gemeente Steenbergen | Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2009

Regeling Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2009

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

  • Datum inwerking-treding 01-10-2009
  • Terugwerkende kracht t/m 01-04-2009
  • Datum uitwerking-treding 01-03-2011
  • Betreft nieuwe regeling
  • Datum ondertekening 24-09-2009
  • Bron bekendmaking SC 16-10-2009
  • Kenmerk voorstel 7d

Inleiding

De raad der gemeente Steenbergen;

in behandeling genomen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 18 augustus 2009

gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en artikel 8, lid 1,sub a juncto artikel 7, lid 1, sub a van de Wet werk en bijstand;

besluit:

de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2009 vast te stellen.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

  • 1.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand (WWB), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (loaw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (loaz) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

  • 2.

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen;

    • b.

      ondersteuning: het geheel van activiteiten, al dan niet onderdeel uitmakend van een volledig traject en opgenomen in een door de gemeente opgesteld trajectplan, dat bijdraagt aan de inschakeling in de arbeid, met activiteiten wordt in dit verband hetzelfde als instrumenten bedoeld;

    • c.

      voorliggende voorziening: de voorziening als bedoeld in artikel 5, sub f WWB;

    • d.

      aanvrager: de personen in de leeftijd van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, genoemd in artikel 10, lid 1 en lid 2 WWB onderscheidenlijk artikel 5, lid 1 loaw en artikel 5, lid 1 loaz;

    • e.

      nugger: niet uitkeringsgerechtigde aanvrager zonder eigen inkomen dan wel met uitsluitend een inkomen uit de Algemene nabestaanden wet (ANW);

    • f.

      duurzame uitstroom: gedurende een aaneengesloten periode van negen maanden verzekeringsplichtig reguliere arbeid verrichten waardoor wordt voldaan aan het gestelde in artikelen 17, 17a, 17b en 17c van de Werkloosheidswet dan wel gedurende een dusdanige periode verrichten van gesubsidieerde arbeid indien perspectief op het verkrijgen van reguliere arbeid niet aanwezig is. Ook valt hieronder het verrichten van arbeid als zelfstandige in een rechtmatig gevestigd levensvatbaar beroep of bedrijf, mits gedurende een periode van 3 jaar geen beroep wordt gedaan op een uitkering voor levensonderhoud ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

    • g.

      participatie: het actief deelnemen aan de maatschappij, met als doel het voorkomen dan wel opheffen van een sociaal isolement, waar mogelijk ter voorbereiding op betaalde arbeid;

    • h.

      re-integratie: alle activiteiten die ingezet kunnen worden ten behoeve van een persoon met (gedeeltelijke) arbeidsverplichtingen met als doel uitstroom naar arbeid;

    • i.

      sociaal minimum: voor gehuwden 100 % van het wettelijk minimumloon;

    • j.

      wettelijk minimumloon: het bruto minimumloon exclusief vakantiegeld zoals bedoeld in artikel 8 van de Wet op het minimumloon en minimumvakantiebijslag;

    • k.

      arbeidsovereenkomst: een overeenkomst conform artikel 7: 610 Burgerlijk Wetboek;

    • l.

      re-integratiebedrijf: een private onderneming die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevordert;

    • m.

      met werkloosheid wordt gelijk gesteld:

      • 1.

        periode van detentie;

      • 2.

        periode van WWB uitkering;

      • 3.

        periode van volledig zorgdragen voor de opvang van de kinderen;

      • 4.

        werk in loondienst voor zover dat per kalenderjaar niet langer heeft geduurd dan 50 dagen of 400 uur.

    • n.

      alleenstaande: de persoon als bedoeld in artikel 4, sub a WWB;

    • o.

      alleenstaande ouder: de persoon als bedoeld in artikel 4, sub b WWB;

    • p.

      gezin: de personen als bedoeld in artikel 4, sub c WWB;

    • q.

      bijstandsnorm: de norm als bedoeld in artikel 5 onder c WWB;

    • r.

      grondslag: de bedragen als bedoeld in artikel 5, lid 3 loaw dan wel artikel 5, lid 5 loaz;

    • s.

      startkwalificatie: een afgeronde opleiding op MBO 2-niveau dan wel HAVO- of VWO-niveau;

    • t.

      de wet: de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers alsmede de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

Artikel 2

Het toekennen van de ondersteuning geschiedt met inachtneming van de bepalingen van de wet en deze verordening.

