gemeente Steenbergen | Verordening commissie bezwaarschriften Steenbergen 2012

Regeling Verordening commissie bezwaarschriften Steenbergen 2012

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

  • Datum inwerking-treding 22-03-2012
  • Terugwerkende kracht t/m 01-01-2012
  • Datum uitwerking-treding 01-04-2015
  • Betreft nieuwe regeling
  • Datum ondertekening 01-03-2012
  • Bron bekendmaking Steenbergse Bode
  • Kenmerk voorstel B1200036

Inleiding

VERORDENING COMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN STEENBERGEN 2012

De raad, het college en de burgemeester van de gemeente Steenbergen, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;

in behandeling genomen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 17 februari 2012;

overwegende dat nieuwe ontwikkelingen en gewijzigde omstandigheden het wenselijk maken om de Verordening commissie bezwaarschriften, vastgesteld op 29 augustus 2002, aan te passen;

gelet op de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet;

besluiten:

vast te stellen de volgende Verordening commissie bezwaarschriften Steenbergen 2012:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    verwerend orgaan: bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen;

  • b.

    commissie: vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften;

  • c.

    voorzitter: voorzitter van de commissie;

  • d.

    secretaris: secretaris van de commissie;

  • e.

    leden: leden van de commissie;

  • f.

    raad: raad van de gemeente Steenbergen;

  • g.

    college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen;

  • h.

    burgemeester: burgemeester van de gemeente Steenbergen;

  • i.

    Awb: de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2 Inleidende bepaling commissie

  • 1.

    Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester.

  • 2.

    De commissie is niet bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten op grond van:

    • a.

      wet en regelgeving inzake belastingaangelegenheden of de Wet waardering onroerende zaken;

    • b.

      wet en regelgeving inzake de rechtspositie van medewerkers, alsmede bestuurders van de gemeente Steenbergen;

    • c.

      wet en regelgeving inzake de Leerplichtwet 1969, voor zover het bestreden besluit is genomen door de leerplichtambtenaar;

    • d.

      wet en regelgeving die vanaf 1 januari 2012 ter uitvoering is opgedragen aan de Intergemeentelijke Sociale Dienst Brabantse Wal.

  • 3.

    De commissie adviseert niet in gevallen waarin de voorzitter op grond van artikel 9, tweede lid, met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a en b, van de Awb, heeft besloten af te zien van het horen van een belanghebbende.

Artikel 3 Samenstelling van de commissie

  • 1.

    De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden.

  • 2.

    De voorzitter en de leden worden door het college benoemd, geschorst en ontslagen.

  • 3.

    De voorzitter en de leden van de commissie maken geen deel uit van of zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan van de gemeente Steenbergen.

  • 4.

    De commissie regelt de vervanging van de voorzitter.

Artikel 4 Secretaris

  • 1.

    De secretaris is een door het college aangewezen ambtenaar.

  • 2.

    Het college wijst tevens een of meer plaatsvervangers van de secretaris aan.

  • 3.

    De secretaris en zijn plaatsvervanger(s) zijn met betrekking tot hun werkzaamheden voor de commissie slechts inhoudelijk verantwoording verschuldigd aan de voorzitter en de leden.

Artikel 5 Zittingsduur

  • 1.

    De voorzitter en de leden van de commissie worden voor onbepaalde tijd benoemd.

  • 2.

    De voorzitter en de leden van de commissie kunnen op elk moment ontslag nemen. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan het college.

  • 3.

    De aftredende of ontslag nemende voorzitter of leden van de commissie blijven hun functie vervullen totdat in de opvolging is voorzien.

Artikel 6 Ingediend bezwaarschrift

  • 1.

    Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst aangetekend.

  • 2.

    Het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken wordt zo spoedig mogelijk in handen van de commissie gesteld.

Artikel 7 Uitoefening bevoegdheden

De bevoegdheden ingevolge de hierna genoemde artikelen van de Awb worden voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de voorzitter van de commissie:

  • a.

    artikel 2: 1, tweede lid;

  • b.

    artikel 6:6 wat betreft het de indiener stellen van een termijn;

  • c.

    artikel 6:17, voor zover het de verzending van stukken betreft tijdens de behandeling door de commissie;

  • d.

    artikel 7:4, tweede lid;

  • e.

    artikel 7:6 vierde lid.

Artikel 8 Vooronderzoek

  • 1.

    De voorzitter van de commissie is bevoegd rechtstreeks alle gewenste inlichtingen in te winnen of te laten inwinnen.

  • 2.

    De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de commissie bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen zo nodig uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen. Indien daaraan kosten zijn verbonden, is vooraf machtiging van het college vereist.

  • 3.

    De verkregen inlichtingen en adviezen worden aan het procesdossier toegevoegd.

Artikel 9 Hoorzitting

  • 1.

    De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de zitting waarin de belanghebbenden en het verwerend orgaan in de gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te laten horen.

  • 2.

    De voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de Awb.

  • 3.

    Indien de voorzitter op grond van het tweede lid besluit af te zien van het horen, doet hij daarvan mededeling aan de belanghebbenden en het verwerend orgaan.

Artikel 10 Uitnodiging zitting

  • 1.

    De voorzitter nodigt de belanghebbenden en het verwerend orgaan ten minste twee weken voor de zitting schriftelijk uit.

  • 2.

    Binnen drie dagen na de uitnodiging kunnen de belanghebbenden of het verwerend orgaan onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het tijdstip van de zitting te wijzigen.

  • 3.

    De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één week voor het tijdstip van de zitting aan de belanghebbenden en het verwerend orgaan meegedeeld.

  • 4.

    De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken of afwijking toe te staan van de termijnen die genoemd zijn in het eerste tot en met het derde lid.

Artikel 11 Quorum

Voor het houden van een zitting is vereist dat tenminste twee leden, onder wie in elk geval de voorzitter, of zijn plaatsvervanger, aanwezig is.

Artikel 12 Niet-deelneming aan de behandeling

De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de behandeling van een bezwaarschrift indien daarbij hun onpartijdigheid in het geding kan zijn. Zij laten zich zo nodig vervangen.

Artikel 13 Openbaarheid zitting

  • 1.

    De zitting van de commissie is in principe openbaar.

  • 2.

    De deuren kunnen worden gesloten indien de voorzitter van de commissie of een van de aanwezige leden het nodig oordeelt of indien een belanghebbende daartoe een verzoek doet.

  • 3.

    Indien de commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen aanwezig zijn die zich tegen openbaarheid van de zitting verzetten, vindt de zitting plaats achter gesloten deuren.

  • 4.

    Bij de zitting kan op verzoek van een belanghebbende of op aanwijzing van het verwerend orgaan gebruik worden gemaakt van de diensten van een tolk. Kosten daarvoor zijn voor eigen rekening.

Artikel 14 Schriftelijke verslaglegging

  • 1.

    Het verslag als bedoeld in artikel 7:7 van de Awb vermeldt de namen van de aanwezigen en hun hoedanigheid.

  • 2.

    Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer is gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.

  • 3.

    Indien de zitting geheel of gedeeltelijk achter gesloten deuren plaatsvond, of indien belanghebbenden, respectievelijk hun gemachtigden niet in elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord, maakt het verslag hiervan melding.

