracht. Dit betekent concreet dat de vestiging van coffeeshops in de gemeentes Roosendaal en Bergen op Zoom niet wordt toegestaan en dat tegen alle mogelijke verkooppunten van drugs handhavend kan worden opgetreden, ook wanneer het verkooppunt zich aan de (BI)AHOJG-criteria houdt.[3] In de overige gemeenten binnen district de Markiezaten is altijd al een nulbeleid gevoerd en dit wordt gelet op voorgaande overwegingen onverkort voortgezet.

[1] E.J. van der Torre, M. Wigmans en E.D. Cachet, ‘Drugstoeristen in Roosendaal & Bergen op Zoom; Tellingen’, en ‘Coffeeshopklanten in Roosendaal & Bergen op Zoom’, COT Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement, Den Haag, 2008.

[2] C. Fijnaut en B. de Ruyver, ‘Voor een gezamenlijke beheersing van de drugsgerelateerde criminaliteit in de Eurregio Maas-Rijn’, Tilburg-Gent, 2008; T. Sappens, H van den Bunt en L. Rastovac, ‘De wereld achter de wietteelt’, Erasmus Universiteit Rotterdam – Universiteit van Tilburg, 2007.

[3] Aanwijzing Opiumwet, Stcrt. 2011, nr. 22936.

5. Handhaving drugshandel in woningen en lokalen

Om de handel in drugs in of bij woningen en lokalen tegen te gaan is strikte handhaving gewenst en noodzakelijk. Handel in drugs in of bij woningen of lokalen vormt immers een ernstige aantasting van de openbare orde, veiligheid en volksgezondheid. Daarbij is de druk die een illegaal verkooppunt legt op de omgeving bijzonder zwaar. Zeker in woongebieden wordt de aanwezigheid ervan als zeer belastend ervaren. Het woon- en leefklimaat van de burgers wordt erdoor aangetast alsmede de geloofwaardigheid van de overheid. Een illegaal verkooppunt vormt vaak een bedreiging voor de sociale veiligheid in de buurt en leidt tevens vaak tot verloedering van het straatbeeld. Daarnaast kan sprake zijn van nadelige economische gevolgen zoals het dalen van de verkoop- en verhuurwaarde van woningen of lokalen en de achteruitgang van de verzorgingsstructuur (aanwezigheid van andere winkels en voorzieningen). Ook de hennepteelt in woningen en lokalen zorgt voor gevaarzetting en overlast en gaat veelal gepaard met diverse andere vormen van criminaliteit. Voor woningen geldt dat deze niet altijd feitelijk ook als woning worden gebruikt. Er is soms sprake van schijnbewoning en bedrijfsmatigheid. Om die reden wordt een voor bewoning bestemde ruimte die niet feitelijk gebruikt wordt als woning, aangemerkt als lokaal[1]. De betreffende woningen vallen daarmee dan onder het handhavingsregime dat voor lokalen geldt. Of een woning wordt gebruikt als woonruimte en er dan ook sprake is van het hebben van woongenot, blijkt uit de feitelijke constatering ter plaatse.

[1] Dit geldt alleen voor overtredingen op basis van de Opiumwet.

Woningen:

  • 1.

    Onder een woning wordt verstaan een feitelijk voor bewoning gebruikte ruimte en het eventueel daarbij behorende erf.

  • 2.

    Indien er sprake is van handel in softdrugs in woningen, wordt bij de eerste constatering daarvan een schriftelijke waarschuwing gegeven. Bij de tweede constatering van handel in softdrugs binnen 3 jaar na de eerste constatering, wordt de woning gesloten voor 3 maanden. Bij de derde constatering van handel in softdrugs binnen 3 jaar na de tweede constatering, wordt de woning gesloten voor 6 maanden. Bij de vierde constatering van handel in softdrugs binnen 3 jaar na de derde constatering, wordt de woning gesloten voor 12 maanden.

  • 3.

    Indien er sprake is van handel in harddrugs in woningen, wordt bij de eerste constatering daarvan de woning gesloten voor 3 maanden. Bij de tweede constatering van handel in harddrugs binnen 3 jaar na de eerste constatering, wordt de woning gesloten voor 6 maanden. Bij de derde constatering van handel in harddrugs binnen 3 jaar na de tweede constatering, wordt de woning gesloten voor 12 maanden.

  • 4.

    Indien er meer dan 3 jaar is verstreken tussen twee constateringen van handel in soft-/harddrugs, wordt de laatste van die twee constateringen weer als een eerste constatering aangemerkt.

  • 5.

    Schriftelijke waarschuwingen zijn altijd pandgebonden. Schriftelijke waarschuwingen worden altijd verzonden naar de pandeigenaar en indien mogelijk de pandgebruiker.