Artikel 3

Het college bevordert dat met betrekking tot het aanbieden van ondersteuning, er sprake is van een gelijke aandacht voor de in artikel 7, lid 1, sub a WWB genoemde groepen alsmede voor een evenwichtige verdeling binnen de te onderscheiden doelgroepen.

Artikel 4

Bij de re-integratie van nuggers gelden de volgende eisen:

  • a.

    de aanvrager dient zich voor minimaal 12 uur per week beschikbaar te stellen voor algemeen geaccepteerde arbeid;

  • b.

    de noodzaak voor ondersteuning dient aanwezig te zijn;

  • c.

    de ondersteuning dient te allen tijde gericht te zijn op duurzame uitstroom;

  • d.

    de aanvrager is verplicht ingeschreven te staan als werkzoekende bij het Centrum voor werk en inkomen.

Artikel 5

Geen recht op ondersteuning bestaat voor de persoon als bedoeld in artikel 4:

  • a.

    indien sprake is van een voorliggende voorziening welke naar de mening van het college in voldoende mate bijdraagt aan de re-integratie van de aanvrager;

  • b.

    indien het bruto inkomen van het gezin hoger ligt dan 120% van het sociaal minimum;

De peildatum voor de toetsing van het inkomen als bedoeld onder b is de maand voorafgaand aan de schriftelijke aanvraag.

Hoofdstuk 2. De vorm van de ondersteuning

Artikel 6

  • 1.

    Het traject is afgestemd op de mogelijkheden van de aanvrager genoemd in artikel 1, lid 2, sub d en kan bestaan uit verschillende vormen van ondersteuning.

  • 2.

    Het traject moet leiden tot het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid, dan wel leiden tot participatie.

  • 3.

    Bij een nugger moet het traject altijd leiden tot het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid.

  • 4.

    De vorm van de ondersteuning dient bij te dragen aan een spoedige deelname aan dan wel terugkeer naar de arbeidsmarkt en gericht te zijn op duurzame uitstroom, dan wel aan participatie en kan bestaan uit alle beschikbare activiteiten die hierop zijn gericht.

Artikel 7

  • 1.

    Indien vrijwilligerswerk is opgenomen als onderdeel van het traject, kan voor dit vrijwilligerswerk een vergoeding verstrekt worden tot het maximum van hetgeen in de fiscale wetgeving is opgenomen.

  • 2.

    Het college stelt hiertoe beleidsregels vast.

Artikel 8

  • 1.

    Aan personen die in aanmerking komen voor ondersteuning bij reintegratie en participatie en buiten de gemeente moeten reizen kan een reiskostenvergoeding worden verstrekt.

  • 2.

    In de overige kosten kan een vergoeding worden verstrekt gedurende de looptijd van het traject, voor zover die direct gerelateerd zijn aan het gebruik maken van de voorzieningen en voor zover er geen aanspraak is op een voorliggende voorziening.

  • 3.

    Het college stelt hiertoe beleidsregels vast.

Artikel 9

Ten aanzien van het aanbieden van scholing en/of opleiding gelden de volgende regels:

  • a.

    de scholing / opleiding moet noodzakelijk zijn voor het slagen van het traject;

  • b.

    de scholing / opleiding kan alleen ingezet worden als dit de kortste weg is naar duurzame uitstroom;

Dit artikel is niet van toepassing op degene, die is aangewezen op het behalen van een startkwalificatie.

Hoofdstuk 3. Subsidies

Artikel 10

  • 1.

    Aan een werkgever kan een loonkostensubsidie worden verstrekt indien een uitkeringsgerechtigde een arbeidsovereenkomst wordt aangeboden, gericht op duurzame arbeid.

