gemeente Steenbergen | Verordening langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand 2013

Regeling Verordening langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand 2013

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

  • Datum inwerking-treding 01-07-2013
  • Terugwerkende kracht t/m
  • Datum uitwerking-treding 01-01-2015
  • Betreft nieuwe regeling
  • Datum ondertekening 30-05-2013
  • Bron bekendmaking Steenbergsebode
  • Kenmerk voorstel BM1300664

Inleiding

De raad van de gemeente Steenbergen;

In behandeling genomen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 23 april 2013

Gelet op: artikel 147 Gemeentewet en artikel 8, lid 1, sub d, en lid 2, sub b, juncto artikel 36 van de Wet werk en bijstand; overwegende dat de Verordening langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand 2012 aanpassing behoeft;

besluit:

de Verordening langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand 2013 vast te stellen.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.

  • 1.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2.

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen;

    • b.

      de wet: de Wet werk en bijstand;

    • c.
      • -

        alleenstaande: een alleenstaande als bedoeld in artikel 4, lid 1, sub a, van de wet;

      • -

        alleenstaande ouder: een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, lid 1, sub b, van de wet;

      • -

        gehuwden: gehuwden als bedoeld in artikel 3 van de wet;

    • d.

      bijstandsnorm: de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, sub c, van de wet;

    • e.

      referteperiode: als ingezetene van Nederland een periode van 3 kalenderjaren onmiddellijk voorafgaand aan het jaar van de aanvraag;

    • f.

      inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet, met dien verstande dat voor de zinsnede “een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan” moet worden gelezen als “de referteperiode”, waarbij een bijstandsuitkering, in afwijking van artikel 32 van de wet, voor de beoordeling van het recht op langdurigheidstoeslag als inkomen wordtgezien;

    • g.

      vermogen: het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet op de aanvraagdatum;

    • h.

      minimumloon: het bruto minimumloon als bedoeld in artikel 8, lid 1, sub a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.

Hoofdstuk 2. Voorwaarden

Artikel 2.

  • 1.

    Tot de doelgroep van de langdurigheidstoeslag behoren personen van 21 jaar en ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd met langdurig een laag inkomen, geen in aanmerking te nemen vermogen en geen uitzicht op inkomensverbetering.

  • 2.
    • a.

      Personen, die in de referteperiode een uitkering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten hebben genoten, worden geacht uitzicht op inkomensverbetering te hebben en komen niet voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking.

    • b.

      Personen die in de referteperiode langer dan 180 dagen rechtens van hun vrijheid beroofd zijn geweest, hebben eveneens geen recht op een langdurigheidstoeslag.

  • 3.

    De criteria als vermeld in lid 1 en lid 2 alsmede die in artikel 1, lid 2, sub e, gelden bij gehuwden voor beiden.

Artikel 3.

Onder langdurig een laag inkomen wordt verstaan een gemiddeld inkomen per maand dat gedurende de referteperiode niet uitkomt boven 100% van de geldende bijstandsnorm.

Artikel 4.

  • 1.

    De hoogte van de langdurigheidstoeslag is afhankelijk van de gezinssituatie op de aanvraagdatum.

  • 2.

    De toeslag bedraagt:

    • -

      voor een alleenstaande € 367,00 per jaar;

    • -

      voor een alleenstaande ouder € 470,00 per jaar;

    • -

      voor gehuwden € 524,00 per jaar.

  • 3.

    Indien één van de gehuwden op de aanvraagdatum is uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag ingevolge artikel 11 of artikel 13, lid 1, van de wet komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een langdurigheidstoeslag naar de hoogte die voor hem of haar als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.

  • 4.

    De in lid 2 genoemde bedragen worden elk jaar per 1 januari aangepast met het percentage waarmee het minimumloon ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar is gestegen.

Hoofdstuk 3. Slotbepalingen

Artikel 5.

Door of namens het college van burgemeester en wethouders kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belang-hebbende worden afgeweken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing hiervan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 6.

Deze verordening kan worden aangehaald als ”Verordening langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand 2013”.

Artikel 7.

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2013.

Artikel 8.

De “Verordening langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand 2012”, vastgesteld in de openbare vergadering van XX december 2011, alsmede de “Verordening tot 1e wijziging van de Verordening langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand 2012”, vastgesteld in de openbare vergadering van XX september 2012, vervallen op 1 juli 2013.

Artikelgewijze toelichting

Artikel 1.

In dit artikel worden definities gegeven van begrippen die in de verordening voorkomen en waarvan het van belang is dat er telkens hetzelfde onder wordt verstaan. In een aantal gevallen wordt verwezen naar definities in de wet om ervoor te zorgen, dat er zoveel mogelijk aansluiting blijft bij de wetgeving die van toepassing is.

Bij de invulling van het begrip ”langdurig” is om praktische redenen gekozen de referteperiode voortaan vast te stellen op 3 kalenderjaren onmiddellijk voorafgaand aan het jaar van de aanvraag. Voorts dient er tijdens de referteperiode een band met Nederland te zijn. De belanghebbende dient dan ook tijdens de gehele referteperiode woonachtig te zijn geweest in Nederland. De inschrijving als zodanig in de Gemeentelijke Basisadministratie is hierbij leidend.

In de verordening wordt het begrip belanghebbende gebruikt. Dit begrip wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht omschreven als degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Artikel 2.

Lid 1

De doelgroep is in feite iedereen die aan de criteria voldoet welke in deze verordening nader zijn ingevuld.

