gemeente Steenbergen | Verordening op de heffing en de invordering van baatbelasting riolering Nieuw-Vossemeersedijk

Regeling Verordening op de heffing en de invordering van baatbelasting riolering Nieuw-Vossemeersedijk

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

  • Datum inwerking-treding 28-06-2008
  • Terugwerkende kracht t/m
  • Datum uitwerking-treding
  • Betreft nieuwe regeling
  • Datum ondertekening 19-06-2008
  • Bron bekendmaking SC 20-06-2008
  • Kenmerk voorstel 7h

Inleiding

De raad der gemeente Steenbergen;

in behandeling genomen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 27 mei 2008

gelet op de artikelen 216 en 222 van de Gemeentewet en het "Aangevuld bekostigingsbesluit aanleg riolering Nieuw-Vossemeersedijk" vastgesteld bij raadsbesluit van 23 februari 2006;

besluit:

vast te stellen de volgende verordening:

Verordening op de heffing en de invordering van baatbelasting riolering Nieuw-Vossemeersedijk

artikel 1. Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

  • 1.

    een onroerende zaak:

    • a.

      een gebouwd eigendom;

    • b.

      een ongebouwd eigendom;

    • c.

      een samenstel van twee of meer aangrenzende gebouwde en/of ongebouwde eigendommen die naar omstandigheden beoordeeld bij elkaar behoren.

  • 2.

    het bestemmingsplan:

    • a.

      het bestemmingsplan Kom Nieuw-Vossemeer, vastgesteld door de raad van de gemeente Steenbergen in zijn vergadering van 28 augustus 1997 en door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant gedeeltelijk goedgekeurd op 24 maart 1998, nummer 185628, en onherroepelijk geworden bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak d.d. 1 juli 1999, nr. E01980394/1/G1I;

    • b.

      het bestemmingsplan Buitengebied, vastgesteld door de raad van de gemeente Steenbergen in zijn vergadering van 19 december 1996 en door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant goedgekeurd op 7 mei 1997, nummer 172491, door de Afdeling bestuursrechtspraak gedeeltelijk vernietigd en vervolgens door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant voorzien van een nieuwe beslissing bij hun besluit van 7 december 1999.

  • 3.

    bestemming: de voor een onroerende zaak van toepassing zijnde bestemming op grond van het bestemmingsplan.

  • 4.

    vrijstelling Wonen: bouwmogelijkheid voor het oprichten van een woning op grond van een vrijstelling van een bestemmingsplan op basis van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, die op de peildatum is verleend.

  • 5.

    peildatum: de in artikel 222, derde lid van de Gemeentewet bedoelde peildatum voor de baatbepaling, i.c. 1 juli 2007.

  • 6.

    oppervlakte: het aantal volle vierkante meters van een onroerende zaak, voor zover deze vierkante meters zijn gelegen in een bestemming.

artikel 2. Belastbaar feit

  • 1.

    Onder de naam "baatbelasting riolering Nieuw-Vossemeersedijk" wordt in de vorm van een heffing-ineens een directe belasting geheven ter zake van de onroerende zaken gelegen in de gemeente binnen de rode omlijning op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart, waarop op de peildatum van toepassing is een bestemming of vrijstelling Wonen als vermeld in artikel 5, en die op de peildatum zijn gebaat door de in lid 2 genoemde voorzieningen die tot stand zijn of worden gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur.

  • 2.

    De in lid 1 bedoelde voorzieningen omvatten:

    • a.

      het verwerven dan wel beschikbaar stellen van de ondergrond van de aan te leggen riolering;

    • b.

      het verrichten van graafwerkzaamheden;

    • c.

      het leggen van leidingen;

    • d.

      het plaatsen van pompgemalen en putten;

    • e.

      het leveren en installeren van gemalen, voedingskasten, storingssignalering;

    • f.

      het verrichten van overige werken en werkzaamheden voor de onderdelen a t/m e.

artikel 3. Belastingplicht

  • 1.