  • 4.

    Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden, die aan het verslag kunnen worden gehecht.

  • 5.

    Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de commissie.

Artikel 15 Nader onderzoek

  • 1.

    Indien na afloop van de zitting maar voordat het advies wordt opgesteld, nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de voorzitter uit eigen beweging of op verlangen van de andere commissieleden dit onderzoek houden.

  • 2.

    De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift aan de leden van de commissie, het verwerend orgaan en de belanghebbenden toegezonden.

  • 3.

    De leden van de commissie, het verwerend orgaan en de belanghebbenden kunnen binnen een week na verzending van de nadere informatie aan de voorzitter van de commissie een verzoek richten tot het beleggen van een nieuwe hoorzitting. De voorzitter beslist op een dergelijk verzoek.

  • 4.

    Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze verordening die betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Artikel 16 Raadkamer en advies

  • 1.

    De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over het door haar uit te brengen advies.

  • 2.

    De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te brengen advies.

  • 3.

    Indien bij een stemming de stemmen staken, beslist de stem van de voorzitter.

  • 4.

    Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding gemaakt indien die minderheid dat verlangt.

  • 5.

    Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen beslissing op het bezwaarschrift.

  • 6.

    Het advies wordt door de voorzitter en de secretaris van de commissie ondertekend.

Artikel 17 Uitbrengen advies en verdaging

  • 1.

    Het advies wordt, onder medezending van het verslag als bedoeld in artikel 14 en eventueel door de commissie ontvangen nadere informatie en nader verslag, uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te beslissen.

  • 2.

    Indien naar het oordeel van de voorzitter van de commissie de termijn, als bedoeld in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, ontoereikend is voor achtereenvolgens het uitbrengen van een advies en het nemen van een beslissing, verzoekt hij het verwerend orgaan tijdig de beslissing te verdagen.

  • 3.

    Van een besluit tot verdaging ontvangen de commissie en de belanghebbenden een afschrift.

Artikel 18 Vergoedingen voor de voorzitter en de leden

  • 1.

    De leden ontvangen per bijgewoonde vergadering van de commissie een vergoeding van 229,45 % van het bedrag, vermeld in tabel IV van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.

  • 2.

    De voorzitter, of het lid dat het (plaatsvervangend) voorzitterschap in een vergadering van de commissie vervult, ontvangt per bijgewoonde vergadering een vergoeding van 269,94 % van het bedrag, vermeld in tabel IV van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.

  • 3.

    De (plaatsvervangend) voorzitter en de leden ontvangen voor het bijwonen van een vergadering van de commissie een vergoeding van € 0,37 per kilometer voor de in redelijkheid gemaakte reiskosten op basis van de kortste route van het woonadres naar de vergaderplaats van de commissie.

Artikel 19 Omgang met persoonsgegevens

  • 1.

    De commissie verwerkt uitsluitend persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor het uitbrengen van een advies. Hierbij wordt de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht genomen ter bescherming van de privacy van direct betrokkenen.

  • 2.

    De commissie treft binnen de haar geboden organisatorische mogelijkheden afdoende maatregelen om persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking.

  • 3.

    Voor de commissie en de secretaris geldt de plicht tot geheimhouding van persoonsgegevens voor zover overdracht van informatie niet noodzakelijk is voor de uitoefening van de taak van de commissie.

  • 4.

    Wanneer de inhoud van bepaalde informatie uitsluitend ter kennisneming door de commissie dient te blijven wordt dit aan de commissie meegedeeld.

Artikel 20 Jaarverslag

  • 1.

    De commissie brengt jaarlijks aan de raad, het college en de burgemeester verslag uit van haar werkzaamheden in het voorafgaande kalenderjaar.

  • 2.

    In dat verslag worden in geanonimiseerde zin en met in achtneming van de ter zake geldende wettelijke bepalingen vermeld:

    • a.

      het aantal bezwaarschriften dat de commissie heeft ontvangen;

    • b.

      het aantal niet-ontvankelijk, (gedeeltelijk) gegronde en ongegronde bezwaarschriften;

    • c.

      de redenen van gegrond verklaarde bezwaarschriften;

    • d.

      overige relevante feiten en tendensen.

    • 3.

      In geval er een klacht is ingediend tegen de bezwaarschriftencommissie wordt dit in het jaarverslag vermeld.

Artikel 21 Intrekking oude regeling

De Verordening commissie bezwaarschriften, vastgesteld op 29 augustus 2002 en de Verordening regelende de vergoedingen van de voorzitter en de leden van de bezwaarschriftencommissie, vastgesteld op 24 september 1998 en nadien gewijzigd op 29 augustus 2002, worden ingetrokken met ingang van de dag waarop deze verordening in werking treedt.

Artikel 22 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na de datum van haar bekendmaking en heeft terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2012. In verband met de intrekking van de Verordening regelende de vergoedingen van de voorzitter en de leden van de bezwaarschriftencommissie tot en met

1 oktober 2011 heeft artikel 18 terugwerkende kracht tot die datum.

Artikel 23 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening commissie bezwaarschriften 2012.

Toelichting

behorende bij de verordening commissie bezwaarschriften 2012

I. Inleiding

  • -

    Externe commissie

  • -

    Bezwaarschriftencommissie als bestuursorgaan

  • -

    Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht (Awb)

  • -

    Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (Wdb)

II. Artikelsgewijze toelichting

  • -

    Algemene toelichting

  • -

    Toelichting op de artikelen 1 tot en met 23

I. Inleiding

Deze verordening geeft een uitwerking van de behandeling van bezwaarschriften door een externe adviescommissie zoals de gemeente Steenbergen die al jaren kent. Diverse wetstechnische en organisatorische ontwikkelingen maakten het noodzakelijk om de Verordening commissie bezwaarschriften, vastgesteld op 29 augustus 2002, te actualiseren. Gekozen is voor de vaststelling van een geheel nieuwe verordening.

Hiermee wordt niet alleen de meeste duidelijkheid geboden, maar het sluit ook aan bij het praktisch uitvoeren van de verplichting tot het (in geconsolideerde vorm) voor een ieder beschikbaar stellen van de teksten van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden (artikel 140, eerste lid 1, Gemeentewet). De wijzigingen ten opzichte van de Verordening commissie bezwaarschriften uit 2002 hebben betrekking op:

artikel 2, lid 2 onder c:

  • a)

    het uitzonderen van de bevoegdheid van de commissie m.b.t. de Leerplichtwet 1969; artikel 2, lid 2 onder d:

  • b)

    het uitzonderen van de bevoegdheid van de commissie m.b.t. wet en regelgeving die door de Intergemeentelijke sociale Dienst Brabantse Wal per 1 januari 2012 wordt uitgevoerd;artikel 2, lid 3:

  • c)

    het niet adviseren in geval van kennelijk niet-ontvankelijk en kennelijk ongegronde bezwaren; artikel 3, lid 1:

  • d)

    de minimale samenstelling van de commissie; artikel 4, lid 3:

  • de

    inhoudelijke verantwoordelijkheid van de secretaris aan de voorzitter en de leden; artikel 5, lid 1:

  • e)

    de mogelijkheid tot het voor onbepaalde tijd benoemen van de commissieleden; artikel 11:

  • f)

    de mogelijkheid tot het horen door de voorzitter en één lid van de hoorcommissie; artikel 13, lid 4:

  • g)

    het op eigen kosten gebruik maken van een tolk;artikel 18:

  • h)

    een herziening van de vergoedingenregeling voor de voorzitter en de leden;artikel19:

  • i)

    de wettelijke verantwoordelijkheid van de commissie voor de verwerking van persoonsgegevens.

