gemeente Steenbergen | Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2012

Regeling Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2012

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

  • Datum inwerking-treding 01-01-2012
  • Terugwerkende kracht t/m
  • Datum uitwerking-treding 01-01-2013
  • Betreft nieuwe regeling
  • Datum ondertekening 15-12-2012
  • Bron bekendmaking Steenbergse Bode
  • Kenmerk voorstel B1101395

Inleiding

De raad van de gemeente Steenbergen;

In behandeling genomen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 8 november 2011

overwegende dat de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2011 wijziging behoeft;

gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en artikel 8, lid 1, sub a juncto artikel 7, lid 1, sub a van de Wet werk en bijstand;

besluit:

de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2012 vast te stellen

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

  • 1.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand (WWB), de Wet inkomensvoor-ziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (loaw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (loaz) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

  • 2.

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen;

    • b.

      ondersteuning: het geheel van activiteiten, al dan niet onderdeel uitmakend van een volledig traject of plan van aanpak en opgenomen in een door de gemeente opgesteld trajectplan of plan van aanpak, dat bijdraagt aan de bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt dan wel aan het leveren van een tegenprestatie voor de uitkering, met activiteiten wordt in dit verband hetzelfde als instrumenten bedoeld;

    • c.

      tegenprestatie: onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden. Deze worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en leiden niet tot verdringing op de arbeidsmarkt.

    • d.

      voorliggende voorziening: de voorziening als bedoeld in artikel 5, sub e WWB;

    • e.

      aanvrager: de personen in de leeftijd van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, genoemd in artikel 10, lid 1 en lid 2 WWB onderscheidenlijk artikel 5, lid 1 Ioaw en artikel 5, lid 1 Ioaz;

    • f.

      nugger: niet uitkeringsgerechtigde zonder eigen inkomen dan wel met uitsluitend een inkomen uit de Algemene nabestaanden wet (ANW en alimentatie);

    • g.

      sociaal minimum: voor gehuwden 100 % van het wettelijk minimumloon;

    • h.

      wettelijk minimumloon: het bruto minimumloon exclusief vakantiegeld zoals bedoeld in artikel 8 van de Wet op het minimumloon en minimum vakantiebijslag;

    • i.

      arbeidsovereenkomst: een overeenkomst conform artikel 7: 610 Burgerlijk Wetboek;

    • j.

      re-integratiebedrijf: een private onderneming die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevordert;

    • k.

      met werkloosheid wordt gelijk gesteld:

      • I.

        periode van detentie;

      • II.

        periode van WWB uitkering;

      • III.

        periode van volledig zorg dragen voor de opvang van de kinderen;

      • IV.

        werk in loondienst voor zover dat per kalenderjaar niet langer heeft geduurd dan 50 dagen of 400 uur.

    • l.

      bijstandsnorm: de norm als bedoeld in artikel 5 onder c WWB;

    • m.

      grondslag: de bedragen als bedoeld in artikel 5, lid 3 Ioaw dan wel artikel 5, lid 5 Ioaz;

    • n.

      startkwalificatie: een afgeronde opleiding op MBO 2-niveau dan wel HAVO- of VWO-niveau;

    • o.

      de wet: de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers alsmede de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

    • p.

      participatieladder: instrument om eenvoudig en eenduidig de maatschappelijke participatie van een persoon in beeld te brengen;

    • q.

      participatietrede: trede van de participatieladder waarop de klant participeert, waarbij de hoogst haalbare trede 6 voor betaald werk staat, trede 5 voor betaald werk met ondersteuning, trede 4 voor onbetaald werk, trede 3 voor deelname aan georganiseerde activiteiten, trede 2 voor sociale contacten buitenshuis en trede 1 voor geïsoleerd levend.

Artikel 2

Het toekennen van de ondersteuning geschiedt met inachtneming van de bepalingen van de wet en deze verordening.

Artikel 3

  • 1.