  • 2.

    De loonkostensubsidie kan alleen worden verstrekt indien de concurrentie verhoudingen niet worden aangetast, er geen verdringing van arbeid plaatsvindt en er geen onderscheid wordt gemaakt naar sector of onderneming.

  • 3.

    Deze verordening voldoet aan de bepalingen genoemd in de verzamelbrief van 7 april 2004 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en hoeft derhalve niet gemeld te worden bij de Europese Unie.

Artikel 11

  • 1.

    Aan een werkgever die een uitkeringsgerechtigde een dienstverband aanbiedt van minimaal 12 maanden, kan een loonkostensubsidie worden verstrekt.

  • 2.

    De hoogte en duur van de loonkostensubsidie is afhankelijk van de periode dat de uitkeringsgerechtigde, direct voorafgaande aan het dienstverband, werkloos is geweest.

  • 3.

    Het college stelt in beleidsregels de voorwaarden voor het recht op loonkostensubsidie, alsmede de hoogte en duur hiervan vast.

Artikel 12

  • 1.

    Aan een werkgever die een uitkeringsgerechtigde in dienst neemt, kan indien dit volgens de werkgever noodzakelijk is voor een goed functioneren binnen het dienstverband, een scholingssubsidie worden verstrekt.

  • 2.

    De hoogte hiervan is afhankelijk van de periode dat de uitkeringsgerechtigde, direct voorafgaand aan het dienstverband, werkloos is geweest.

  • 3.

    Het college stelt in beleidsregels de voorwaarden voor het recht op scholingssubsidie, alsmede de hoogte hiervan vast.

Artikel 13

  • 1.

    Op verzoek van de werkgever kunnen de subsidies als bedoeld in de artikelen 10 t/m 12 in de vorm van een voorschot worden verstrekt, waarna de subsidie na afloop van het kwartaal definitief wordt vastgesteld.

  • 2.

    Indien het voorschot hoger uitvalt dan de definitief vastgestelde subsidie vindt verrekening plaats en zal de werkgever het te verrekenen subsidiebedrag dienen terug te betalen.

Artikel 14

  • 1.

    De loonkosten / scholingssubsidie als bedoeld in de artikelen 10 t/m 12 dient door de werkgever schriftelijk te worden aangevraagd binnen één maand na datum indienstneming van belanghebbende.

  • 2.

    De werkgever dient bij de aanvraag gebruik te maken van een hiertoe vastgesteld formulier en dient de volgende gegevens te overleggen:

    • a.

      een kopie van de inschrijving in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken;

    • b.

      een kopie van de arbeidsovereenkomst.

Artikel 15

Wanneer de in dienstneming van belanghebbende voortvloeit uit bemiddeling door een re-integratiebedrijf waarmee de gemeente Steenbergen een contract heeft gesloten, bestaat er geen recht op een subsidie zoals beschreven in de artikelen 10 t/m 12, indien deze subsidie invloed heeft op een overeengekomen resultaatfinanciering.

Hoofdstuk 4. Verplichtingen aan het recht op ondersteuning

Artikel 16

Indien naar het oordeel van het college recht op ondersteuning bestaat, verbindt het college hieraan nadere verplichtingen.

Hoofdstuk 5. Terugvordering

Artikel 17

Indien blijkt dat de aanvrager als bedoeld in artikel 1, lid 2, sub d de ondersteuning onderscheidenlijk het traject verwijtbaar voortijdig doet beëindigen, kunnen de ondersteuningskosten geheel of gedeeltelijk van hem worden teruggevorderd.

Hoofdstuk 6. Premies

Artikel 18

  • 1.

    Voor zover dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling kan aan de uitkeringsgerechtigde een premie worden verstrekt van maximaal het bedrag als bedoeld in artikel 31, lid 2, sub j WWB.

  • 2.

    Het college stelt in beleidsregels de voorwaarden voor het recht op een dergelijke premie vast alsmede de hoogte hiervan.

Hoofdstuk 7. Participatiebanen

Artikel 19

  • 1.