De tekst van de verordening, inclusief de toelichting daarop is in de mannelijke vorm geschreven, maar wanneer dit van toepassing is kan tevens de vrouwelijke vorm worden gelezen.

Externe commissie

Wanneer er is gekozen voor een adviescommissie zijn de twee meest voorkomende vormen een commissie die volledig bestaat uit leden die geen deel uitmaken van en niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan of een gemengde commissie welke deels bestaat uit externen (waaronder de voorzitter) en deels uit internen.

Bij de beantwoording van de vraag voor welke samenstelling van de commissie wordt gekozen, moet voor ogen worden gehouden welk doel met de commissie wordt nagestreefd. In de eerste plaats moeten de personen die de commissie vormen in die mate vakkundig zijn dat er van de commissie goede adviezen te verwachten zijn. Hierbij kan gedacht worden aan personen die weten wat er speelt bij de desbetreffende overheid (oud-bestuurders), maar ook aan deskundigen op het gebied van geschillenbeslechting (juristen). De leden van de commissie moeten gevoel hebben voor politieke en bestuurlijke verhoudingen. De taak van de commissie is immers een bestuurlijke heroverweging, die naast de rechtmatigheidtoetsing toetsing van de doelmatigheid omvat.

Mogelijke voordelen externe commissie:

  • -

    De schijn van partijdigheid wordt vermeden;

  • -

    Ontlasting van de werkdruk van het bestuursorgaan;

  • -

    Kwalitatief: het betreft een zgn. comité van juridisch deskundigen.

Mogelijke nadelen externe commissie:

  • -

    Procedureel lijkt het voor de burger op een rechtsgang;

  • -

    Minder directe invloed op praktische oplossing in de voorprocedure.

Dit laatste kan worden ondervangen door de vertegenwoordiger van het verwerend orgaan op de hoorzitting voldoende te mandateren om toezeggingen te doen.

Aan het eerste kan worden tegemoet gekomen door een goede uitleg van de functie en (laagdrempelige) werkwijze commissie, bijvoorbeeld ten tijde van de uitnodiging door de secretaris.

Bezwaarschriftencommissie als bestuursorgaan

Sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, d.d. 19 maart 2003, LJN AF6023 is duidelijk dat de bezwaarschriftencommissie niet alleen een adviescommissie is, maar ook een bestuursorgaan. In deze Verordening zijn regels opgenomen met betrekking tot de adviestaak van de commissie.

De raad, het college en de burgemeester stellen de commissie in en hebben daarmee zeggenschap over de wijze waarop de commissie haar adviestaak uitoefent. Zo kunnen afspraken met de commissie worden gemaakt over de termijnen waarbinnen de bezwaarschriftencommissie advies uitbrengt. In het kader van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen is het van belang dat de commissie op tijd adviseert, zodat ook tijdig een beslissing op het bezwaar kan worden genomen.

De raad, het college en de burgemeester hebben geen zeggenschap over de uitoefening van de bevoegdheden door de commissie als bestuursorgaan.

Er zijn een aantal mogelijkheden denkbaar waarbij de commissie als bestuursorgaan optreedt. Dit is het geval als er een verzoek op grond van de Wet openbaarheid bestuur (Wob) of Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) wordt ingediend of indien er een klacht wordt ingediend.

Op grond van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuurorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuurorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

De commissie dient te beslissen op Wob-verzoeken om documenten die onder haar berusten. Het gaat dan om alle documenten die vanuit de commissie worden verzonden en om alle documenten die aan de commissie zijn gericht.

Ook is de bezwaarschriftencommissie verantwoordelijk voor de verwerking van persoonsgegevens in de zin van de Wbp. De verwerking van persoonsgegevens in het kader van de behandeling van bezwaarschriften vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de commissie. Voor het recht op inzage en het recht op verbetering, aanvulling, verwijdering en afscherming (artikel 35 en 36 Wbp) zal de belanghebbende zich tot de commissie moeten richten. Artikel 19 van deze verordening ziet toe op de bescherming van en omgang met persoonsgegevens door de bezwaarschriftencommissie. Bij deze wordt daarnaar verwezen.

Op basis van artikel 9:1 van de Awb kan een ieder een klacht indienen over de wijze waarop een bestuursorgaan of een onder de verantwoordelijkheid van dat orgaan werkzame persoon zich in een concrete situatie jegens de klager of iemand anders heeft gedragen. Dit betekent dat niet alleen klachten over de commissie als geheel, over een commissielid maar ook klachten over de secretaris moeten worden afgedaan door de commissie zelf. Eveneens kan een klacht over de commissie worden ingediend bij de Nationale ombudsman.

Het is mogelijk dat de commissie zelf een regeling opstelt voor de werkwijze en besluitvorming in die gevallen dat zij optreedt als bestuursorgaan. Omdat dit relatief weinig voorkomt is het ook mogelijk om tijdens een vergadering van de gehele commissie hierover afspraken te maken.

Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Op 1 juli 2009 trad de vierde tranche van de Awb in werking. Deze tranche beslaat 3 onderwerpen:

  • -

    algemene regels voor betaling en inning van schulden (bestuursrechtelijke geldschulden);

  • -

    bestuurlijke handhaving, in het bijzonder de bestuurlijke boete;

  • -

    attributie van bevoegdheden aan ambtenaren.

In de ledenbrief van 25 juni 2009 heeft de VNG de leden uitgebreid geïnformeerd over deze aanvulling op de Awb. Zie hiervoor de website www.vng.nl. De vierde tranche heeft verder weinig gevolgen voor de werkzaamheden van de bezwaarschriftencommissie.

Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (Wdb)

Op 1 oktober 2009 is de Wdb, onderdeel van de Awb, in werking getreden. Voor de commissie is deze wet op 2 punten van belang.

Allereerst is met de inwerkingtreding van de Wdb de beslistermijn voor een bezwaarschrift verruimd. De termijn begint nu niet meer te lopen vanaf het moment dat een bezwaar wordt ingediend maar vanaf het moment dat de bezwaartermijn van het besluit is afgelopen. Deze regeling ziet op die gevallen waarbij er meerdere bezwaren tegen een besluit worden ingediend, het is nu mogelijk om deze gelijk te behandelen. Voorheen was het mogelijk dat er ruim 5 weken zat tussen het eerste ingediende bezwaarschrift en het laatste waardoor het lastig was op tijd het eerste bezwaarschrift af te handelen.

Daarnaast is de beslistermijn indien er een commissie is, verlengd van 10 naar 12 weken en de mogelijkheid om te verdagen van 4 naar 6 weken.

