gemeente Steenbergen | Beleidsregels proceskostenvergoeding in fiscale bezwaarprocedures 2013

Regeling Beleidsregels proceskostenvergoeding in fiscale bezwaarprocedures 2013

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

  • Datum inwerking-treding 28-03-2013
  • Terugwerkende kracht t/m
  • Datum uitwerking-treding
  • Betreft nieuwe regeling
  • Datum ondertekening 19-03-2013
  • Bron bekendmaking SteenbergseBode
  • Kenmerk voorstel BM1300550

Inleiding

De aangewezen heffingsambtenaar, bedoeld in artikel 231, lid 2, aanhef en onderdeel b Gemeentewet, gelet op de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet en het Besluit proceskosten bestuursrecht,

besluit:

vast te stellen de navolgende regeling:

Beleidsregels proceskostenvergoeding in fiscale bezwaarprocedures 2013

Artikel 1. Toepassing

Deze beleidsregels zijn van toepassing bij het vergoeden van kosten die een belanghebbende heeft moeten maken in verband met de behandeling van zijn bezwaarschrift tegen een aanslag gemeentelijke belastingen dan wel een WOZ-beschikking De navolgende artikelen beschrijven de wijze waarop de gemeente invulling geeft aan de beleidsruimte die het Besluitproceskosten bestuursrecht (hierna:BPB) biedt.

Artikel 2. Punten proceshandelingen

  • 1.

    Aan de hierna genoemde proceshandelingen worden de volgende punten toegekend:

    • a.

      indienen van een bezwaarschrift (artikel 6:4 van de Algemene wet bestuursrecht): 1 punt

    • b.

      verschijnen op een hoorzitting (artikel 7:2 en 7:16 van de Algemene wet bestuursrecht): 1 punt

    • c.

      bijwonen nadere hoorzitting (artikel 7:9 en 7:23 van de Algemene wet bestuursrecht): 0,5 punt

  • 2.

    Indien de onder b en c genoemde proceshandelingen plaatsvinden op verzoek van de belanghebbende partij waarbij deze het horen geheel of gedeeltelijk gebruikt als alternatief voor het schriftelijk bezwaar, wordt het indienen van het bezwaar en de hoorzitting redelijkerwijs tezamen beschouwen als één proceshandeling waarvoor tezamen 1 procespunt wordt toegekend die vervolgens wordt gewogen conform artikel 5 van deze beleidsregels.

  • 3.

    Op grond van artikel 2 lid 3 van BPB wordt geen punt voor de hoorzitting toegekend indien en voor zover hetgeen daar naar voren wordt gebracht niet leidt tot verandering van inzichten van de heffingsambtenaar.

Artikel 3. Wegingsfactor

  • 1.

    De vergoedingen in het forfaitair stelsel van het BPB zijn gerelateerd aan de gemiddelde werkbelasting in diverse zaaktypen. Bij een zaak van gemiddeld gewicht als bedoeld in onderdeel C1 van het BPB wordt de wegingsfactor gesteld op 1. Een WOZ-zaak is van gemiddeld gewicht als er sprake is van een volledig onderbouwd waardebezwaar, ongeacht of de informatie in één of meerdere onderdelen wordt aangeleverd en ongeacht of de onderdelen door verschillende personen zijn ondertekend.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt de wegingsfactor vastgesteld op:

    • a)

      factor 0,25, indien er sprake is van een zeer lichte zaak.

