gemeente Steenbergen | Verordening langdurigheidstoeslag wet werk en bijstand

Regeling Verordening langdurigheidstoeslag wet werk en bijstand

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

  • Datum inwerking-treding 01-03-2009
  • Terugwerkende kracht t/m 01-01-2009
  • Datum uitwerking-treding 01-01-2012
  • Betreft Onbekend.
  • Datum ondertekening 05-03-2009
  • Bron bekendmaking -
  • Kenmerk voorstel 8a

Inleiding

De raad der gemeente Steenbergen;

in behandeling genomen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 19 januari 2009

gelet op op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel d en 36 van de Wet werk en bijstand,

overwegende, dat het noodzakelijk is het verstrekken van een langdurigheidstoeslag aan personen van 21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar bij verordening te regelen;

besluit:

vast te stellen de Verordening langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand 2009,

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

Artikel 1 Begrippen

  • 1.

    Alle begrippen, die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2.

    In deze verordening wordt verstaan:

    • a.

      de Wet: de Wet werk en bijstand (WWB);

    • b.

      college: het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen;

    • c.

      bijstandsnorm: de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5c van de wet;

    • d.

      peildatum: de datum waarop in enig jaar recht op de langdurigheidstoeslag ontstaat;

    • e.

      referteperiode: 36 maanden onmiddellijk voorafgaande aan de peildatum

    • f.

      inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet, met dien verstande dat voor de zinsnede”een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan” moet worden gelezen als “referteperiode”, waarbij een bijstandsuitkering, in afwijking van artikel 32 van de wet, voor de beoordeling van het recht op langdurigheidstoeslag als inkomen wordt gezien;

    • g.

      vermogen: vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet;

    • h.

      minimumloon: het bruto minimumloon als bedoeld in artikel 8, lid 1, sub a. van de Wet minimumloon en minimumvakantietoeslag;

    • i.

      langdurigheidstoeslag: de toeslag, zoals bedoeld in artikel 36 van de wet.

Hoofdstuk II Voorwaarden

Artikel 2 Doelgroep

  • 1.

    Tot de doelgroep van deze regeling behoren personen van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, die langdurig een laag inkomen hebben en geen in aanmerking te nemen vermogen hebben en geen uitzicht hebben op inkomensverbetering. Het leeftijdscriterium bij gehuwden geldt voor beiden.

  • 2.

    Geen recht op de langdurigheidstoeslag hebben personen, die: op de peildatum of in de referteperiode een uitkering op grond van de Wet op de Studiefinanciering 2000 of de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten (WTOS) hebben genoten, zij worden wel geacht uitzicht op inkomensverbetering te hebben.

  • 3.

    Geen ambtshalve verstrekking. In de wet wordt bepaald dat het college de toeslag op aanvraag verstrekt. Dit sluit de mogelijkheid om ambtshalve toeslagen te verstrekken, uit.

Artikel 3 Langdurig laag inkomen

  • 1.

    Als laag inkomen, in de zin van artikel 36 van de wet wordt aangemerkt een inkomen per maand, dat gedurende de referteperiode gemiddeld niet meer bedraagt dan 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm;

  • 2.

    Ten aanzien van de periode waarin belanghebbende is uitgesloten van het recht op uitkering wordt belanghebbende, voor de toepassing van het eerste lid, geacht tenminste een inkomen te hebben ter hoogte van 100% van de bijstandsnorm;

  • 3.

    Ten aanzien van de perioden waarin bij gehuwden één echtgenoot is uitgesloten van het recht op bijstand worden zij voor de toepassing van het eerste lid geacht tenminste een inkomen te hebben, gelijk aan 100% van de gehuwdennorm, waarbij voor “bijstandsnorm” gelezen moet worden “gehuwdennorm”.

Artikel 4 Hoogte langdurigheidstoeslag

  • 1.

    De hoogte van de langdurigheidstoeslag is afhankelijk van de gezinssituatie op de peildatum;

  • 2.

    De langdurigheidstoeslag bedraagt per jaar, i.c. 2009:

    • a.

      voor gehuwden, als bedoeld in artikel 4, sub c. van de wet een bedrag van € 498,--;

    • b.

      voor een alleenstaande ouder, als bedoeld in artikel 4, sub b. van de wet, een bedrag van € 477,-- ;

    • c.

      voor een alleenstaande, als bedoeld in artikel 4, sub a. van de wet, een bedrag van € 349,--;

  • 3.

    Indien één van de gehuwden op de peildatum is uitgesloten van het recht op een langdurigheidstoeslag ingevolge artikel 11 of artikel 13 lid 1 van de wet komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een langdurigheidstoeslag naar de hoogte die voor hem of haar als alleenstaande of als alleenstaande ouder zou gelden;

  • 4.

    De in lid 2 genoemde bedragen worden elk jaar per 1 januari aangepast met het percentage waarmee het minimumloon ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar is verhoogd.

Hoofdstuk III Slotbepalingen

Artikel 5 Onvoorziene situaties

In situaties, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college, zonodig kan het college nadere beleidsregels vaststellen ter uitvoering van deze verordening.

Artikel 6 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand 2009.

Artikel 7 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 maart 2009, met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2009.