    Het college bevordert dat met betrekking tot het aanbieden van ondersteuning er sprake is van een gelijke aandacht voor de in artikel 7, lid 1, sub a WWB genoemde groepen evenals voor een evenwichtige verdeling binnen de te onderscheiden doelgroepen.

  • 2.

    Het college kan, met inachtneming van de Wet Participatiebudget, voorzieningen aanbieden aan personen, die niet tot de doelgroep van deze verordening behoren;

  • 3.

    Personen aan wie met toepassing van het tweede lid een voorziening wordt aangeboden worden voor de toepassing van deze verordening gelijkgesteld met personen behorende tot de doelgroep.

  • 4.

    Geen ondersteuning wordt verleend indien:

    • a.

      de betrokkene jonger is dan 27 jaar en uit ’s rijkskas bekostigd onderwijs volgt, dan wel nog kan volgen;

    • b.

      gedurende de vier weken na melding waarbij de betrokkene zelf alles in het werk dient te stellen om algemeen geaccepteerde arbeid te vinden;

    • c.

      de betrokkene een uitkering van het UWV ontvangt.

Artikel 4

  • 1.

    Het college kan bij beleidsregels een of meerdere subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een weigeringgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening;

  • 2.

    Het college kan bij beleidsregels een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.

Artikel 5

Bij de re-integratie van niet uitkeringsgerechtigden gelden de volgende eisen:

  • a.

    de aanvrager dient zich voor minimaal 12 uur per week beschikbaar te stellen voor algemeen geaccepteerde arbeid;

  • b.

    de noodzaak voor ondersteuning dient aanwezig te zijn en wordt door het college vastgesteld;

  • c.

    de ondersteuning dient te allen tijde gericht te zijn op uitstroom;

  • d.

    de aanvrager is verplicht ingeschreven te staan als werkzoekende bij het UWV Werkbedrijf.

Artikel 6

Geen recht op ondersteuning bestaat voor de persoon als bedoeld in artikel 5, indien sprake is van een voorliggende voorziening welke naar de mening van het college in voldoende mate bijdraagt aan de re-integratie van de aanvrager.

Hoofdstuk 2. De vorm van de ondersteuning

Artikel 7

  • 1.

    Het traject of plan van aanpak is afgestemd op de mogelijkheden van de aanvrager genoemd in artikel 1, lid 2, sub e en kan bestaan uit verschillende vormen van ondersteuning.

  • 2.

    Het traject of plan van aanpak moet leiden tot het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid, dan wel tot een tegenprestatie in de uitkering.

  • 3.

    Bij een niet uitkeringsontvanger moet het traject of plan van aanpak altijd leiden tot het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid.

  • 4.

    De vorm van de ondersteuning dient bij te dragen aan deelname aan dan wel terugkeer naar de arbeidsmarkt en gericht te zijn op uitstroom, dan wel bijdragen aan een tegenprestatie in de uitkering en kan bestaan uit alle beschikbare activiteiten die hierop zijn gericht.

  • 5.

    Uitkeringsgerechtigden waarvan is vastgesteld, dat zij door medische, sociale of psychische belemmeringen geen dan wel voorlopig geen realistisch perspectief hebben om arbeid in welke vorm dan ook te verrichten, dienen naar vermogen een tegenprestatie te leveren.

Artikel 8

  • 1.

    Indien vrijwilligerswerk is opgenomen als onderdeel van het traject of plan van aanpak, kan voor dit vrijwilligerswerk een vergoeding verstrekt worden tot het maximum van hetgeen in de fiscale wetgeving is opgenomen. Met uitzondering van jongeren onder de 27 jaar.

  • 2.

    Het college kan hiertoe beleidsregels vaststellen.

Artikel 9

  • 1.

    Aan personen die in aanmerking komen voor ondersteuning en buiten de gemeente moeten reizen dan wel meer dan 10 kilometer moeten reizen kan een reiskostenvergoeding worden verstrekt.