Wordt er niet op tijd een besluit genomen door het bestuursorgaan dan is het mogelijk dat de bezwaarde een dwangsom aanvraagt. Dit proces wordt gestart door het sturen van een ingebrekestelling. Dan heeft het bestuursorgaan nog twee weken de tijd om het besluit te nemen. Gebeurt dit niet dan gaat automatisch de dwangsom lopen, per dag, met een maximum van 42 dagen wat staat voor een bedrag van € 1.260,-. Tegelijk met de ingebrekestelling kan er beroep worden ingesteld bij de rechter. De rechter kan ook een passende dwangsom opleggen.

De Wdb zorgt ervoor dat de (verwerende) bestuursorganen hun interne processen goed inrichten zodat op tijd besluiten genomen kunnen worden. De bezwaarcommissie maakt onderdeel uit van het proces om tot een beslissing op bezwaar te komen. Het ligt voor de hand dat er afspraken worden gemaakt tussen de (verwerende) bestuursorganen en de commissie.

Voor de commissie is het belangrijk dat zij zo snel mogelijk van de ambtelijke organisatie de dossiers behorende bij het bezwaarschrift ontvangen, voor het betreffende bestuursorgaan is het van belang dat de commissie rekening houdt met de vergadercyclus van bijvoorbeeld het college en dat adviezen op tijd worden aangeleverd.

II. Artikelsgewijze toelichting

Algemene toelichting

In de aanhef van de regelgeving is bepaald dat de bestuursorganen van de gemeente, de raad, het college en de burgemeester, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft, besluiten de verordening vast te stellen. Duidelijk is dat de raad de verordenende bevoegdheid heeft. Het college en de burgemeester hebben deze bevoegdheid niet, maar nemen hiermee het besluit tot het instellen van de commissie bezwaarschriften. Op deze manier is het mogelijk dat de bestuursorganen samen een en dezelfde commissie instellen om te adviseren op bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester. De ondertekening gebeurt eveneens door de drie bestuursorganen.

Toelichting op de artikelen 1 tot en met 23

Artikel 1 Begripsbepaling

Dit artikel spreekt voor zich. Er ontbreekt een omschrijving van het begrip 'bestuursorgaan' hoewel dat op meerdere plaatsen in de verordening voorkomt. Het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen, wordt in de verordening aangeduid als 'verwerend orgaan'. Dit kan de gemeenteraad betreffen, het college van burgemeester en wethouders, de burgemeester of een commissie waaraan via delegatie bepaalde bevoegdheden van de hiervoor genoemde bestuursorganen zijn overgedragen.

Artikel 2 Inleidende bepaling commissie

In de algemene toelichting is de keuze ver(ant)woord voor het horen en adviseren door een hoorcommissie. Deze commissie wordt via deze inleidende bepaling als zodanig geïntroduceerd. In artikel 1:5 van de Awb is omschreven wat onder het maken van bezwaar dient te worden verstaan.

In lid 2 is een bevoegdheidsafbakening opgenomen. Van de hier geboden mogelijkheid gebruik wordt gemaakt voor die bezwaarschriften die betrekking hebben op specifieke materie zoals personeels-, belasting- en WOZ-zaken. Over de twee laatstgenoemde zaken dient opgemerkt te worden dat de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de WOZ afwijkende of aanvullende bepalingen bevatten over beslistermijnen, het horen en de geheimhouding. In verband hiermee is gekozen voor uitzondering.

Op 1 januari 2012 is de Intergemeentelijke Sociale Dienst Brabantse Wal van start gegaan. De gemeente Bergen op Zoom voert met ingang van die dag de sociale zekerheidswetgeving uit namens de gemeente Steenbergen en de gemeente Woensdrecht. Deze uitvoering omvat ook de afhandeling van bezwaarschriften.

Het horen van bezwaarde(n) en het uitbrengen van advies aan het college bij alle bezwaarschriften ingediend door inwoners van de gemeenten Steenbergen en Woensdrecht en gericht tegen besluiten van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Brabantse Wal, geschiedt door de commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Bergen op Zoom. Daarom zijn de bevoegdheden ten aanzien van wet en regelgeving die vanaf die datum aan die hoorcommissie is opgedragen uitgezonderd.

De voorzitter kan op grond van artikel 9, lid 2 van deze verordening besluiten dat van het horen kan worden afgezien omdat een ingediend bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is. Er is dan in principe geen reden meer om de commissie te vragen het bestuursorgaan te adviseren over het bezwaarschrift. Aangezien het de rol van de commissie is om over alle bezwaren, behoudens de in lid 2 genoemde gevallen te adviseren, dient het derde lid er toe om ook hieromtrent een uitzondering te maken.

Artikel 3 Samenstelling van de commissie

Het eerste lid verwijst naar de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 7:13 van de Awb.

De wet stelt als minimale eisen aan de samenstelling van een adviescommissie:

  • 1.

    De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste 2 leden (artikel 7:13, eerste lid, onder a, van de Awb);

  • 2.

    De voorzitter maakt geen deel uit en is niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan (artikel 7:13, eerste lid, onder b, van de Awb).

In artikel 84, tweede lid, van de Gemeentewet is een uitzondering opgenomen voor bezwaar- en klachtcommissies voor wat betreft het uitgangspunt dat leden van de gemeenteraad geen lid mogen zijn van een door het college of de burgemeester ingestelde commissie.

Het is dus mogelijk dat een raadslid voorzitter of lid is van een bezwaarschriftencommissie. Wel staat dit ter discussie. In een dualistisch stelsel ligt het niet voor de hand dat een raadslid onderdeel uitmaakt van een adviescommissie welke voornamelijk adviseert over genomen collegebesluiten. Begin 2009 heeft de staatssecretaris van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de 'Staat van de dualisering' aan de Tweede Kamer aangeboden. Daarin wordt een stand van zaken geschetst rond het proces van dualisering in het lokaal bestuur. De staatssecretaris geeft hierin aan dat zij de mogelijkheid dat raadsleden lid kunnen zijn van een adviescommissie bezwaarschriften uit de Gemeentewet wil schrappen. De staatssecretaris vindt dit een onzuiver element in de verhouding tussen raad en college, omdat het geen raadswerk betreft. Raadsleden krijgen op deze manier indirect de kans om op de stoel van het bestuur te gaan zitten, terwijl de politieke verantwoording en controle via de raad hoort te lopen.

De VNG kan zich vinden in dit voorstel (VNG brief aan de Tweede Kamer, 24 februari 2009, ECGR/U200900348). Wanneer de voorstellen uit de 'Staat van de dualisering' als wetsvoorstel aan het parlement worden voorgelegd is op dit moment nog niet duidelijk.

Meer over dit onderwerp in De Gemeentestem, 2005, nr. 7226, het artikel “Raadsleden en bezwaar” door L.M. Koenraad en G.A.L. van Schijndel.