Artikelsgewijze toelichting Verordening Langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand 2009

Artikel 1. Begripsomschrijving

In dit artikel worden definities gegeven van begrippen, die in de verordening voorkomen en waarvan het van belang is dat er telkens hetzelfde onder wordt verstaan. In een aantal gevallen wordt verwezen naar de definities in de wet om ervoor te zorgen dat er zoveel mogelijk aansluiting blijft bij de wetgeving, die van toepassing is.

Gekozen is om de referteperiode vast te stellen op 36 maanden, voorafgaand aan de peildatum. Hiermee is meteen invulling gegeven aan het begrip ‘langdurig’. Dus over de duur van de referteperiode wordt bepaald of iemand langdurig een laag inkomen heeft.

In de verordening wordt het begrip belanghebbende gebruikt. Dit begrip wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht omschreven als degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Artikel 2. Doelgroep

Lid 1

De doelgroep is in feite iedereen die aan de criteria van deze verordening voldoet.

Lid 2

Door de zinsnede ”geen uitzicht heeft op inkomensverbetering” wordt gewaarborgd dat bepaalde groepen met een goed arbeidsmarktperspectief niet in aanmerking komen voor de langdurigheidstoeslag.

Van studenten wordt per definitie gesteld dat zij arbeidsmarktperspectief hebben. Om te voorkomen dat degene met een baan met een minimuminkomen, die zijn positie middels avondstudie probeert te verbeteren, niet in aanmerking zou komen, is bepalend of de studerende in de referteperiode studiefinanciering heeft genoten. Studiefinanciering is immers alleen mogelijk bij een dagstudie en bij studenten beneden een bepaalde leeftijd.

Artikel 3. Langdurig laag inkomen

Zoals eerder gesteld, wordt onder langdurig verstaan een termijn van 36 maanden. Onder de oude regeling was de referteperiode vijf jaar, hetgeen als te lang werd ervaren. Nadat belanghebbende drie jaar op een minimuminkomen is aangewezen, is er over het algemeen niet veel reserveringsruimte meer over.

Onder een laag inkomen wordt verstaan een inkomen dat gemiddeld niet hoger is dan 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief de gemeentelijke toeslag of verlaging en de vakantietoeslag. Marginale overschrijdingen van deze 100% grens dienen genegeerd te worden (uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 augustus 2008, nummer LJN: BE8918).

Er is bewust niet gekozen om het recht op de langdurigheidstoeslag ook toe te kennen aan belanghebbenden met een inkomen boven bijstandsniveau. Het in aanmerking laten komen van belanghebbenden met een hoger inkomen van bijvoorbeeld 110% van de bijstandsnorm valt niet te rijmen met de wettelijke uitsluiting van belanghebbenden van 65 jaar en ouder. Zij zijn immers uitgesloten van het recht op een langdurigheidstoeslag, omdat het inkomen al voldoende hoger zou zijn dan de bijstandsnorm voor belanghebbenden jonger dan 65 jaar.

Afhankelijk van de gezinssituatie bedraagt het verschil maar ongeveer 5%. Het hanteren van een grens van 110% zou daarom maken dat de uitsluiting van 65-plussers in dat geval strijdig is met het verbod op leeftijdsdiscriminatie, zoals dat is vastgelegd in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten.

Artikel 4. Hoogte van de langdurigheidstoeslag

Lid 1

Gelijk aan de oude wetgeving is de hoogte van de langdurigheidstoeslag afhankelijk van de gezinssituatie.

Lid 2

De bedragen zijn overgenomen uit de verzamelbrief van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waarin de bijstandsbedragen per 1 januari 2009, zijn vermeld.

Lid 3

In dit lid wordt een regeling getroffen overeenkomstig artikel 24 WWB voor situaties waarin bij gehuwden één van beide partners is uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag op grond van artikel 11 of artikel 13, lid 1 WWB.

De wet voorziet immers niet in een afwijzingsgrond voor de rechthebbende echtgenoot, terwijl daarentegen het toekennen van het bedrag voor gehuwden in dergelijke situaties ook niet opportuun is.

Met nadruk wordt erop gewezen, dat het hier betreft een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 11 of artikel 13, lid 1 WWB. Indien één van beide gehuwden niet in aanmerking komt voor het recht op langdurigheidstoeslag wegens het niet voldoen aan de voorwaarden als genoemd in artikel 36 van de wet of deze verordening, hebben beide partners geen recht op langdurigheidstoeslag. Het recht op langdurigheidstoeslag komt gehuwden immers gezamenlijk toe.

Zij moeten daarom ook allebei, zowel afzonderlijk als gezamenlijk aan de voorwaarden voldoen.

Lid 4

Om niet jaarlijks de verordening voor de bedragen te hoeven aanpassen is gekozen om de hoogte jaarlijks automatisch mee te laten bewegen met het minimumloon waaraan ook de bijstandsnormen zijn gekoppeld. Omdat de bijstandsnormen in beginsel twee maal per jaar worden geïndexeerd en de langdurigheidstoeslag slechts éénmaal, wordt steeds een vergelijking gemaakt met de langdurigheidstoeslag per 1 januari van het voorafgaande jaar.

Artikel 5. Onvoorziene situaties

Ten behoeve van de uitvoering van de verordening kan het college zonodig nadere beleidsregels vaststellen.

Artikel 6. Citeertitel

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 7. Ingangsdatum

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.