  • 2.

    In de overige kosten kan een vergoeding worden verstrekt gedurende de looptijd van het traject of plan van aanpak, voor zover die direct gerelateerd zijn aan het gebruik maken van de voorzieningen en voor zover er geen aanspraak is op een voorliggende voorziening.

  • 3.

    Het college kan hiertoe beleidsegels vaststellen.

Artikel 10

Ten aanzien van het aanbieden van scholing en/of opleiding als onderdeel van een traject of plan van aanpak als bedoeld in artikel 7 gelden de volgende regels:

  • a.

    de scholing / opleiding moet noodzakelijk zijn voor het slagen van het traject of plan van aanpak;

  • b.

    de scholing/opleiding kan alleen ingezet worden als dit de kortste weg is naar algemeen geaccepteerde arbeid;

  • c.

    de scholing / opleiding dient bij voorkeur te worden ingezet voor het alsnog behalen van een startkwalificatie;

Hoofdstuk 3. Subsidies

Artikel 11

  • 1.

    Als onderdeel van een traject of plan van aanpak als bedoeld in artikel 7 van deze verordening kan aan de werkgever een loonkostensubsidie worden verstrekt, indien de belanghebbende een arbeidsovereenkomst wordt aangeboden.

  • 2.

    De loonkostensubsidie kan alleen worden verstrekt indien de concurrentie verhoudingen niet worden aangetast, er geen verdringing van arbeid plaatsvindt en er geen onderscheid wordt gemaakt naar sector of onderneming.

  • 3.

    Het college stelt in beleidsregels de voorwaarden voor het recht op loonkostensubsidie alsmede de hoogte hiervan vast.

Artikel 12

  • 1.

    Op verzoek van de werkgever kan loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10 in de vorm van een voorschot worden verstrekt, waarna de subsidie na afloop van het kwartaal definitief wordt vastgesteld.

  • 2.

    Indien het voorschot hoger uitvalt dan de definitief vastgestelde subsidie vindt verrekening plaats en zal de werkgever het te verrekenen subsidiebedrag dienen terug te betalen.

Hoofdstuk 4. Verplichtingen aan het recht op ondersteuning

Artikel 13

Indien naar het oordeel van het college recht op ondersteuning bestaat, verbindt het college hieraan nadere verplichtingen.

Hoofdstuk 5. Terugvordering

Artikel 14

Indien blijkt dat de aanvrager als bedoeld in artikel 1, lid 2, sub f de ondersteuning onderscheidenlijk het traject of plan van aanpak verwijtbaar voortijdig doet beëindigen, kunnen de ondersteuningskosten geheel of gedeeltelijk van hem worden teruggevorderd.

Hoofdstuk 6. Premies

Artikel 15

  • 1.

    Voor zover dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling kan aan de uitkeringsgerechtigde een premie worden verstrekt van maximaal het bedrag als bedoeld in artikel 31, lid 2, sub j WWB.

  • 2.

    Het college stelt in beleidsregels de voorwaarden voor het recht op een dergelijke premie vast alsmede de hoogte hiervan.

  • 3.
    • a

      artikel 3, derde lid sub a: de premie als bedoeld in artikel 10a, zesde lid van de Wet werk en bijstand bedraagt de helft van het laagste jaarbedrag, genoemd in artikel 7, onder h, van de regeling Wet werk en bijstand;

    • b.

      artikel 3, derde lid, sub b: de laatste door belanghebbende ontvangen activeringspremie wordt verhoogd tot €1.000,--, indien het college heeft vastgesteld dat de participatieplaats voor cliënt heeft geresulteerd in een opwaartse doorstroming op de participatieladder.

Hoofdstuk 7. Overgangsbepalingen

Artikel 16

De subsidie voor de ex-banenpoolers aangesteld destijds in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden, wordt voor onbepaalde tijd gecontinueerd.

Hoofdstuk 8. Staatssteunbepaling

Artikel 17

  • 1.