    • Er

      is sprake van een zeer lichte zaak indien:

      • 1.

        het bezwaarschrift kennelijk gegrond is;

      • 2.

        er sprake is van een onjuiste registratie van een bijgebouw;

      • 3.

        er sprake is van onjuiste registratie van objectkenmerken en maatvoering;

      • 4.

        een kenbare schrijffout in de beschikking/belastingaanslag is gemaakt;

      • 5.

        het bezwaarschrift uitsluitend verwijst naar een bezwaar uit een eerder belastingjaar;

      • 6.

        het bezwaarschrift marginaal is onderbouwd;

      • 7.

        het bezwaarschrift slechts een verwijzing naar een eigen beroepsprocedure bevat;

      • 8.

        in het bezwaarschrift expliciet wordt aangegeven dat een onderbouwing later volgt;

      • 9.

        het bezwaarschrift is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit;

      • 10.

        het bezwaarschrift zich richt tegen de tenaamstelling van de aanslag;

      • 11.

        het bezwaarschrift zich richt tegen de belastingplicht (bijvoorbeeld het zijn van eigenaar of gebruiker van de onroerende zaak waarop de belasting betrekking heeft);

      • 12.

        het bezwaarschrift zich richt tegen het aantal honden waarvoor de aanslag hondenbelasting is opgelegd.

    • b)

      Voor het WOZ-bezwaar tegen de WOZ-beschikking geldt factor 0,50, indien er sprake is van een lichte zaak.

    • Er

      is sprake van een lichte zaak indien:

      • 1.

        er sprake is van een onjuiste objectafbakening;

      • 2.

        de WOZ-waarde wordt verlaagd vanwege een eigen transactiecijfer;

      • 3.

        een onjuist gestandaardiseerd voortgangspercentage bij een object in aanbouw is gehanteerd;

      • 4.

        de WOZ-waarde wordt verlaagd vanwege een buiten het bezwaarschrift gelegen grond;

      • 5.

        het bezwaarschrift zich uitsluitend richt op de volledigheid van het taxatieverslag of op Het ontbreken van een deugdelijke motivering zonder nadere visie en onderbouwing van de waarde;

      • 6.

        in het reeds gemotiveerde bezwaarschrift wordt aangegeven dat relevante informatie op een later moment in een apart document zal worden toegezonden;

      • 7.

        Het bezwaar tekstueel in hoofdzaak overeenkomt met andere zaken van de betreffende gemachtigde.

    • c)

      Voor het WOZ-bezwaar tegen de WOZ-beschikking geldt factor 1,5, indien er sprake is van een zware zaak handelend over de waarde van een woning of niet-woning.

    • Er

      is sprake van een zware zaak indien:

      • 1.

        deze inhoudelijk of juridisch als bijzonder ingewikkeld c.q. complex of omvangrijk moeten worden aangemerkt;

      • 2.

        meerdere rechtsgebieden/regelgevingen een relevante rol spelen;

    • d)

      Voor het WOZ-bezwaar tegen de WOZ-beschikking geldt factor 2, indien er sprake is van een zeer zware zaak ten aanzien van een object niet zijnde een woning.

    • Er

      is sprake van een zeer zware zaak indien:

      • 1.

        deze inhoudelijk als zeer omvangrijk moeten worden aangemerkt;

      • 2.

        Het een zaak betreft met zeer complexe aspecten waarbij het bezwaarschrift blijk geeft van relevante specialistische kennis die op de juiste wijze is toegepast.

      • 3.

        Per individuele zaak wordt beoordeeld, welke wegingsfactor van toepassing is.

      • 4.

        Bij het bepalen van een lagere wegingsfactor heeft artikel 5 lid 2 sub b voorrang op artikel 5 lid 2 sub a.

      • 5.

        Bij het bepalen van een hogere wegingsfactor heeft artikel 5 lid 2 sub d voorrang op artikel 5 lid 2 sub c.

Artikel 4. Kostenvergoeding belanghebbende op hoorzitting

Indien belanghebbende in persoon verschijnt op een (nadere) hoorzitting en deze hoorzitting draagt er toe bij dat het besluit (verder dan in de concept-uitspraak) wordt herroepen, dan kan belanghebbende in aanmerking komen voor verletkosten indien belanghebbende vrij heeft moeten nemen van zijn werkzaamheden. De verletkosten waarvoor belanghebbende in aanmerking komt is de daadwerkelijke tijd die belanghebbende heeft doorgebracht bij de hoorzitting.

Artikel 5. Kostenvergoeding derde deskundige

  • 1.