Door de bepaling in het tweede lid delegeert de raad de benoeming van commissieleden aan het college. Het college is hiermee ook het orgaan dat, indien nodig, het functioneren van de leden van de commissie evalueert. Indien een lid van de commissie niet naar behoren functioneert is het in eerste instantie de commissie die hierop actie zal ondernemen, het is immers een zelfstandig bestuursorgaan. De voorzitter zal hierbij een rol spelen. Mocht een commissielid niet zelf ontslag nemen dan is het uiteindelijk aan het college om op te treden. Het ligt voor de hand dat voordat een dergelijke stap wordt genomen er diverse gesprekken hebben plaatsgehad en dat er een dossier is gevormd. Bij de bevoegdheid van het college om een lid te schorsen kan gedacht worden aan een situatie waarbij het functioneren van een commissielid wordt onderzocht en deze, hangende het overleg hierover, wordt geschorst.

Op 22 juli 2009 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan inzake het ontslag door het college van leden van een bezwaarschriftencommissie, aanleiding was een vertrouwensbreuk (gepubliceerd in JB 2009, 216). Met name in de uitspraak van de Rechtbank, minder in die van de Afdeling, wordt ingegaan op de bevoegdheid van het college om leden van de bezwaarschriftencommissie te ontslaan wegens een vertrouwensbreuk.

De commissie heeft als adviseur in zekere mate een onafhankelijke rol ten opzichte van het college en daarom dient aan de commissie ruimte te worden gelaten om op verantwoorde wijze invulling aan haar onderzoeksbevoegdheden te geven. Het college mag daarom niet te lichtvaardig met de ontslagbevoegdheid omspringen omdat anders de schijn zou kunnen ontstaan dat een commissie(lid) aan de kant wordt geschoven vanwege een voor het bestuurorgaan onwelgevallig standpunt. Tegelijkertijd is de commissie een adviserend orgaan en ligt de eindverantwoordelijkheid voor de beslissing op het bezwaar bij het bestuursorgaan. In verband hiermee achtte de Rechtbank en ook de Afdeling het ontoelaatbaar dat de commissie het initiatief nam tot een bemiddelingspoging door een derde, terwijl verweerder al had laten blijken niets te voelen voor een dergelijke oplossing. Het feit dat de commissieleden voor onbepaalde tijd worden benoemd (zie artikel 5 van deze verordening) doet niet ter zake; indien sprake is van een vertrouwensbreuk is ontslag mogelijk.

In deze verordening is - net als in de vorige verordening - gekozen voor een externe commissie. Dit wordt tot uiting gebracht in het derde lid. Voor de duidelijkheid wordt hier aangegeven dat naast raads- en collegeleden ook medewerkers van de gemeente Steenbergen niet als commissielid kunnen worden benoemd.

Voor de samenstelling van een commissie voor bezwaarschriften ex artikel van de 7:13 van de Awb gelden niet de eisen van artikel 7:5 van de Awb (Raad van State 31 mei 1999, JG 1999/179).

Artikel 4 Secretaris

Hoewel in de Awb nergens over een secretaris wordt gesproken, is het gebruikelijk dat een commissie beschikt over een secretaris ter ondersteuning van de werkzaamheden.

Artikel 5 Zittingsduur

Deze bepaling is gewijzigd. In vorige verordening was bepaald dat de zittingsduur van de commissie gelijk liep met de zittingstermijn van de raad. Dat heeft alleen een functie als raadsleden lid van de commissie zijn. In de toelichting op artikel 3 is aangegeven dat dit, hoewel juridisch (nog) mogelijk, geen gewenste situatie is en dat daarvoor (dan ook) niet is gekozen. Thans is de zittingsduur in principe voor onbepaalde tijd. Hiermee wordt tevens bespaard op administratieve lasten en worden juridische risico’s als gevolg van een ‘vergeten’ herbenoeming voorkomen.

Een lid kan bij zijn ontslag zelf het tijdstip van dat ontslag bepalen. Het kan ook een later tijdstip kiezen om zodoende eventueel nog bij de afhandeling van lopende zaken betrokken te kunnen zijn. De bepaling van het derde lid is van orde. Een ontslagnemend lid kan niet gedwongen worden ook feitelijk de functie te blijven vervullen.

Artikel 6 Ingediend bezwaarschrift

Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 7 Uitoefening bevoegdheden

Ingevolge artikel 7:13 van de Awb beslist de commissie over de toepassing van artikel 7:4, zesde lid van de Awb, van artikel 7:5, tweede lid van de Awb, en, voor zover bij wettelijk voorschrift niet anders is bepaald, van artikel 7:3 van de Awb. Dit uitdrukkelijke voorschrift maakt het niet mogelijk dat deze bevoegdheid door de voorzitter (of een ander lid) van de commissie wordt uitgeoefend. De hiervoor aangehaalde bepalingen zijn in dit artikel dan ook niet genoemd.

Artikel 8 Vooronderzoek

Het spreekt voor zich dat de voorzitter van de commissie er zorg voor dient te dragen dat al het noodzakelijke wordt gedaan om de behandeling van het bezwaarschrift voldoende voor te bereiden. Dat geldt zowel intern bij de gemeente - hij krijgt de bevoegdheid alle gewenste inlichtingen in te winnen - als extern. Zo moet het mogelijk zijn om met de bezwaarde in contact te treden om nadere informatie in te winnen of bijvoorbeeld hem bij kennelijke niet-ontvankelijkheid in overweging te geven het bezwaarschrift in te trekken.

De activiteiten van de commissie of haar voorzitter bij de voorbereiding van de te behandelen zaken kunnen kosten met zich meebrengen. Daarbij vallen gewone en bijzondere kosten te onderscheiden. Bij gewone kosten valt te denken aan bijvoorbeeld de vergoedingen voor de leden. Het inschakelen van externe deskundigen zal bijzondere kosten met zich meebrengen. Deze kosten komen ten laste van de gemeentebegroting. Normaal gesproken is er in de begroting voorzien in de normale kosten van een commissie. Dat kan anders liggen als het om bijzondere kosten gaat.

Aangezien het college belast is met de uitvoering van de begroting, ligt het voor de hand dat bijzondere kosten niet gemaakt worden voordat het college de gelegenheid heeft gehad dit te toetsen aan een begrotingspost. Om deze reden is in onderhavige bepaling voor de kosten voor getuigen of deskundigen een machtiging vooraf geïntroduceerd. Uiteraard mag het niet zo zijn dat het college door zo'n toetsing het werk van de commissie frustreert en haar onafhankelijke positie daardoor aantast.

In dit verband verdient ook artikel 3:7 van de Awb aandacht. Daarin is bepaald dat het bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, al dan niet op verzoek, de gegevens ter beschikking stelt aan de adviseur die nodig zijn voor een goede vervulling van diens taak.

Uit de hier gebezigde formulering volgt dat het ter beoordeling van het bestuursorgaan blijft welke gegevens dat zullen zijn. Uit de aard van het advies van de commissie vloeit evenwel voort dat dit alle op de zaak betrekking hebbende gegevens zullen zijn. De commissie zal immers geen afgewogen oordeel kunnen uitbrengen indien gegevens worden achtergehouden.

Artikel 9 Hoorzitting

Artikel 7:3 van de Awb geeft aan in welke gevallen van het horen van belanghebbenden kan worden afgezien. Voor een ingediend bezwaarschrift is dat indien:

  • a.

    het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is;

  • b.

    het bezwaar kennelijk ongegrond is;

  • c.

    de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, of

  • d.

    aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.

Ad d.