    Als en voor zover de verstrekking van de voorzieningen aan de werkgever staatsteun oplevert in de zin van artikel 87 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, geschiedt de verstrekking op grond van:

    • a.

      de Verordening nummer 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun, zoals gepubliceerd op 28 december 2006 in het Publicatieblad van de Europese Unie L 379; of

    • b.

      de artikelen 39, 40, 41 of 42 van de Verordening nummer 800/2008 van de Europese Commissie van 6 augustus 2008, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard,zoals gepubliceerd op 9 augustus 2008 in het Publicatieblad van de Europese Unie L 214.

  • 2.

    Als en voor zover de verstrekking van de voorzieningen aan de werkgever staatssteun oplevert in de zin van artikel 87 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, wordt de voorziening verstrekt onder de voorwaarde dat de begunstigde onderneming een dossier bijhoudt aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of de verleende steun voldoet aan de voorwaarden van de in het eerste lid genoemde toegepaste verordening.

Hoofdstuk 9. Overige bepalingen

Artikel 18

Door of namens burgemeester en wethouders kan in bijzondere gevallen ten gunste van de persoon genoemd in artikel 1 onder e worden afgeweken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing hiervan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 19

In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Artikel 20

Deze verordening kan worden aangehaald als ”Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2012”.

Artikel 21

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2012.

Artikel 22

De “Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2011, vastgesteld in de openbare vergadering van 24 februari 2011, vervalt op 1 januari 2012.

Toelichting per 1 januari 2012:

De inmiddels door de Tweede Kamer aangenomen wetswijziging maakt aanpassing van de re-integratieverordening noodzakelijk. Het belangrijkste uitgangspunt van de huidige regering is dat er meer mensen aan het werk moeten en dat mensen niet afhankelijk gemaakt mogen worden van een uitkering. Werk is de basis voor zelfstandigheid, het benutten en ontwikkelen van talenten en vaardigheden en de beste manier om uit de armoede te komen.

Er staan een drietal aanscherpingen in de wetswijziging voorop, te weten:

  • -

    Nadruk op eigen verantwoordelijkheid; De jongeren, < 27 jaar, wordt verplicht de eerste vier weken zelf naar werk te zoeken waarbij de jongere ook de mogelijkheden van reguliere scholing dient te onderzoeken. Pas na vier weken kan dan een aanvraag worden ingediend.

  • -

    Verder versterken activerend karakter en vangnet functie; afschaffen van bijstand voor inwonenden en het vervangen van de toets op het partnerinkomen door de toets op het huishoudinkomen.

  • -

    Verscherpen van verplichtingen van mensen met een uitkering; een van de belangrijkste punten hierbij is het opnemen van de wettelijke verplichting tot het leveren van een tegenprestatie naar vermogen.

Deze verordening is met betrekking tot bovengenoemde aspecten aangepast, voor het overige is de verordening inhoudelijk gelijk aan de oude re-integratieverordening.

Algemene toelichting

Meer mensen aan het werk is een belangrijke opdracht die de huidige regering zichzelf heeft opgelegd. Mensen die nog niet in staat zijn om te werken, worden verplicht een zogenaamde tegenprestatie te leveren voor de uitkering. Werk biedt mensen perspectief, zelfrespect, sociale contacten en sociale betrokkenheid. Mensen mogen niet worden afgeschreven en langdurig aan de kant komen te zitten. Iedereen telt mee. De bijstand is er alleen voor mensen die het echt nodig hebben.

Gemeenten hebben de plicht een re-integratieverordening vast te stellen. In deze verordening wordt vastgelegd hoe de cliënten worden ondersteund bij de arbeidsinschakeling dan wel de te leveren tegenprestatie.

In beginsel worden aan iedere cliënt de arbeidsverplichtingen opgelegd. De algemene verplichting staat in de wet genoemd. In de re-integratieverordening wordt aandacht geschonken aan de ondersteuning die kan worden ingezet. De vertaling daarvan vindt plaats in de individuele beschikking die de klant ontvangt naar aanleiding van het traject of plan van aanpak.