    Indien een derde deskundige verschijnt op een (nadere) hoorzitting en zijn bijdrage aan deze hoorzitting draagt er toe bij dat het besluit (verder dan in de concept-uitspraak) wordt herroepen, dan kan belanghebbende in aanmerking komen voor kostenvergoeding van deze deskundige op uurbasis van de daadwerkelijke tijd die de deskundige heeft doorgebracht bij de hoorzitting.

  • 2.

    Als deskundige wordt aangemerkt een gecertificeerd taxateur die staat ingeschreven in de landelijke registers.

  • 3.

    Deskundigenkosten komen slechts voor vergoeding in aanmerking indien er geen sprake is van vermenging van de functies van gemachtigde en deskundige.

  • 4.

    Voor de vergoeding van door een deskundige opgemaakt taxatierapport geldt dat deze vergoeding wordt gebaseerd op de in dit artikel vermelde tijdsbesteding en uurtarieven.

  • 5.

    Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van een door een deskundige opgemaakt taxatierapport wordt uitgegaan van de volgende tijdsbesteding:

    • -

      maximaal 2 uren indien het taxatierapport betrekking heeft op een onroerende zaak die niet inpandig is opgenomen;

    • -

      maximaal 4 uren indien het taxatierapport betrekking heeft op een onroerende zaak die inpandig is opgenomen;

    • -

      naar een redelijkheid te bepalen uren indien het een taxatierapport betrekking heeft op een onroerende zaak die is aan te merken als een unieke onroerende zaak die niet volgens de Landelijke Taxatiewijzer te taxeren is.

  • 6.

    Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van een door een deskundige opgemaakt taxatierapport wordt uitgegaan van de volgende uurtarieven:

    • -

      maximaal € 50,00 exclusief BTW indien het taxatierapport betrekking heeft op een onroerende zaak die dient tot woning, welk bedrag wordt verhoogd met BTW indien de BTW op belanghebbende drukt;

    • -

      maximaal € 65,00 exclusief BTW indien het taxatierapport betrekking heeft op een onroerende zaak die niet dient tot woning en deze zaak is aan te merken als een courante of incourante niet-woning, welk bedrag wordt verhoogd met BTW indien de BTW op belanghebbende rust;

    • -

      maximaal € 116,09 (tarief 2013) exclusief BTW indien het taxatierapport betrekking heeft op een onroerende zaak die een uniek onroerende zaak is die niet volgens de Landelijke Taxatiewijzer te taxeren is, welk bedrag wordt verhoogd met BTW indien de BTW op belanghebbende drukt.

Artikel 6. Gemotiveerd afwijken

De heffingsambtenaar heeft de bevoegdheid om, in afwijking van hetgeen wordt gesteld in deze beleidsregels, een lagere of hogere wegingsfactor toe te kennen. De afwijken van hetgeen gesteld in deze beleidsregels wordt in de beslissing op bezwaar uitdrukkelijk gemotiveerd.

Artikel 7. Uitbetaling van de proceskostenvergoeding

  • 1.

    De heffingsambtenaar oordeelt niet tot vergoeding van de proceskosten voor zover belanghebbende niet kan aantonen dat de betreffende kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

  • 2.

    Kostenvergoedingen worden uitbetaald aan degene ten aanzien van wie de beschikking is genomen of degene die gemachtigd is de betaling in ontvangst te nemen.

Artikel 8. Citeertitel en inwerkingtreding

  • 1.

    De "Beleidsregels proceskostenvergoeding in fiscale bezwaarprocedures, vastgesteld door de heffingsambtenaar op 14 augustus 2012, wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum, met dien verstande dat zij van toepassing blijven op de verzoeken die voor de in lid 2 bedoelde datum zijn ingediend.

  • 2.

    Dit besluit treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking van dit besluit.

  • 3.

    Dit besluit wordt aangehaald als “Beleidsregels proceskostenvergoeding in fiscale bezwaarprocedures 2013”.