    Het college kan aan personen bedoeld onder artikel 1, lid 2 onder d en e van de verordening tot 27 jaar een participatieplaats aanbieden als onderdeel van een traject gericht op arbeidsinschakeling.

  • 2.

    Het doel van de participatieplaats is om uitkeringsgerechtigden en jongeren die door persoonlijke werkbelemmeringen niet bemiddelbaar zijn dichter bij de arbeidsmarkt te brengen.

  • 3.

    De participatieplaats duurt twee jaar inclusief de eventuele inzet van onbetaalde arbeid. Het college van burgemeester en wethouder kan gemotiveerd deze periode met maximaal 2 jaar verlengen.

  • 4.

    Drie maanden voor afloop van de termijn van twee jaar zal op basis van een evaluatie worden vastgesteld of een andere re-integratievoorziening meer adequaat is. Indien dit niet het geval is kan de participatieplaats met een jaar verlengd worden op voorwaarde dat in een andere omgeving andere additionele werkzaamheden worden verricht.

  • 5.

    Drie maanden voor afloop van het derde jaar zal op basis van een evaluatie worden vastgesteld of een andere re-integratievoorziening meer adequaat is. Indien dit niet het geval is kan de participatieplaats nogmaals voor de duur van een jaar verlengd worden.

  • 6.

    Aansluitend aan de participatieplaats kan een werkstage worden ingezet bij een werkgever die voornemens is de uitkeringsgerechtigde of jongere een dienstbetrekking aan te bieden.

  • 7.

    De werkzaamheden in een participatieplaats zijn additioneel van aard en gericht op re-integratie.

  • 8.

    De participatieplaats bestaat uit ten minste 50% van het aantal uren dat uitkeringsgerechtigden en jongeren in staat zijn om arbeid te verrichten met een minimum van 12 uur per week.

  • 9.

    Werkgevers zijn verplicht om deelnemers op een participatieplaats begeleiding en scholing aan te bieden. Dit wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst.

  • 10.

    De organisatie waar personen op een participatieplaats geplaatst worden draagt er zorg voor, dat de geplaatste personen gedurende hun werk verzekerd zijn tegen wettelijke aansprakelijkheid.

Artikel 20

  • 1.

    Het college verstrekt aan personen bedoeld onder artikel 1, lid 2 onder d en e van de verordening, die onbetaalde additionele werkzaamheden verrichten zoals genoemd in artikel 10a, zesde lid van de wet een premie van € 300,= per half jaar.

  • 2.

    Het recht op een premie als bedoeld in het eerste lid wordt telkens elke zes maanden beoordeeld.

  • 3.

    De premie wordt geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat de belanghebbende de aan de ongeloonde additionele werkzaamheden verbonden verplichtingen in de voorafgaande zes maanden heeft geschonden.

  • 4.

    Onverminderd het eerste lid komen ook personen bedoeld in artikel 7 derde lid van de wet voor een premie in aanmerking indien zij aan alle voorwaarden voldoen.

  • 5.

    Voor zover belanghebbende niet beschikt over een startkwalificatie, wordt binnen 6 maanden, na aanvang van de onbeloonde additionele werkzaamheden, door het college bekeken in hoeverre scholing of opleiding kan bijdragen aan vercroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Het college betrekt bij deze beoordeling het oordeel van degene in wiens opdracht de belanghebbende de additionele werkzaamheden verricht, de scholingswens van belanghebbende, de kansen op de arbeidsmarkt en mogelijke andere re-integratie-instrumenten.

Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen

Artikel 21

  • 1.

    Indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder dan wel het gezin een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen hebben ontvangen en zij voor de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand:

    • -

      zijn uitgestroomd naar een reguliere of gesubsidieerde baan;

    • -

      zijn geplaatst in het kader van sociale activering

    • -

      een scholing en/of opleiding zijn begonnen;

  • wordt

    de eventuele aanspraak op een uitstroom- of scholingspremie beoordeeld op basis van de Reïntegratie verordening gemeente Steenbergen.