Met deze verordening wordt inhoudelijk invulling gegeven aan de uitgangspunten “werk boven uitkering” en de te leveren tegenprestatie. De verordening regelt de aanspraak op ondersteuning en is gericht op de inschakeling in de arbeid en de tegenprestatie.

Verder is het zo dat geen enkele doelgroep bij voorbaat wordt uitgesloten van de re-integratievoorzieningen. Het college bepaalt welke vorm van ondersteuning het meest recht doet aan de mogelijkheden van de aanvrager ten einde inschakeling in de arbeid binnen een redelijke termijn mogelijk te maken, dan wel de ondersteuning die nodig is voor de te leveren tegenprestatie.

De verschillende vormen van ondersteuning maken deel uit van het re-integratietraject of plan van aanpak dat met de aanvrager wordt afgesloten. Voor personen waarmee de gemeente geen formele uitkeringsrelatie heeft, kan de Maatregelenverordening niet worden toegepast. Immers de gemeente heeft geen mogelijkheden om, indien door deze categorie van personen niet aan de opgelegde voorwaarden wordt voldaan, een maatregel op te leggen.

Met in achtneming van de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de Europese richtlijnen voor staatsteun is gekozen voor een werkgeversubsidie, te weten de loonkostensubsidie. Er is sprake van een generieke subsidieregeling die in zijn uitwerking non-discriminatoir is voor alle ondernemingen in alle sectoren van de economie in heel Nederland. Er is geen sprake van met staatsmiddelen bekostigd voordeel voor bepaalde ondernemingen waardoor de mededinging wordt vervalst en het interstatelijke handelsverkeer ongunstig wordt beïnvloed. Verder wordt gehandeld conform de bepalingen in de bijlage van de verzamelbrief d.d. 7 april 2004 van het Ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid, waardoor deze subsidieregeling niet hoeft te worden gemeld bij de Europese Unie.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Artikel 1, lid 2,

een aantal definities zijn hier niet meer opgenomen omdat deze in de wet zijn opgenomen. sub c de term ‘tegenprestatie’ is nieuw in de wet en wordt hier toegelicht.

Artikel 2

Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 3

Het college draagt zorg voor een evenwichtige aandacht voor de verschillende doelgroepen. De wetswijziging maakt duidelijk dat het naast het feit dat er meer mensen aan het werk moeten, ook gaat om het leveren van een tegenprestatie in de uitkering. Nu de middelen in het participatiebudget verder zullen afnemen, is het van groot belang evenwicht te hebben in de uitgaven voor de ondersteuning van mensen.

Artikel 4

De gemeente kan om de financiële risico’s te beheersen een verdeling maken van de middelen over de verschillende voorzieningen. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn om aanvragen voor voorzieningen te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken dient in de verordening te worden opgenomen dat het mogelijk is subsidie- en budgetplafonds in te stellen.

De memorie van toelichting van de Wet werk en bijstand stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan zijn voor de afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient dan na te gaan welke andere goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus in, dat er geen algemeen plafond kan worden ingesteld. Wel kan per voorziening een plafond worden ingebouwd, hetgeen de mogelijkheid openlaat naar een ander instrument uit te wijken. Het college heeft de bevoegdheid om plafonds in te stellen. De vastgestelde plafonds dienen uiteraard binnen de financiële kaders te blijven. Een budgetplafond geldt voor de overige uitgaven die het college doet in het kader van voorzieningen.

Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die subsidies inhouden. Een subsidieplafond dient wel bekend te worden gemaakt vóór de aanvang van het tijdvak waarvoor deze geldt (artikel 4:27, lid 1 Algemene wet bestuurs-recht).

Artikel 5

Gelet op gemaakte afspraken, is er voor gekozen, ten aanzien van de zogenaamde niet uitkeringsgerechtigden (nuggers) een ruimhartig beleid te voeren.