Toelichting

Algemeen

Op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een burger in aanmerking komen voor vergoeding van -onder andere- de kosten van beroepsmatige rechtsbijstand, indien bij de beslissing op bezwaar het bestreden besluit wordt herroepen ten gevolge van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Aan deze bepaling is nadere invulling gegeven met het Besluit proceskosten bestuursrecht (verder: Bpb). In het Bpb wordt van Rijkswege aangegeven welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen en op welke wijze de hoogte van die vergoeding moet worden vastgesteld. Voorwaarde is dat zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten redelijk dienen te zijn. Daarnaast moet belanghebbende daadwerkelijk kosten hebben gemaakt.

In het Bpb zijn limitatief de volgende kosten opgenomen die voor vergoeding in aanmerking komen:

  • a.

    kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

  • b.

    kosten van getuigen of deskundigen die door betrokkene zijn ingeschakeld;

  • c.

    reis- en verblijfskosten;

  • d.

    verletkosten;

  • e.

    kosten van uittreksels uit openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale faxen en internationale telefoongesprekken;

  • f.

    kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is.

In het kader van de bezwaarvoering tegen de WOZ-waarde gaat het voornamelijk om de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Kosten van een getuige, deskundige of tolk zijn doorgaans niet aan de orde. Taxatierapporten kunnen voor vergoeding in aanmerking komen indien de gemeente kan oordelen dat de kosten in redelijkheid zijn gemaakt. Gelet op de aard van de bezwaarfase en het ontbreken van enig nut van een taxatierapport bij de heroverweging (de gemeentelijk taxateur dient bij een heroverweging alles immers met zijn eigen ogen te constateren) worden taxatiekosten in debezwaarfase door onze gemeente in principe niet vergoed. Voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand gelden forfaitaire tarieven. Overige kosten die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen worden vergoed naar de werkelijke kosten of een vergoeding conform de regeling in de wet en het Besluit tarieven in strafzaken. Het Bpb biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een afwijkende vergoeding toe te kennen. Als een belanghebbende partij gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld kan de vergoeding worden verminderd.

De hoogte van de vergoeding voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand moet worden bepaald aan de hand van een voorgeschreven formule: A (punt per proceshandeling) x B (forfaitair bedrag) x C (wegingsfactor). De wegingsfactor is afhankelijk van de zwaarte van de zaak. Om deze afweging niet elke keer opnieuw te moeten maken worden beleidsregels vastgesteld. Bovendien is daarmee de rechtszekerheid en de rechtseenheid gediend. Uitgangspunt is dat elke zaak van gemiddelde zwaarte (wegingsfactor 1) is. Kennisname van de uitspraken van de diverse bestuursrechters met betrekking tot de vergoeding van de kosten van een door een derde beroepsmatig in (hoger) beroep verleende bijstand leert dat zaken doorgaans als gemiddeld worden aangemerkt als de gemeente zich niet kan beroepen op een afwijkend beleid of de keuzes van dit beleid niet kan onderbouwen. Daarbij dient de keuze voor een wegingsfactor van het gewicht van een zaak verband te houden met de noodzakelijke inspanning die daarbij is gemoeid.

Het college van burgemeesters en wethouders en de heffingsambtenaar hebben de bevoegdheid om, op zichzelf of gezamenlijk, het beleid ten aanzien van de proceskostenvergoeding in beleidsregels vast te leggen.

Voorwaarden proceskostenvergoeding

Uit tweede lid van artikel 7:15 Awb, blijkt dat aan proceskostenvergoeding de onderstaande voorwaarden zijn verbonden:

  • a.

    het moet gaan om redelijkerwijs gemaakte kosten;

  • b.

    er is verzocht om een vergoeding;

  • c.

    het primaire besluit wordt herroepen;

  • d.

    herroeping van het primaire besluit vindt plaats wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatige gedraging.