  • 2.

    Ten behoeve van personen die voor de datum van inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand werkzaam zijn op een gesubsidieerde arbeidsplaats op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden dan wel het Besluit In- en Doorstroombanen, wordt deze gesubsidieerde arbeidsplaats tot 1 januari 2005 op grond van voornoemde wet- en regelgeving gecontinueerd en de aan de werkgever verleende subsidie gehandhaafd op het niveau van 2003.

  • 3.

    De subsidie voor de ex-banenpoolers die in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden werkzaam zijn wordt voor onbepaalde tijd gecontinueerd.

  • 4.

    In afwijking van lid 2 vervalt de subsidiegarantie indien de geldende arbeidsovereenkomst of aanstelling rechtsgeldig wordt opgezegd dan wel door tussenkomst van de rechter wordt ontbonden.

  • 5.

    Met betrekking tot het gestelde in lid 2 worden de subsidiebedragen jaarlijks geïndexeerd op basis van de index van het CBS.

Hoofdstuk 9. Speciale doelgroepen

Artikel 22

  • 1.

    Uitkeringsgerechtigden die in verband met hun leeftijd recht hebben dan wel kunnen hebben op een tegemoetkoming op grond van de Wet Studiefinanciering en niet beschikken over een startkwalificatie, worden verplicht deze te behalen tenzij algemeen geaccepteerde arbeid voorhanden is.

  • 2.

    Uitkeringsgerechtigden waarvan is vastgesteld, dat zij door medische, sociale of psychische belemmeringen geen dan wel voorlopig geen realistisch perspectief hebben om arbeid in welke vorm dan ook te verrichten, dienen naar vermogen activiteiten in het kader van participatie te verrichten.

Hoofdstuk 10. Overige bepalingen

Artikel 23

Door of namens burgemeester en wethouders kan in bijzondere gevallen ten gunste van de persoon genoemd in artikel 1 onder d worden afgeweken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing hiervan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 24

In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Artikel 25

Deze verordening wordt binnen 2 jaar na inwerkingtreding geëvalueerd.

Artikel 26

Deze verordening kan worden aangehaald als "Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2009".

Artikel 27

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 oktober 2009, met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2009.

Artikel 28

De "Reïntegratieverordening gemeente Steenbergen", met bijbehorende beleidsuitgangspunten Reïntegratiebeleid, vastgesteld in de openbare vergadering van 18 december 2003, vervalt op 1 oktober 2009.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 24 september 2009.

Algemene toelichting

Gemeenten hebben de plicht een re-integratieverordening vast te stellen. In deze verordening wordt vastgelegd hoe de cliënten worden ondersteund bij de arbeidsparticipatie en hoe wordt omgegaan met het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Voorbeelden van voorzieningen zijn: scholing en stages, loonkostensubsidie en gesubsidieerde arbeid, sociale activering, premies en kinderopvang.

In beginsel worden aan iedere cliënt de arbeidsverplichtingen opgelegd. De algemene verplichting staat in de wet genoemd. In de re-integratieverordening wordt aandacht geschonken aan de voorzieningen die kunnen worden ingezet. De vertaling daarvan vindt plaats in de individuele beschikking.

Met deze verordening wordt inhoudelijk invulling gegeven aan de uitgangspunten "werk boven uitkering" en "maatwerk". De verordening regelt de aanspraak op het aanbod van voorzieningen en activiteiten dat er op is gericht te komen tot inschakeling in de arbeid. Het uiteindelijk doel is duurzame uitstroom naar reguliere arbeid.

Verder is het zo dat geen enkele doelgroep bij voorbaat wordt uitgesloten van de re-integratievoorzieningen. Het college bepaalt welke vorm van ondersteuning het meest recht doet aan de mogelijkheden van de aanvrager ten einde inschakeling in de arbeid binnen een redelijke termijn mogelijk te maken.

De verschillende vormen van ondersteuning maken deel uit van het re-integratietraject dat met de aanvrager wordt afgesloten.