Lokalen:

  • 1.

    Onder een lokaal wordt verstaan een al dan niet voor publiek toegankelijk lokaal en het daarbij behorende erf (omvat zowel coffeeshops, cafés en winkels als loodsen en/of bedrijfsruimten), alsmede een woning die niet feitelijk voor bewoning wordt gebruikt.

  • 2.

    Indien er sprake is van handel in softdrugs in lokalen, wordt bij de eerste constatering daarvan het lokaal gesloten voor 6 maanden. Bij de tweede constatering van handel in softdrugs binnen 3 jaar na de eerste constatering, wordt het lokaal gesloten voor 12 maanden. Bij de derde constatering van handel in softdrugs binnen 3 jaar na de tweede constatering, wordt het lokaal gesloten voor 24 maanden.

  • 3.

    Indien er sprake is van handel in harddrugs in lokalen, wordt bij de eerste constatering daarvan het lokaal gesloten voor 12 maanden. Bij de tweede constatering van handel in harddrugs binnen 3 jaar na de eerste constatering, wordt het lokaal gesloten voor 24 maanden. Bij de derde constatering van handel in harddrugs binnen 3 jaar na de tweede constatering, wordt het lokaal gesloten voor 48 maanden.

  • 4.

    Indien er meer dan 3 jaar is verstreken tussen twee constateringen van handel in drugs, wordt de laatste van die twee constateringen weer als een eerste constatering aangemerkt.

  • 5.

    Voor zover er in een lokaal een inrichting met vergunning wordt geëxploiteerd (bijvoorbeeld Drank- en Horecawetvergunning of vergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening), wordt bij elke constatering van handel in drugs de vergunning indien mogelijk ingetrokken.

Tabel 1 schematische weergave sanctiestrategie

Regeling informatie

 

 

 

binnen 3 jaar na 1e

binnen 3 jaar na 2e

binnen 3 jaar na 3e

Lokalen

Handel in softdrugs

Sluiting 6 maanden

Sluiting 12 maanden

Sluiting 24 maanden

Lokalen

Handel in harddrugs

Sluiting 12 maanden

Sluiting 24 maanden

Sluiting 48 maanden

Woning

Handel in softdrugs

Schriftelijke waarschuwing

Sluiting 3 maanden

Sluiting 6 maanden

Sluiting 12 maanden

Woning

Handel in Harddrugs

Sluiting 3 maanden

Sluiting 6 maanden

Sluiting 12 maanden

Toelichting sluitingstermijnen

In beginsel sluit de zwaarte van de verschillende sancties (sluitingsduur) aan op de ernst van de geconstateerde overtreding. De duur van de sluiting is in de eerste plaats afhankelijk van de soort overtreding, in die zin dat de sluitingsduur bij handel in harddrugs in beginsel langer is dan de sluitingsduur bij handel in softdrugs. Dit hangt samen met het beleidsmatig en strafrechtelijk onderscheid tussen soft- en harddrugs (lijst I en II Opiumwet) en de onaanvaardbare risico’s van harddrugs. De duur van de sluiting is verder afhankelijk van de vraag of de handel in drugs heeft plaatsgevonden in een woning of in een lokaal, in die zin dat de sluitingsduur bij handel in drugs in lokalen in beginsel langer is dan de sluitingsduur bij handel in drugs in woningen. Dit hangt samen met het uitgangspunt dat de sluiting van een woning zwaarder ingrijpt op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene(n) dan de sluiting van lokalen. Gelet op vorenstaande onderscheid tussen enerzijds soft- en harddrugs en anderzijds tussen woningen en lokalen is er, mede met het oog op artikel 8 EVRM, ook voor gekozen bij de eerste constatering van handel in softdrugs in een woning te volstaan met een schriftelijke waarschuwing en dus nog niet direct over te gaan tot sluiting van de woning. De sluitingsduur is voorts bij zowel handel in softdrugs als in harddrugs alsmede bij zowel woningen als lokalen langer indien eerder al een sanctie is opgelegd voor handel in drugs op de betreffende locatie. Tot slot is bij de vaststelling van de verschillende sluitingstermijnen uitgegaan van de tijd die verwacht wordt nodig te zijn om de bekendheid van een locatie als drugsadres teniet te doen, de rust in de directe omgeving te doen wederkeren of herhaling van ernstige verstoring van de openbare orde te voorkomen alsmede een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen. Mede vanuit dit opzicht kan middels de opheffingsmogelijkheid (zie verder hoofdstuk 9) de sluitingsduur achteraf zo nodig ook worden gecorrigeerd. Met deze opheffingsmogelijkheid wordt echter zeer terughoudend omgegaan. De verschillende sluitingsduren die worden gehanteerd variëren van 3 tot en met 48 maanden en zijn zoveel mogelijk gelijkgeschakeld met het handhavingsbeleid van de taskforce Brabant-Zeeland.