Het ligt voor de hand dat indien het verwerend orgaan aan het bezwaar van appellant volledig tegemoet denkt te kunnen komen, het daarover met de voorzitter van de commissie contact opneemt. In dit verband wordt ook gewezen op artikel 6:18 en 6:19 van de Awb. In artikel 6:18 gaat het over het tijdens het aanhangig zijn van bezwaar intrekken of wijzigen van het bestreden besluit. In artikel 6:19 wordt bepaald dat indien een bestuursorgaan zo'n intrekkings- of wijzigingsbesluit heeft genomen, het bezwaar geacht wordt mede gericht te zijn tegen het nieuwe besluit tenzij dat besluit geheel tegemoetkomt aan het bezwaar.

De bevoegdheid om van het horen af te zien wordt door de verordening toegekend aan de voorzitter van de commissie. Deze beslissing is dus niet aan het bestuursorgaan dat het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat zou overigens ook niet mogelijk zijn, gelet op artikel 7:13, vierde lid, van de Awb waarin onder andere is bepaald dat de commissie, voor zover bij wettelijk voorschrift niet anders is bepaald, beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de Awb.

Het bepaalde in het derde lid spreekt voor zich. In het uiteindelijke besluit op het bezwaarschrift zal hier op teruggekomen moeten worden. Dat is noodzakelijk omdat ingevolge artikel 7:12 van de Awb bij de beslissing op een bezwaarschrift, indien van het horen is afgezien, aangegeven moet worden op welke grond dat is geschied.

Artikel 10 Uitnodiging zitting

Ingevolge het eerste lid van deze bepaling wordt ook het verwerend orgaan uitgenodigd voor de zitting. Het is van groot belang dat dit orgaan zich ook ter zitting laat vertegenwoordigen. Daarmee kan worden voorkomen dat er, vanwege de inbreng van bezwaarmaker, een eenzijdig beeld ontstaat. Voorts is het voor een externe commissie van groot belang om van bestuurlijke zijde te vernemen hoe een beslissing tot stand is gekomen. Anders kan het voor de commissie moeilijk worden om een goede afweging te maken.

Het verdient aanbeveling een termijn vast te stellen die ligt tussen de oproeping en de zitting zelf. In het algemeen moet gedacht worden aan een zodanige termijn dat de bezwaarde en de overige belanghebbenden voldoende gelegenheid krijgen om zich behoorlijk op de zitting voor te bereiden. Bezwaarden kunnen geattendeerd worden op de mogelijkheid om hun verweer op schrift te stellen dat bij het verslag wordt gevoegd. Gekozen is voor een termijn van twee weken.

Voorts is een regeling opgenomen over het desgevraagd wijzigen van het tijdstip van de zitting. Uitstel hoeft overigens niet altijd te worden verleend. Betrokkene dient wel tijdig uitsluitsel over zijn verzoek om uitstel te krijgen. Met de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen is het verstandig om indien een bezwaarde verzoekt om uitstel en hiermee ingestemd wordt, af te spreken dat daarmee de beslistermijn met eenzelfde periode wordt opgeschort, en dit op papier te bevestigen.

De toelichting op dit artikel van deze verordening is ook de plaats om te wijzen op het bepaalde in artikel 7:4 en 7:8 van de Awb. Het verdient aanbeveling om van de inhoud van deze artikelen bij de uitnodiging van de hoorzitting mededeling te doen.

Artikel 11 Quorum

Dit artikel spreekt voor zich. Standaard worden bezwaarmakers door de voorzitter en twee leden gehoord (de minimale samenstelling van de commissie ingevolge artikel 3, eerste lid, van deze verordening).

Er is geen wettelijk bezwaar tegen het horen in het kader van de bezwaarprocedure door de voorzitter en één lid van de adviescommissie, terwijl advisering door de voltallige commissie heeft plaatsgevonden (Raad van State 2 maart 2000, GS 2000/ 7119, 5). In de Gemeentestem 2008, nr. 101 is een artikel verschenen: “Horen en adviseren door een onvolledige bezwaarschriftencommissie” van mr. H. Piefers.

Artikel 12 Niet-deelneming aan de behandeling

Dit artikel behoeft geen toelichting. Zie ook artikel 2:4 van de Awb.

Ook al is de voorzitter formeel onafhankelijk, dan staat daarmee nog niet vast dat automatisch ook op inhoudelijk vlak van niet-vooringenomenheid sprake is (Rb. Leeuwarden 8 februari 1996, JB, 3 (1996), 100).

Artikel 13 Openbaarheid zitting

Ingevolge artikel 7:5, tweede lid, van de Awb besluit het bestuursorgaan, voor zover niet bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, of het horen in het openbaar plaatsvindt. In artikel 7:13, vierde lid, van de Awb wordt deze bevoegdheid aan de commissie toegekend.

In de onderhavig artikel is vastgelegd dat de hoorzitting in principe in het openbaar plaatsvindt. Uitzondering op deze regel blijft mogelijk, bijvoorbeeld indien bijzonder persoonlijke zaken van familiaire, medische of financiële aard of andere zaken met een vertrouwelijk karakter aan de orde komen.

Mogelijk zijn er meer onderwerpen te noemen waarbij zittingen nooit openbaar zijn, zoals bijvoorbeeld urgentieverklaringen op grond van de huisvestingsverordening, bepaalde aanvragen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning en bijvoorbeeld de prostitutiebepaling uit de Algemene plaatselijke verordening. Hiermee worden problemen voorkomen indien de commissie vergeet te besluiten tot een niet-openbare zitting.

De zitting dient te worden onderscheiden van de beraadslaging van de commissie, die ingevolge artikel 16 van deze verordening achter gesloten deuren plaatsheeft.

Artikel 14 Schriftelijke verslaglegging

Artikel 7:7 van de Awb vereist dat van het horen een verslag wordt gemaakt. De wijze waarop en de inhoudelijke vereisten aan het verslag worden niet door de Awb geregeld. Dit staat er overigens niet aan in de weg dat in de verordening een vaste procedure wordt opgenomen.

Het bepaalde in het eerste lid hoeft niet zo ver te strekken dat van al het aanwezige publiek naam en hoedanigheid wordt opgenomen. Wel zal uit het verslag duidelijk moeten blijken wie namens welke partij aanwezig was en wat door hen naar voren is gebracht.

Gezien de betekenis van de hoorzitting in het kader van de besluitvorming in de bezwaarschriftfase, ligt het voor de hand (hoewel niet voorgeschreven in de Awb) dat het verslag van de zitting uiterlijk gelijktijdig met de beslissing op het bezwaar aan belanghebbenden wordt toegezonden.

In de gemeente Steenbergen is het gebruikelijk dat de commissie het verslag aan belanghebbenden toezendt, op het moment dat het advies ter besluitvorming daarover aan het betrokken bestuursorgaan wordt voorgelegd, dat wil zeggen voordat de beslissing op bezwaar is geformuleerd.

Het verslag speelt ook een rol in de raadkamer en bij het advies. Als een lid afwezig is geweest bij het horen en de stemmen staken in de adviescommissie, dan hoeft bij de hernieuwde behandeling in de commissie niet opnieuw gehoord te worden (CRvB 2 april 1996, AB 1997/23).