Artikel 6

Er bestaat geen recht op ondersteuning indien er sprake is van een voorliggende voorziening welke voor belanghebbende in voldoende mate kan bijdragen aan de inschakeling op de arbeidsmarkt.

Artikel 7

Dit artikel geeft het kader aan waarlangs het traject of plan van aanpak vorm wordt gegeven.

Uitgangspunt is hierbij dat de ondersteuning gericht moet zijn op aanvaarding van algemeen geaccepteerde arbeid dan wel het leveren van een tegenprestatie.

De participatieplaats is gedefinieerd in de Wet werk en bijstand (WWB). De participatieplaats heeft een tijdelijk karakter en het college heeft de plicht om periodiek te onderzoeken of de participatieplaats nog een adequate voorziening is. De klant verricht op de participatieplaats additionele werkzaamheden met behoud van uitkering. Alleen WWB-uitkeringsgerechtigden komen in aanmerking voor een participatieplaats.

Artikel 8

Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 9

De klant kan een vergoeding in de reiskosten worden verleend, of andere vergoedingen die bijdragen aan het welslagen van het traject of plan van aanpak. Hierbij kan gedacht worden aan het volgen van een training, coaching, opdoen van werkervaring en sollicitatiegesprekken.

Artikel 10

In dit artikel is geregeld aan welke voorwaarden de inzet van dit instrument moet voldoen.

De scholing of opleiding moet altijd onderdeel uitmaken van een traject.

Wanneer betrokkene niet beschikt over een startkwalificatie, staat dit veelal de arbeidsinschakeling in de weg. In artikel 10a, lid 5 van de Wet werk en bijstand is bepaald dat scholing of opleiding onderdeel uit moet maken van een participatieplaats en dat gemeenten de plicht hebben scholing of opleiding aan te bieden aan betrokkenen zonder startkwalificatie op een participatieplaats. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op een participatieplaats. Deze scholing moet gericht zijn op het vergroten van de kansen op de arbeidsmarkt. Er hoeft geen scholing of opleiding aangeboden te worden indien deze naar het oordeel van het college niet bijdraagt aan de kansen op de arbeidsmarkt. Onder scholing of opleiding vallen al die vormen van onderricht die naar het oordeel van de gemeente de kansen op de arbeidsmarkt vergroten.

Artikel 11

Per 1 mei 2011 heeft het college nieuwe beleidsregels vastgesteld voor de loonkostensubsidie. In deze beleidsregels heeft het college vastgelegd onder welke voorwaarden een werkgever een aanvraag kan indienen. De regels zijn grotendeels afgestemd op de ‘regionale baanbonus’ die in het kader van de aanpak van de jeugdwerkloosheid voor West Brabant van toepassing is. De hoogte van de loonkostensubsidie is met name afhankelijk van de leeftijd van de klant en de duur van de aangeboden arbeidsovereenkomst.

Er is sprake van een generieke subsidieregeling die in zijn uitwerking non-discriminatoir is voor alle ondernemingen in alle sectoren van de economie in heel Nederland. Er is geen sprake van met staatsmiddelen bekostigd voordeel voor bepaalde ondernemingen waardoor de mededinging wordt vervalst en het interstatelijke handelsverkeer ongunstig wordt beïnvloed. Verder wordt gehandeld conform de bepalingen in de Bijlage van de verzamelbrief d.d. 7 april 2004 van het Ministerie van SZW, waardoor deze subsidieregeling niet hoeft te worden gemeld bij de Europese Unie.

Artikel 12

Het is voor een werkgever mogelijk om een voorschot aan te vragen op de loonkostensubsidie.

Artikel 13

Het college kan nadere verplichtingen verbinden aan het te volgen traject of aan het plan van aanpak. Dit kan bijvoorbeeld zijn het verplicht meewerken aan een traject van derden zoals GGZ, Novadic - Kentron of het Veiligheidshuis.