Voor personen waarmee de gemeente geen formele uitkeringsrelatie heeft, kan de Maatregelenverordening niet worden toegepast. Immers de gemeente heeft geen mogelijkheden om, indien door deze categorie van personen niet aan de opgelegde voorwaarden wordt voldaan, een maatregel op te leggen.

Het overgangsrecht op het gebied van de gesubsidieerde arbeid (ID-banen en Wiw¬dienstbetrekkingen) verdient nadrukkelijke aandacht. Gelet op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal de gemeente, indien zij van mening is dat de,:middelen die met deze voorziening zijn gemoeid een te grote druk op het budget leggen, niet abrupt de subsidie aan de verschillende werkgevers kunnen beëindigen. De gemeente zal hiertoe dan ook een overgangsregeling moeten opstellen waarin een redelijke termijn is opgenomen. In deze gevallen wordt 2 jaar als redelijke termijn genomen.

In deze verordening zijn tevens een aantal bepalingen opgenomen dat ook in geval van participatie geen sprake mag / kan zijn van vrijblijvendheid van de zijde van de klant.

Dit is dan ook gewaarborgd in de "Maatregelenverordening gemeente Steenbergen 2009". Hierin is immers glashelder opgenomen dat indien men niet voldoet aan de aan de uitkering verbonden verplichtingen, een "maatregel" wordt opgelegd.

De hoogte van de premies voor (gedeeltelijke)uitstroom naar werk worden door het college vastgesteld en vastgelegd in beleidsregels.

Met in achtneming van de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de Europese richtlijnen voor staatssteun is gekozen voor een aantal subsidies, te weten loonkostensubsidie en een scholingssubsidie.

Er is sprake van een generieke subsidieregeling die in zijn uitwerking non-discriminatoir is voor alle ondernemingen in alle sectoren van de economie in heel Nederland. Er is geen sprake van met staatsmiddelen bekostigd voordeel voor bepaalde ondernemingen waardoor de mededinging wordt vervalst en het interstatelijke handelsverkeer ongunstig wordt beïnvloed. Verder wordt gehandeld conform de bepalingen in de bijlage van de verzamelbrief d.d. 7 april 2004 van het Ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid, waardoor deze subsidieregeling niet hoeft te worden gemeld bij de Europese Unie.

Voor wat betreft de inzet van subsidie dient een onderscheid te worden gemaakt op basis van de afstand tot de arbeidsmarkt, gemeten naar de periode van werkloosheid. Hoe langer de werkloosheidsperiode, hoe hoger de investering voor de werkgever en dus hoe hoger de werkgeverssubsidie.

Tenslotte is overleg over deze verordening gevoerd met de gemeenten Bergen op Zoom en Woensdrecht om zoveel als mogelijk regionaal uniformiteit te hanteren, zonder de lokale invulling daarmee uit te sluiten.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 2

Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 3

Het college draagt zorg voor een evenwichtige aandacht voor de verschillende doelgroepen.

Artikel 4

Er moet sprake zijn van voldoende motivatie van de nugger aan het traject om voor ondersteuning in aanmerking te komen.

Artikel 5

Er is voor gekozen ten aanzien van de zogenaamde niet -uitkeringsgerechtigden (nuggers) een ruimhartig beleid te voeren.

De grenzen met betrekking tot het inkomen van de nugger zijn aangegeven. Er is bewust gekozen voor een eenvoudige inkomensbepaling. Dit geeft voor zowel de klant als de uitvoering minder administratieve rompslomp.

Er bestaat geen recht op ondersteuning indien er sprake is van een voorliggende voorziening welke voor belanghebbende in voldoende mate kan bijdragen aan de inschakeling op de arbeidsmarkt.

Artikel 6

Dit artikel geeft het kader aan waarlangs de inschakeling in de arbeid vorm wordt gegeven. Uitgangspunt is hierbij dat de ondersteuning gericht moet zijn op duurzame aanvaarding van algemeen geaccepteerde arbeid dan wel participatie.