  • Ad

    a Redelijkerwijs gemaakte kosten

  • Hier

    komt de dubbele redelijkheidstoets om de hoek kijken. Zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten dienen redelijk te zijn. In het kader van gemeentelijke belastingen kunnen in principe enkel de kosten van een bezwaar tegen een waarde als redelijkerwijs gemaakt worden beschouwd. Hierop bestaan uitzonderingen waarbij de wegingsfactor per geval moet worden bepaald. Zo is bijvoorbeeld te denken aan procedures waarin bezwaar gemaakt wordt tegen de onjuiste kwalificatie van objecten of delen van objecten als woning danwel niet-woning.

  • Ad

    b Er is verzocht om proceskostenvergoeding

  • Uitdrukkelijk

    is bepaald dat een belanghebbende om een vergoeding moet verzoeken. Het verzoek wordt gedaan, voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist, ex artikel 7:15, derde lid Awb.

  • Ad

    c Herroeping

  • Herroeping

    vindt plaats, indien het bestuursorgaan in de beslissing op bezwaar vaststelt dat de primaire beslissing niet in stand kan blijven. Het woord herroepen impliceert dat het oorspronkelijke besluit inhoudelijk onjuist moet zijn geweest. Er is sprake van een herroeping, indien het primaire besluit wordt gewijzigd. Bij louter formele fouten of gebreken in de motivering behoeft het besluit als zodanig niet te worden herroepen.

  • Ad

    d Verwijtbare onrechtmatigheid

  • Niet

    iedere herroeping leidt tot proceskostenvergoeding. Het besluit moet worden herroepen, omdat het bestuursorgaan zich verwijtbaar onrechtmatig heeft gedragen. Een onrechtmatige gedraging doet zich voor, indien een besluit in strijd met de wet is genomen. Maar ook de schending van bijvoorbeeld regels uit plaatselijke verordeningen of beleidsregels kan leiden tot een onrechtmatige gedraging. Tevens kan een strijdig handelen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden aangemerkt als een onrechtmatige gedraging. Alleen vormfouten of motiveringsgebreken leiden niet tot een vergoedingsplicht. Vergoedingsplicht kan wel bestaan als het inhoudelijk foutieve besluit een gevolg is van reken-invoer-en schrijffouten etc.

Artikelgewijs:

Art. 1:

De beleidsregels hebben betrekking op :

  • -

    de kosten van een bezwaarprocedure

  • -

    bezwaar tegen een WOZ-beschikking of een aanslag gemeentelijke belastingen van de gemeente Steenbergen.

Bezwaarprocedures die gericht zijn tegen de WOZ-beschikkingen en gemeentelijke aanslagen die de WOZ-waarde als grondslag hanteren.

Deze zaken kennen specifieke aspecten die niet vergelijkbaar zijn met andere aanslagen of gemeentelijke beschikkingen. Nergens zijn zoveel grieven tegen de grondslag te bedenken als tegen een WOZ-waarde. Dat komt omdat de waardering van een onroerende zaak bijzonder veel aspecten kent zoals de objectafbakening, de maatvoering, de kwaliteit en staat van onderhoud, de uitstraling, de omgevingsfactoren en de vergelijkbaarheid met andere objecten en dat alles tot in de kleinste details. Er is daarom al snel een visie ontwikkeld die afwijkt van de waarderingsmethodiek van de gemeente. De gemeente dient alle objecten op dezelfde wijze te waarderen en heeft hiervoor een model ontwikkeld. Een taxatiedeskundige kan een waardering op diverse manieren uitvoeren hetgeen voor een heroverweging geen bruikbare informatie oplevert. Deze materie vergt daarom een eigen beleid.

Art. 2. Lid 1:

  • Voor

    de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in de bijlage bij het Bpb bepaald dat deze kosten (slechts) voor vergoeding in aanmerking komen op basis van de volgende formule: A x B x C

  • Factor

    A = aantal punten voor de verrichte proceshandeling:

    • -

      bezwaarschrift 1 punt

    • -

      hoorzitting 1 punt

    • -

      nadere hoorzitting 0,5 punt

  • lid

    2:

  • De

    belanghebbende partij kan op verzoek worden gehoord. Dit verzoek wordt in de praktijk bij beroepsmatige rechtsbijstand standaard gedaan. De gemeente is daarom terughoudend met het toekennen van proceskosten voor verschijnen op een hoorzitting.