Toezending van het advies aan belanghebbenden is ingevolge artikel 7:13, zevende lid, van de Awb alleen verplicht indien de beslissing op het bezwaarschrift afwijkt van het advies van de commissie. Het meezenden van het advies is derhalve een aangelegenheid van het betreffende bestuursorgaan. In de regel worden adviezen standaard door de bestuursorganen in de gemeente Steenbergen aan de belanghebbenden toegezonden.

Artikel 15 Nader onderzoek

Een nader onderzoek kan feiten of omstandigheden aan het licht brengen die op het moment van de zitting nog niet bekend waren. Dit kan aanleiding zijn om belanghebbenden en het verwerend orgaan opnieuw te horen. De onderhavige bepaling voorziet in de mogelijkheid de commissie te verzoeken daartoe een nieuwe zitting te houden. In artikel 7:9 van de Awb wordt bepaald dat indien het in het hier bedoelde geval feiten of omstandigheden betreft die voor de op bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden wordt meegedeeld en dat zij opnieuw in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord (rechtsbeginsel hoor en wederhoor). Is de nieuwe informatie niet van aanmerkelijk belang dan kan er voor gekozen worden om de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren. Na de hoorzitting gehouden telefoongesprekken kunnen gezien worden als nader onderzoek (Nationale ombudsman 9 juli 2001, AB 2001/263). Een zorgvuldige procedure houdt ook in dat het bestuursorgaan zich niet rechtstreeks tot de adviescommissie kan wenden zonder dat de andere belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunt dienaangaande kenbaar te maken (Rb. Rotterdam 10 november 1999, JB, 1999/311).

Artikel 16 Raadkamer en advies

Zie ook de toelichting bij artikel 13 van deze verordening. De hoorzitting is in principe openbaar; de hier bedoelde beraadslaging vindt achter gesloten deuren plaats.

Het horen kan plaatsvinden door een niet-voltallige commissie (zie artikel 11 van deze verordening); de advisering dient plaats te vinden door een commissie die voldoet aan de eisen van artikel 7:13, eerste lid, onder a, van de Awb. Hoe het advies tot stand komt, is niet voorgeschreven. Schriftelijke consultatie is mogelijk (CRvB 21 oktober 1999, AB 2000/42 en Rb. Haarlem 5 januari 2001, ongepubliceerd, zaaknummer Awb 00/8620 en 00/8621).

Advisering door de voorzitter en één lid van de hoorcommissie is in strijd met artikel 7:13, eerste lid, onder a, van de Awb (Raad van State 19 oktober 1998, JB 1998/257). Uit het derde lid van dit artikel (mogelijkheid voor de commissie om het horen op te dragen aan de voorzitter of een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan) volgt niet dat de gehele advisering kan worden opgedragen aan de voorzitter en één lid.

Een adviescommissie mag alleen adviseren: ze kan geen (gedelegeerde) beslisbevoegdheid krijgen, (Raad van State 6 januari 1997).

In 2002 is de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures in werking getreden. Deze wet bevat een regeling voor de vergoeding van de kosten die een belanghebbende maakt bij de behandeling van een door hem ingediend bezwaar- of administratief beroepschrift. De bepalingen zijn opgenomen in de artikelen 7:15, 7:28 en 8:75 van de Awb.

Een verzoek om vergoeding van de kosten moet worden gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Doorgaans zal een dergelijk verzoek in het bezwaarschrift of mondeling tijdens de hoorzitting worden gedaan. De bezwaarschriftencommissie adviseert over dit verzoek en zal aangeven of er recht is op een vergoeding. Zo ja, dan zal het bestuursorgaan de hoogte van het vergoedingsbedrag vaststellen op basis van (de bijlage bij) het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Artikel 17 Uitbrengen advies en verdaging

Volgens artikel 7:13, zesde lid van de Awb maakt in de bezwaarschriftprocedure het verslag van de hoorzitting deel uit van het advies van de commissie en wordt het schriftelijk uitgebracht.

De beslistermijn bedraagt ingevolge artikel 7:10 van de Awb 12 weken, behoudens in het geval van opschorting of met gebruikmaking van de mogelijkheid van verdaging. De onderhavige bepaling verlangt van de voorzitter van de commissie dat indien hij voorziet dat de termijn als hiervoor bedoeld niet wordt gehaald, hij tijdig het bestuursorgaan verzoekt de beslissing op het bezwaar te verdagen.

Het besluit tot verdaging is een beschikking. Ingevolge artikel 7:14 van de Awb zijn artikel 3:41 tot en met 3:45 van de Awb, die de wijze van bekendmaking en mededeling van besluiten regelen, in dit geval niet van toepassing. Artikel 3:40 van de Awb is wel van toepassing. Dit artikel bepaalt dat een besluit niet in werking treedt voordat het bekendgemaakt is. Het ligt voor de hand in verband hiermee ook belanghebbenden een afschrift van het verdagingbesluit toe te zenden.

afronding van de procedure

De verordening spitst zich toe op de behandeling van bezwaarschriften en eindigt er in feite mee dat door de commissie schriftelijk advies wordt uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te beslissen.

In artikel 7:11 van de Awb is geregeld wat er daarna dient te gebeuren. Indien het bezwaar ontvankelijk is, dient op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats te vinden. Is een bezwaarschrift niet ontvankelijk, dan wordt aan heroverweging niet toegekomen. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in plaats daarvan een nieuw besluit. Dit nieuwe besluit treedt daarmee in de plaats van het oorspronkelijke (bestreden) besluit.

Omdat in het verleden bestuursorganen nogal eens bij de beslissing op bezwaarschriften louter toetsten op rechtmatigheid is in het eerste lid van artikel 7:11 van de Awb vastgelegd dat het om een heroverweging gaat. Dat betekent dat de toetsing niet beperkt moet blijven tot vragen van rechtmatigheid, maar binnen de grenzen van de wet zich ook dient uit te strekken tot beleidsmatige en bestuurlijke aspecten.

De heroverweging dient ex nunc plaats te vinden, dat wil zeggen dat rekening moet worden gehouden met inmiddels gewijzigde feiten en omstandigheden. De feiten en omstandigheden van het moment waarop het nieuwe besluit wordt genomen zijn van belang.

Daarnaast dient de heroverweging op grondslag van het bezwaar te geschieden. Hieruit vloeit voort dat die onderdelen van het besluit die geheel los van de aangevoerde bezwaren staan, in beginsel buiten beschouwing blijven. Het bestuursorgaan zal daarbij de naar voren gebrachte bezwaren voldoende ruim naar hun strekking moeten opvatten. Indien bijvoorbeeld tijdens de hoorzitting blijkt dat deze, ondanks een beperkte omschrijving in het bezwaarschrift, ruimer bedoeld zijn, dan zal daarmee rekening moeten worden gehouden.

Verder is het de bedoeling van deze bepaling dat er geen verslechtering van de positie van degene die het bezwaarschrift indient tijdens de bezwaarschriftenprocedure mag optreden (verbod van reformatio in peius). Natuurlijk staat dit er niet aan in de weg dat als een derde bezwaar maakt tegen bijvoorbeeld een afgegeven vergunning, die bezwaren gehonoreerd kunnen worden. Dit is het wezen van de bezwaarschriftenprocedure en niet in strijd met genoemd beginsel.