De voorzieningen die worden aangeboden zijn niet langer opgenomen in dit artikel. Hier is bewust voor gekozen, omdat het uitgangspunt is dat er maatwerk voor de klant geleverd moet kunnen worden. Dat wil zeggen, dat in beginsel geen enkel instrument / activiteit uitgesloten moet worden zolang aan de voorwaarden wordt voldaan. De voorkeur zal hierbij echter eerst uitgaan naar instrumenten / activiteiten die contractueel zijn ingekocht.

Artikel 7

Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 8

De klant kan een vergoeding in de reiskosten worden verleend, of andere vergoedingen die bijdragen aan het welslagen van het traject. Hierbij kan gedacht worden aan het volgen van een training, coaching, opdoen van werkervaring en sollicitatiegesprekken.

Artikel 9

Zonodig kan scholing worden ingezet.

In dit artikel is geregeld aan welke voorwaarden de inzet van dit instrument moet voldoen.

Artikel 10

Er is sprake van een generieke subsidieregeling die in zijn uitwerking non-discriminatoir is voor alle ondernemingen in alle sectoren van de economie in heel Nederland. Er is geen sprake van met staatsmiddelen bekostigd voordeel voor bepaalde ondernemingen waardoor de mededinging wordt vervalst en het interstatelijke handelsverkeer ongunstig wordt beïnvloed. Verder wordt gehandeld conform de bepalingen in de Bijlage van de verzamelbrief d.d. 7 april 2004 van het Ministerie van SZW, waardoor deze subsidieregeling niet hoeft te worden gemeld bij de Europese Unie.

Artikel 11

De hoogte van de loonkostensubsidie is afhankelijk van de duur van de werkloosheid. Deze periode wordt niet alleen bepaald door de periode dat iemand als werkzoekende ingeschreven staat bij het UWV WERKbedrijf. Op basis van artikel 1, lid 2 onder m worden ook de perioden dat iemand vanwege detentie, opvoeding van kinderen of alleen een bijstandsuitkering heeft ontvangen, meegenomen.

Met betrekking tot het verstrekken van loonkostensubsidie wordt er vanuit gegaan, dat de uitkeringsgerechtigde die bij een werkgever wordt geplaatst, beschikt over een dusdanige arbeidsproductiviteit / capaciteit dat de werkgever daar direct al voordeel van heeft. Het verstrekken van een loonkostensubsidie, die de volledige brutoloonkosten dekt is dan ook niet reëel. Tevens wordt aangenomen dat, in de loop van de tijd, de productiviteit van de uitkeringsgerechtigde zal toenemen en de loonkostensubsidie als gevolg daarvan kan worden verlaagd.

Artikel 12

Soms is het noodzakelijk dat de uitkeringsgerechtigde, om een bepaalde functie uit te kunnen oefenen, een korte cursus gaat volgen. Om dit mogelijk te maken kan de werkgever een scholingsubsidie aanvragen. De hoogte van de scholingsubsidie is afhankelijk van de periode van werkloosheid.

Artikel 13

Voorschotverlening is mogelijk.

Artikel 14

Aangegeven is waarbinnen de aanvraag dient te worden ingediend. Hiermee wordt voorkomen, dat er blijvend aanspraak op subsidie kan worden gemaakt.

Artikel 15

Dit artikel moet voorkomen, dat het slagingspercentage van re-integratiebedrijven of andere bedrijven waarmee de gemeente een contract heeft gesloten, positief beïnvloed wordt door de inzet van werkgeverssubsidies. De gemeente maakt met verschillende partijen afspraken over de bemiddeling van werkzoekenden naar reguliere arbeid. Deze afspraken worden gemaakt op basis van no cure no pay. Indien het re-integratiebedrijf vervolgens gebruik zou kunnen maken van de werkgeverssubsidies, betaalt de gemeente dubbel voor hetzelfde resultaat.

Artikel 16

Het kan bij een uitkeringsgerechtigde klant noodzakelijk zijn om niet alleen de (volledige) arbeidsverplichtingen zoals bedoeld in artikel 9 van de WWB op teleggen, maar daarnaast ook nog gebruik te maken van de mogelijkheden die artikel 55 van de WWB biedt. Dit kan bijvoorbeeld zijn het verplicht meewerken aan een traject van derden zoals GGZ, Kentron of het Veiligheidshuis.