Nadere belangenafweging

Erkend wordt dat de uitoefening van de bevoegdheid van artikel 13b Opiumwet ingrijpende (financiële) gevolgen heeft voor zowel de gebruikers/huurders als de eigenaren van woningen en/of lokalen. Er is echter door de gebruikers/huurders en mogelijk tevens door de eigenaren van de woningen of lokalen ook (direct dan wel indirect) financieel voordeel behaald uit de handel in drugs. De oplopende zwaarte van de maatregelen wordt volgens de burgemeester gerechtvaardigd omdat handel in drugs verboden is bij wet en beleid van de gemeente breed bekend is gemaakt. Het beleid is er bovendien op gericht zowel de herhaling van handel in drugs op bepaalde locaties alsmede de vestiging van nieuwe verkooppunten op dezelfde of andere locaties te voorkomen (verplaatsingseffect).

6. Samenloop

Indien er sprake is van handel in zowel soft- als harddrugs, wordt de sanctie opgelegd die geldt bij de constatering van handel in harddrugs.

Indien handel in softdrugs wordt geconstateerd nadat er al een sanctie is opgelegd voor de handel in harddrugs, wordt de sanctie opgelegd die hoort bij de tweede of volgende constatering van handel in softdrugs.

Indien handel in harddrugs wordt geconstateerd nadat er al een sanctie is opgelegd voor handel in softdrugs, wordt de sanctie opgelegd die hoort bij de tweede of volgende constatering van handel in harddrugs.

7. Betreden gesloten verklaard pand

Het is op grond van artikel 2.41, tweede lid, Algemene Plaatselijke Verordening een ieder verboden om een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten pand te betreden. Dit verbod is niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. Het is aan de burgemeester om te bepalen of er sprake is van een dringende reden. Hiertoe dient een schriftelijk en gedetailleerd verzoek te  worden ingediend, waaruit in ieder geval duidelijk blijkt voor wie het moet gelden, voor welk doel en voor welke periode (tijdsduur).

8. Opheffing van sluiting woning of lokaal

De burgemeester is bevoegd een sluiting van een woning of lokaal tussentijds op te heffen. Het uitgangspunt is echter dat een sluiting die is opgelegd ook wordt geëffectueerd en alleen bij wijze van uitzondering tussentijds kan worden opgeheven. Er kan alleen tot opheffing van een sluiting worden besloten indien er sprake is van een verzoek van een belanghebbenden waarin gemotiveerd wordt aangegeven dat het op basis van nieuwe feiten en omstandigheden aannemelijk is dat er niet opnieuw overtredingen van de Opiumwet zullen worden gepleegd in of bij de betreffende woning of het betreffende lokaal. Er dienen in ieder geval voldoende maatregelen te zijn getroffen om te voorkomen dat er in of vanuit een woning of lokaal opnieuw in drugs zal worden gehandeld. In dit verband gelden de volgende subvereisten:

  • a.

    De (nieuwe) eigenaar van de woning of het lokaal heeft geen overtreding van de Opiumwet begaan.

  • b.

    De nieuwe huurder/gebruiker van de woning of het lokaal heeft geen overtreding van de Opiumwet begaan.

  • c.

    De nieuwe huurder/gebruiker van de woning of het lokaal mag niet dezelfde zijn als degene tegen wie het sluitingsbevel was gericht en mag niet in de woning woonachtig zijn geweest ten tijde van de sluiting of op enige manier (bijvoorbeeld als leidinggevende/werknemer) betrokken zijn geweest bij de exploitatie van het gesloten lokaal.

  • d.

    Bij het verzoek dient een plan te worden overlegd waaruit blijkt op welke wijze zal worden voorkomen dat er opnieuw overtredingen van de Opiumwet plaatsvinden.

  • e.

    Voor zover het een lokaal betreft betekent hetgeen gesteld onder ‘d’ dat ook wordt aangegeven welke invulling aan het gebruik van het lokaal zal worden gegeven. Daarbij dient het voorgenomen gebruik in overeenstemming te zijn met het bestemmingsplan en geldt dat een sluiting niet wordt opgeheven ten behoeve van de vestiging van een risicowinkel. Onder risicowinkel wordt in ieder geval verstaan een bel- of internetwinkel en smart-, grow- en/of headshops.