In artikel 7:12 van de Awb is voorgeschreven dat de beslissing op het bezwaarschrift dient te berusten op een deugdelijke motivering die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij is het van belang dat indien van het advies van de commissie wordt afgeweken in de beslissing de reden van die afwijking wordt vermeld en het advies met de beslissing wordt meegezonden.

Tenslotte wordt verwezen naar artikel 6:23 van de Awb waarin wordt voorgeschreven dat indien beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing op het bezwaar, daarvan bij de bekendmaking van de beslissing melding wordt gemaakt. Daarbij moet worden aangegeven door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan beroep kan worden ingesteld.

Artikel 18 Vergoedingen voor de leden en de voorzitter

leden 1 en 2 het bijwonen van vergaderingen

Na de intrekking van de Verordening regelende de vergoedingen van de voorzitter en de leden van de bezwaarschriftencommissie is de juridische basis voor de vergoeding vastgelegd in deze verordening. De honorering per bijgewoonde vergadering is na 10 jaar opgetrokken tot het gemiddelde niveau. De in dit artikel genoemde vergoedingsbedragen gelden per vergadering van de commissie. Tijdens een vergadering zullen in de meeste gevallen meerdere hoorzittingen worden gehouden.

Voor elke wijziging van de vergoeding die de voorzitter en de leden ontvangen, was voorheen steeds een raadsbesluit tot wijziging van de verordening waarin dit was geregeld noodzakelijk. Thans is de vergoeding gekoppeld aan het bedrag als vermeld in tabel IV van het landelijke “Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden”. Het bedrag in deze tabel wordt periodiek door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkslocaties herzien (inflatiecorrectie). De hoogte van de vergoedingen worden in dit artikel uitgedrukt als vaste percentages van het maximale vergoedingsbedrag als vermeld in tabel IV van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. Hierdoor is er op dit punt geen directe aanleiding meer om de verordening periodiek aan te passen. In combinatie met het intrekken van de Verordening regelende de vergoedingen van de voorzitter en de leden van de bezwaarschriftencommissie leidt dit tot een verdere deregulering en administratieve lastenverlichting.

Deze maximale vergoeding van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden staat niet in een redelijke verhouding tot de zwaarte van taak en omvang van de door de leden en de voorzitter van de commissie te verrichten werkzaamheden. Nu artikel 15 van het “Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden” de mogelijkheid biedt om naar boven af te wijken van de bedragen genoemd in tabel IV van dat besluit is er voor gekozen om conform de met de leden en voorzitter van de commissie gemaakte afspraak met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2011 van die mogelijkheid gebruik te maken. Vanaf dat moment wordt per bijgewoonde vergadering aan de leden een vergoeding van € 170 (was € 110 sinds 2002) verstrekt en ontvangt de dienstdoende voorzitter een vergoeding van € 200 (was € 140 sinds 2002). Overigens heeft de Minister op 1 januari 2012 het maximale bedrag voor de gemeentecategorie waaronder Steenbergen valt, ongewijzigd gelaten.

De vergoeding is een bruto bedrag waarover in beginsel belasting moet worden betaald. Of en hoeveel belasting er verschuldigd is hangt mede af van de persoonlijke situatie van de betrokkene. De gemeente is verplicht jaarlijks in januari aan de Belastingdienst een opgave te doen van alle aan personen verrichte betalingen in het voorafgaande jaar; de zogenaamde opgave IB 47. Deze opgave kan achterwege blijven als een betrokkene door de Belastingdienst als ondernemer wordt beschouwd. De voorzitter en de leden zijn zelf verantwoordelijk voor het doen van een juiste aangifte aan de Belastingdienst (zie evenzo ook onder de toelichting bij lid 3).

lid 3 gemaakte kosten

De in redelijkheid gemaakte reiskosten op basis van de kortste route van het woonadres naar de vergaderplaats van de commissie worden vergoed op de in dit artikel omschreven wijze. Niet van belang is of ter overbrugging van de reisafstand gebruik wordt gemaakt van een eigen vervoermiddel zoals een auto of een (motor)fiets of van een openbaar middel van vervoer.

De reiskostenvergoeding is een bruto bedrag. Per zakelijk gereisde kilometer mag op grond van de thans geldende belastingwetgeving een bedrag van € 0,19 onbelast worden verstrekt. Als een vergoeding meer dan € 0,19 per kilometer is, wordt het meerdere door de Belastingdienst als een belastbaar inkomensgedeelte beschouwd, waarover loonheffing verschuldigd is.

De voorzitter en de leden zijn zelf verantwoordelijk voor het aan de Belastingdienst opgeven van het deel van de reiskostenvergoeding, hoger dan het ingevolge de belastingwetgeving onbelast vergoedingsgedeelte.

delegatie vaststelling vergoedingen bezwaarschriftencommissie

De Gemeentewet stelt in artikel 96 dat de vergoedingen voor de leden van een commissie bij raadsverordening moeten worden vastgesteld. Bedoeld is daarmee in de besluitvorming over dit soort regelingen zoveel mogelijk garanties in te bouwen voor een zorgvuldige voorbereiding en besluitvorming. In het kader van de dualisering in 2002 is bij wet expliciet besloten alle geldelijke voorzieningen te laten vaststellen door de raad, mede vanwege het niet overdraagbare budgetrecht van de raad. Dit laat weinig tot geen ruimte voor delegatie van de betreffende bevoegdheden (artikel 156 van de Gemeentewet) vanwege de aard daarvan.

Artikel 19 Omgang met persoonsgegevens

Dit artikel spreekt voor zich. Verwezen wordt naar de algemene toelichting onder het kopje ‘bestuursorgaan’.

Artikel 20 Jaarverslag

De bezwaarschriftencommissie brengt jaarlijks verslag uit aan de raad, het college en de burgemeester over haar werkzaamheden. De invulling van dit verslag is in principe aan de commissie gelaten. Naast de in het artikel genoemde kan zo ook aandacht worden geschonken of het bestuursorgaan contrair heeft besloten, in welke gevallen beroep werd ingediend en wat de uitkomst van dit beroep is.

In geval er een klacht is ingediend tegen de bezwaarschriftencommissie wordt dit in het jaarverslag vermeld.

Het jaarverslag is ook een instrument voor de commissie om aan de bestuursorganen adviezen te geven over de verbeterpunten op het gebied van juridische kwaliteit.

Artikel 21 Intrekking oude regeling

Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 22 Inwerkingtreding

In artikel 139 tot en met 144 Gemeentewet zijn de bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden geregeld. Besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden, verbinden niet dan wanneer ze bekendgemaakt zijn. Bij gebreke van een gemeenteblad wordt de verordening overeenkomstig het bepaalde in artikel 139, tweede lid, onder b, van de Gemeentewet bekendgemaakt door deze gedurende 12 weken ter inzage te leggen op het gemeentehuis en door het doen van mededeling daarvan in een plaatselijk verschijnend dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad.

Artikel 23 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening commissie bezwaarschriften 2012.