  • Van

    beroepsmatige rechtsbijstandverleners mag men verwachten dat zij in staat zijn om alles wat zij mondeling kunnen verwoorden ook aan het schrift kunnen toevertrouwen. Indien de belanghebbende partij in het bezwaarschrift stelt nog een nadere onderbouwing te willen indienen maar dit tot de hoorzitting nalaat te doen is het niet redelijk dat de gemeente het op schrift stellen middels het opmaken van de notulen voor haar rekening neemt en belanghebbende partij ook nog eens aanspraak zou kunnen maken op een vergoeding.

  • Lid

    3:

  • Ook

    hier geldt dat de kosten redelijkerwijs dienen te zijn gemaakt. Om deze redelijkheidstoets te benadrukken stuurt de gemeente een conceptuitspraak mee bij de uitnodiging van de hoorzitting. De hoorzitting wordt als redelijk beschouwd indien deze tot een nadere verlaging van de beschikking leidt ten opzichte van de conceptuitspraak, één en ander voor zover het bezwaarschrift niet als onvolledig is gepresenteerd.

Art. 3:

Factor C = wegingsfactor (drukt het gewicht van de zaak uit).

Uit onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb blijkt dat het gewicht van de zaak in 5 categorieën is ingedeeld. De beoordelingsvrijheid die het bestuursorgaan heeft, ziet op de beoordeling van het gewicht van de zaak. Deze beoordeling dient steeds in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van een zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. Het gewicht van de zaak bepaalt de van toepassing zijnde wegingsfactor:

  • -

    zeer licht: 0,25

  • -

    licht: 0,50 (een verwijzing naar een bepaald feit dat discussie kan opleveren)

  • -

    gemiddeld: 1

  • -

    zwaar: 1,5

  • -

    zeer zwaar: 2

  • lid

    1:

  • De

    regelgeving geeft niet exact aan hoe de zwaarte van een zaak wordt bepaald. Normaal gesproken wordt het gewicht van een zaak als gemiddeld aangemerkt, waarvoor de wegingsfactor één geldt. Het gewicht wordt bepaald door de aard, het belang en de ingewikkeldheid van een zaak en dus niet (alleen) het financiële belang zoals onder het tot 1 september 1999 geldende Besluit proceskosten fiscale procedures (zie arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2003, onder meer gepubliceerd in BNB 2003/155, V-N 2003/29.8). In een WOZ-zaak geldt hetzelfde voor (het in geschil zijnde gedeelte van) de vastgestelde waarde of het bedrag waarde de waarde wordt verminderd (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 21 februari 2001, nummer 35875, onder meer gepubliceerd in BNB 2001/152). Het financiële belang is dus niet doorslaggevend. Beleidsregels die alleen aansluiten bij het financiële belang worden in een beroepsprocedure door de belastingrechter buiten toepassing verklaard (zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 15 augustus 2008, nr.07/0181, LJN:BF0084).

  • Als

    uitgangspunt geldt dus: een zaak is van gemiddeld gewicht, tenzij er aanleiding is om een zaak als zwaarder of lichter aan te merken. Het voorafgaande betekent dat bij het gros van de volwaardige bezwaren standaard de wegingsfactor 1 (gemiddeld) zal worden toegepast. Het gaat dan bijvoorbeeld bij een WOZ-bezwaar om een waardebezwaar waarin relevante punten worden aangedragen en een visie wordt gegeven op de waarde die middels vergelijkingen met andere objecten wordt onderbouwd.