9. Procedure

Bij de procedure tot sluiting van een woning of lokaal worden de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht in acht genomen. Alvorens over te gaan tot het daadwerkelijk sluiten van een woning of lokaal wordt aan belanghebbenden in beginsel dan ook de gelegenheid geboden een zienswijze in te dienen tegen het voorgenomen besluit. Indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven (bijvoorbeeld gelet op de omvang of de frequentie van de overtredingen en/of de veroorzaakte dan wel terug te dringen overlast) kan er voor worden gekozen spoedeisende bestuursdwang toe te passen en derhalve geen zienswijzemogelijkheid te bieden. Bij de toepassing van spoedeisende bestuursdwang dient de woning of het lokaal immers direct te worden gesloten (artikel 5:31 Algemene wet bestuursrecht). De sluiting van een woning of lokaal alsmede de tussentijdse opheffing van een sluiting worden op grond van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen geregistreerd in het register van publiekrechtelijke beperkingen.

10. Overgangsbepaling

De waarschuwingen die onder het regime van het voorgaande beleid zijn opgelegd voor woningen en nog niet zijn komen te vervallen door het verstrijken van de in de brief genoemde geldigheidstermijn, behouden hun kracht. Dit betekent dat indien op basis van het voorgaande beleid een waarschuwing is opgelegd naar aanleiding van een geconstateerde overtreding in een woning, bij de volgende constatering van een overtreding kan worden overgegaan tot sluiting van de woning. De eerst keer dat na de inwerkingtreding van deze beleidsregels wordt geconstateerd dat er sprake is van handel in drugs in een lokaal, geldt als een eerste constatering en kan worden overgegaan tot sluiting van het lokaal.

11. Afwijkingsbevoegdheid

In bijzondere omstandigheden kan de burgemeester afwijken van deze beleidsregels. Afhankelijk van de omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gekozen voor een langere of kortere sluitingsduur.

Bij de beoordeling van de vraag welke alternatieve sluitingsduur in een betreffend geval passend is, zal rekening worden gehouden met de bekendheid van een woning of lokaal als drugsadres, de noodzaak om de rust in de directe omgeving te doen wederkeren of herhaling van een ernstige verstoring van de openbare orde te voorkomen alsmede een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen.

Een besluit waarbij van deze beleidsregels wordt afgeweken wordt aanvullend gemotiveerd.

12. Inwerkingtreding en bekendmaking

Dit besluit treedt in werking op de dag na bekendmaking (artikel 3:40 en artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht. Bekendmaking van dit besluit zal plaatsvinden in het digitale gemeenteblad op 16 april 2015.

Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als “Damoclesbeleid”.

TOEVOEGING DAMOCLESBELEID

Op 13 april 2015 is door het basisteam Bergen op Zoom het “ Damoclesbeleid, Beleidsregels artikel 13b Opiumwet Basisteam Bergen op Zoom” vastgesteld.

Op 6 juli 2015 is door basisteam Bergen op Zoom besloten om onder hoofdstuk 5 op pagina 5 en 6 onder woningen en lokalen de volgende bepaling aan de puntsgewijze opsomming toe te voegen:

“6. Indien blijkt dat een pandeigenaar betreffende overtreding van de Opiumwet zélf heeft gemeld én de pandeigenaar na vaststelling van de overtreding van de Opiumwet de huur onmiddellijk heeft opgezegd, wordt geen sanctie (waarschuwing of sluiting) opgelegd. Indien deze bepaling van toepassing is wordt aan de pandeigenaar een brief verzonden waarin aandacht wordt besteed aan de verantwoordelijkheden van een pandeigenaar en aan (preventie)maatregelen die een pandeigenaar kan nemen. Deze bepaling is niet van toepassing indien blijkt dat de pandeigenaar de zorgplicht als pandeigenaar onvoldoende in acht heeft genomen.

Toelichting

1: Aanwijzing Opiumwet, Stcrt. 2011, nr. 22936.

2: E.J. van der Torre, M. Wigmans en E.D. Cachet, ‘Drugstoeristen in Roosendaal & Bergen op Zoom; Tellingen’, en ‘Coffeeshopklanten in Roosendaal & Bergen op Zoom’, COT Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement, Den Haag, 2008.

3: C. Fijnaut en B. de Ruyver, ‘Voor een gezamenlijke beheersing van de drugsgerelateerde criminaliteit in de Eurregio Maas-Rijn’, Tilburg-Gent, 2008; T. Sappens, H van den Bunt en L. Rastovac, ‘De wereld achter de wietteelt’, Erasmus Universiteit Rotterdam – Universiteit van Tilburg, 2007.

4: Aanwijzing Opiumwet, Stcrt. 2011, nr. 22936.

5: Dit geldt alleen voor overtredingen op basis van de Opiumwet.