Artikel 17

Bij een nugger kan geen terugvordering plaatsvinden op basis van de WWB. Terugvordering zal moeten gebeuren op basis van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 18

Dit artikel biedt de mogelijkheid premies te verstrekken voor zover dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van de uitkeringsgerechtigde.

Het college stelt in beleidsregels de voorwaarden voor het recht op een dergelijke premie vast alsmede de hoogte hiervan.

Artikel 19

Participatiebanen bevorderen een actieve deelname aan de maatschappij. Het doel om een participatiebaan aan te beiden is het voorkomen van isolement hetgeen een aanzet kan zijn tot betaal de arbeid. Een participatiebaan is één van de mogelijkheden die leiden tot betaalde arbeid en is onderdeel van een re-integratietraject. De duur is 2 jaar met een mogelijkheid tot verlenging van maximaal 2 jaar, indien hierdoor de kans op inschakeling .in het arbeidsproces van betrokkene aanmerkelijk verbetert.

Artikel 20

De wijziging van artikel 8 van de Wet en de invoering van de Wet Stimulering arbeidsparticipatie (Wet Stap) verlangt regels ten aanzien van de hoogte van de premie, inzet van scholing of opleiding bij personen die onbeloonde additionele arbeid verrichten.

Voor zover de belanghebbende niet over een startkwalificatie beschikt, wordt door het college binnen 6 maanden na aanvang van de onbetaalde additionele werkzaamheden, bekeken in hoeverre scholing of opleiding kan bijdrage aan vergroting van de kansen op inschakeling in het arbeidsproces.

De Wet Stap kent geen overgangsrecht zodat op dit moment dat iemand die langer dan 6 maanden additionele arbeid verricht ook recht kan doen gelden op een premie en op een scholingsaanbod. De maximale termijn dat een participatieplaats kan worden vervuld is wettelijk op 4 jaar gesteld. Het staat de gemeente vrij om een kortere termijn te kiezen.

Iedere zes maanden zal beoordeeld moeten worden of verlenging van de premie kan plaatsvinden.

Artikel 21

Dit artikel voorziet in een overgangsregeling voor personen die onder het regime van de Algemene bijstandswet nog uitgestroomd zijn dan wel anderszins en waarvan pas in 2004 kan worden vastgesteld of deze uitstroom een duurzaam karakter kent waardoor recht ontstaat op een premie op grond van de Wiw-subsidieverordening.

Met het beëindigen van de banenpool werden de hierin nog werkzame personen, overgebracht naar de Wiw. Daarbij is hen een baangarantie gegeven zodat voor deze groep ook na 1 januari 2004 de subsidie gecontinueerd wordt.

Het college stelt jaarlijks de hoogte van de indexering van deze subsidiebedragen vast. Achterliggende gedachte hierbij, is dat de gevolgen van een eventuele stijging van het wettelijk minimumloon (welke als basis voor de hoogte van het salaris geldt) dan niet op de instellingen wordt afgewenteld.

Voor de indexering wordt hierbij uitgegaan van de door het CBS gehanteerde indexcijfer gerelateerd aan de contractuele loonkosten.

Artikel 22

Dit artikel sluit aan bij het uitgangspunt dat jongeren tot 27 jaar in principe eerst een startkwalificatie moeten halen. Wel is het zo, dat het realistisch is te veronderstellen dat dit niet voor iedereen is weggelegd en er dus uitzonderingen mogelijk moeten blijven.

Artikel 23

Dit artikel heeft betrekking op de hardheidsclausule en maakt het mogelijk in het voordeel van de cliënt af te wijken van hetgeen in de verordening is vastgelegd.

Artikel 24

Het college beslist in gevallen waarin deze verordening onverhoop niet voorziet.

Artikel 25

Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 26

Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 27

Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 28

Dit artikel spreekt voor zich.