  • Lid

    2a:

  • Een

    zaak is zeer licht indien het bezwaar bestaat uit een eenvoudige verwijzing naar een bepaald feit waaruit geen meningsverschil kan ontstaan. Het kan zijn dat de fout al direct blijkt uit de beschikking zelf zoals bij een kennelijke administratieve fout. Het kan ook zo zijn dat de gemeente haar administratie erop dient na te zien maar dat daaruit direct blijkt dat er een fout is gemaakt waar geen discussie over mogelijk is. Ook verwijzing naar feitelijkheden zonder nadere onderbouwing vergen een zeer geringe inspanning waarbij de noodzaak voor het inschakelen van beroepsmatige rechtsbijstand verre van aanwezig is.

  • Lid

    2b:

  • Een

    zaak is licht indien in het bezwaar wordt onderbouwd met tamelijk eenvoudig te constateren fouten die de gemeente aanleiding geven tot een verlaging van de WOZ-waarde. Ook als het bezwaarschrift geen fouten aan het licht brengt maar de beschikking naar aanleiding van de eigen constateringen bij de heroverweging wordt verlaagd wordt deze zaak als licht beschouwd. Dat geldt eveneens als in het bezwaarschrift wordt gesteld en onderbouwd maar vermeld dat het bezwaar niet de volledige onderbouwing

  • omvat.

    In deze gevallen vergt het opstellen van de bezwaarschriften niet de volledige inspanning die voor een gemiddelde zaak nodig is. Omdat deze bezwaren eenvoudig, foutief of onvolledig zijn is de noodzaak voor het inschakelen van beroepsmatige rechtsbijstand discutabel.

  • Lid

    2 c, d:

  • In

    de regel is het aan het bestuursorgaan om het toekennen van een lichte of zeer lichte

  • wegingsfactor

    te onderbouwen, terwijl belanghebbende partij de zware en zeer zware wegingsfactor aannemelijk moet maken. Hierbij wordt aangenomen dat bezwaren met betrekking tot de waardering van objecten niet zijnde woningen eerder als bijzonder zwaar ervaren zullen worden dan zaken die handelen over de waarde van woningen.

  • Lid

    4 en 5 regelen dat indien meerdere wegingsfactoren op het bezwaarschrift van toepassing zijn, de zwaarste van toepassing zijnde factor zal worden toegepast bij de berekening van de proceskostenvergoeding.

Art. 4:

De daadwerkelijk doorgebrachte uren op de hoorzitting komen voor vergoeding in aanmerking. Belanghebbende moet dan wel vrij hebben moeten nemen van zijn werkzaamheden om bij deze hoorzitting

aanwezig te kunnen zijn. Verletkosten worden per uur berekend. Het maximumbedrag voor verletkosten bedraagt minimaal € 4,54 en maximaal € 53,09 per uur.

De reistijd komt niet voor vergoeding in aanmerking. Van een belanghebbende mag verwacht worden dat hij met enige regelmaat aanwezig is in de gemeente waar zijn belastingobject zich bevindt. In die zin kan geen sprake zijn van kosten. Voor zover belanghebbende door omstandigheden wel enige tijd onder weg behoort tot de normale risico's van deelname aan het maatschappelijk verkeer. De hoorzitting wordt immers gehouden op initiatief van de belanghebbende partij.

Art.5:

Geen toelichting nodig

Art. 6:

  • De

    bevoegdheid om af te wijken van de berekende proceskostenvergoeding vloeit voort uit artikel 2 lid 2 en 3 van het Bpb waarin de mogelijkheid wordt geboden om de vergoeding te beperken indien belanghebbende partij gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld. Ook in bijzondere omstandigheden kan van de uitkomst van de berekening af te wijken. De gemeente kan dus, onder de voorwaarde dat de bijzonderheid van de omstandigheden en de aanpassing goed worden onderbouwd, de vergoeding zowel naar boven als naar onder bijstellen.

  • Lid

    2.

  • De

    heffingsambtenaar behoudt zich het recht om een verzoek tot vergoeding van de proceskosten af te wijzen indien de belanghebbende niet in staat is om aan te tonen dat de betreffende kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

Art.7 & Art.8:

Geen toelichting nodig.