Lid 2

Door de zinsnede ”geen uitzicht heeft op inkomensverbetering” wordt gewaarborgd dat bepaalde groepen met een goed arbeidsmarktperspectief niet in aanmerking komen voor de langdurigheidstoeslag. Bij studenten wordt ervan uitgegaan, dat zij arbeidsmarktperspectief hebben.

Om te voorkomen dat degene met een baan en een minimuminkomen hieruit, die zijn inkomenspositie middels avondstudie probeert te verbeteren, niet in aanmerking zou komen, is bepalend of de studerende in de referteperiode studiefinanciering heeft genoten. Studiefinanciering is immers alleen mogelijk bij een dagstudie en bij studenten beneden een bepaalde leeftijd.

De langdurigheidstoeslag is een bijzondere vorm van categoriale bijstand. Hierin ligt besloten, dat de gemeente binnen de grenzen van een redelijke beleidstoepassing nadere regels mag stellen. Het is dan ook niet onredelijk een lange periode van detentie aan te merken als een relevante omstandigheid voor het recht op een langdurigheidstoeslag. De detentieperiode hoeft niet aaneengesloten te zijn.

Artikel 3.

Zoals eerder gesteld, wordt onder langdurig verstaan een termijn van 3 kalenderjaren. Nadat betrokkene 3 jaar op een minimum inkomen is aangewezen, is er over het algemeen niet veel reserveringsruimte over.

Onder een laag inkomen wordt verstaan een (gezamenlijk) inkomen dat gemiddeld niet hoger is dan 100 % van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm inclusief de gemeentelijke toeslag of verlaging en de vakantietoeslag. Marginale overschrijdingen van deze 100 % grens als gevolg van een belastingtechnisch verschil in de berekenings-wijze van het bruto/netto traject bij een inkomensvoorziening op minimumniveau dienen genegeerd te worden (zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep d.d. 19 aug. 2008, LJN: BE8918 en d.d. 15 febr. 2011, LJN: BP5532). Het enkele feit dat het netto inkomen van een belanghebbende met een inkomensvoorziening op minimumniveau, in bepaalde maanden binnen de referteperiode - uitsluitend als gevolg van een technisch verschil in de berekeningswijze in het bruto/netto traject - enkele euro's hoger uitvalt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm, staat toekenning van een langdurigheidstoeslag niet in de weg.

Er is bewust niet gekozen om het recht op de langdurigheidstoeslag ook toe te kennen bij een inkomen boven bijstandsniveau. Het in aanmerking laten komen van belanghebbenden met een hoger inkomen van bijvoorbeeld 110 % van de bijstandsnorm valt niet te rijmen met de wettelijke uitsluiting van degenen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. Zij zijn immers uitgesloten van het recht op een langdurigheidstoeslag, omdat het inkomen al voldoende hoger zou zijn dan de bijstandsnorm voor belanghebbenden jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. Afhankelijk van de gezinssituatie bedraagt het verschil tussen 5% en 10%. Onze gemeente kent geen categoriale bijzondere bijstandsregeling voor gepensioneerden als bedoeld in artikel 35, lid 3, van de Wet werk en bijstand. Het hanteren van een grens van 110 % zou daarom maken dat de uitsluiting van gepensioneerden in dit geval strijdig is met het verbod op leeftijdsdiscriminatie, zoals dat is vastgelegd in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten.

Artikel 4.

Lid 1

De hoogte van de langdurigheidstoeslag is afhankelijk van de gezinssituatie.

Lid 2

De bedragen zijn destijds afgeleid van de normenbrief van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met de bijstandsbedragen. Vóór de decentralisatie van de langdurigheidstoeslag op 1 januari 2009 werd de hoogte hiervan bepaald door de rijksoverheid.

Lid 3

Indien één van beide gehuwden niet in aanmerking komt voor het recht op een langdurigheidstoeslag wegens het niet voldoen aan de voorwaarden als genoemd in artikel 36 van de wet of deze verordening, hebben beide partners geen recht op een langdurigheidstoeslag. Het recht op een langdurigheidstoeslag komt gehuwden immers gezamenlijk toe. Zij moeten daarom ook allebei, zowel afzonderlijk als gezamenlijk aan de voorwaarden voldoen.

In dit lid wordt een regeling getroffen overeenkomstig artikel 24 van de Wet werk en bijstand voor situaties waarin bij gehuwden één van beide partners is uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag op grond van artikel 11 of artikel 13, lid 1, van de Wet werk en bijstand. De wet voorziet immers niet in een afwijzingsgrond voor het enig overblijvend rechthebbend gezinslid, terwijl daarentegen het toekennen van het bedrag voor een gezin in dergelijke situaties ook niet opportuun is. Met nadruk wordt erop gewezen, dat het hier betreft een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 11 of artikel 13, lid 1, van de Wet werk en bijstand.

Lid 4

Om niet jaarlijks de verordening voor de bedragen te hoeven aanpassen is gekozen om de hoogte jaarlijks automatisch mee te laten bewegen met het minimumloon waaraan ook de bijstandsnormen zijn gekoppeld. Omdat de bijstands-normen in beginsel twee maal per jaar worden geïndexeerd en de langdurigheidstoeslag slechts éénmaal, wordt steeds een vergelijking gemaakt met de langdurigheidstoeslag per 1 januari van het voorafgaande jaar.

Artikel 5.

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 6.

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 7.

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 8.

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.