Artikel 14

Bij een niet uitkeringsgerechtigde kan geen terugvordering plaatsvinden op basis van de WWB. Terugvordering zal moeten gebeuren op basis van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 15

Dit artikel biedt ter uitvoering van de Kadernota Armoedebeleid de mogelijkheid premies te verstrekken voor zover dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van de uitkeringsgerechtigde.

Het college stelt met inachtneming van de Kadernota Armoedebeleid in beleidsregels de voorwaarden voor het recht op een dergelijke premie vast alsmede de hoogte hiervan.

Artikel 16

Dit artikel voorziet in een overgangsregeling voor personen die onder het regime van de Algemene bijstandswet nog uitgestroomd zijn dan wel anderszins en waarvan pas in 2004 kan worden vastgesteld of deze uitstroom een duurzaam karakter kent waardoor recht ontstaat op een premie op grond van de Wiw-subsidieverordening.

Met het beëindigen van de banenpool werden de hierin nog werkzame personen, overgebracht naar de Wiw. Daarbij is hen een baangarantie gegeven zodat voor deze groep ook na 1 januari 2004 de subsidie gecontinueerd wordt.

Het college stelt jaarlijks de hoogte van de indexering van deze subsidiebedragen vast. Achterliggende gedachte hierbij, is dat de gevolgen van een eventuele stijging van het wettelijk minimumloon (welke als basis voor de hoogte van het salaris geldt) dan niet op de instellingen wordt afgewenteld.

Voor de indexering wordt hierbij uitgegaan van de door het CBS gehanteerde indexcijfer gerelateerd aan de contractuele loonkosten.

Artikel 17

Artikel 17 houdt een staatssteunbepaling in. De uitvoering van de Wet werk en bijstand, inclusief de uitvoering van deze verordening, moet worden beschouwd als een taak van algemeen belang. De subsidies die op grond van deze verordening worden verstrekt, zijn bedoeld als compensatie om deze taak van algemeen belang uit te kunnen voeren. Deze subsidies zijn geen staatsteun mits de hoogte ervan niet meer bedraagt dan nodig is om een werkgever te compenseren in de verminderde arbeidsproductiviteit en de noodzakelijke extra kosten die verband houden met het in dienst nemen van een werkloze. In de situatie dat het college besluit re-integratiesubsidie te verstrekken die wel aangemerkt kunnen worden als staatssteun, worden deze verstrekt in het kader van òf de algemene groepsvrijstellingsverordening (werkgelegenheid kwetsbare werknemers of gehandicapten dan wel opleidingssteun) òf de de-minimisverordening. De “Beleidsaanbeveling voor gemeenten inzake subsidiëring van arbeidsplaatsen 2004”, zoals opgenomen in het voormalige artikel 10, lid 3 van de verordening, is vervallen.

Deze beleidsaanbeveling viel van april 2004 tot 1 juli 2008 onder de toepasselijkheid van de vrijstellingsverordening werkgelegenheidssteun (Verordening (EG) nr. 2204/2002 van de Commissie van 12 december 2002 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op werkgelegenheidssteun. De vrijstellingsverordening werkgelegenheidssteun is met ingang van 30 september 2008 vervangen door de algemene groepsvrijstellingsverordening (Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard). Hierin is ook een hoofdstuk over steun voor kwetsbare en gehandicapte werknemers opgenomen, dat grotendeels overeenstemt met wat in de vrijstellingsverordening werkgelegenheidssteun inzake steun voor deze groepen werd geregeld.

Artikel 18

Dit artikel heeft betrekking op de hardheidsclausule en maakt het mogelijk in het voordeel van de cliënt af te wijken van hetgeen in de verordening is vastgelegd.

Artikel 19

Het college beslist in gevallen waarin deze verordening onverhoopt niet voorziet.

Artikel 20

Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 21

Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 22

Dit artikel spreekt voor zich.