    De belasting wordt geheven van degene die van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 2.1, het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

  • 2.

    Voor de toepassing van lid 1 wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die op het tijdstip van ingang van de heffing dan wel indien de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse belasting, bij de aanvang van het belastingjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

  • 3.

    Indien de lasten die zijn verbonden aan de voorzieningen genoemd in artikel 2.2 ter zake van een onroerende zaak krachtens overeenkomst zijn of worden voldaan, wordt de belasting ter zake van die onroerende zaak niet geheven.

artikel 4. Maatstaf en heffing

  • 1.

    De maatstaf van heffing is een bedrag per onroerende zaak.

  • 2.

    Indien in de periode gelegen tussen de peildatum en de datum van ingang van de heffing van deze verordening de eigendom, het bezit of beperkt recht van een gedeelte van een op de peildatum bestaande onroerende zaak is dan wel wordt overgedragen, wordt voor de vaststelling van de belastingschuld voor de na de overdracht op de datum van ingang van heffing bestaande onroerende zaken uitgegaan van een vaststelling van de belastingschuld volgens de volgende formule: A/B x C x € 1,—

  • Voor

    deze formule geldt:

    • A.

      de oppervlakte met een bestemming als vermeld in artikel 5.1 van de na de overdracht op de datum van ingang van de heffing bestaande onroerende zaak;

    • B.

      de oppervlakte met een bestemming of vrijstelling Wonen als vermeld in artikel 5.1 van de op de peildatum bestaande onroerende zaak;

    • C.

      de belasting zoals deze ingevolge artikel 5 zou gelden voor de op de peildatum bestaande onroerende zaak op de peildatum van heffing, indien geen gedeeltelijke overdracht zou hebben plaatsgevonden.

artikel 5. Belastingtarief

  • 1.

    De belasting bedraagt per onroerende zaak het bedrag dat in onderstaande tabel is opgenomen, waarop geheel of gedeeltelijk de bestemming of vrijstelling Wonen zoals opgenomen in onderstaande tabel van toepassing is:

    Regeling informatie

    Gemengde bebouwing met de functieaanduiding "Woondoeleinden"

    3.600

    Gemengde bebouwing met de functieaanduiding "Detailhandel"

    7.200

    Gemengde bebouwing met de functieaanduiding "Detailhandel in volumineuze goederen"

    7.200

    Gemengde bebouwing met de functieaanduiding "Horeca"

    7.200

    Gemengde bebouwing met de functieaanduiding "Bedrijf"

    7.200

    Agrarisch bouwblok A

    7.200

    Vrijstelling Wonen

    3.600

  • 2.

    Indien voor een onroerende zaak meerdere bestemmingen zoals vermeld in de tabel in lid 1 gelden, bedraagt de belasting het hoogste bedrag behorende bij de bestemmingen als vermeld in deze tabel die op de onroerende zaak toepassing zijn.

artikel 6. Regeling inzake heffing in de vorm van een jaarlijkse belasting

  • 1.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 2 wordt op verzoek van de belastingplichtige de belasting geheven in de vorm van een jaarlijkse belasting gedurende vijf jaren. Het verzoek genoemd in de eerste volzin, dient binnen zes weken na de dagtekening van de aanslag schriftelijk te worden ingediend bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar.

  • 2.

    Het belastingjaar loopt van 1 juli tot en met 30 juni.

  • 3.

    De jaarlijkse belasting bedraagt de annuïteit van het totaal verschuldigde, berekend op basis van een periode van vijf jaren en een rentevoet van 4 % per jaar.

  • 4.

    De belasting over de nog niet aangevangen belastingjaren kan worden afgekocht. Hiertoe dient een schriftelijk verzoek te worden ingediend bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar, voorafgaand aan het eerste belastingjaar van de periode waarop de afkoop betrekking heeft. De afkoopsom wordt bepaald op de contante waarde van de op 1 januari van het belastingjaar waarop de afkoop betrekking heeft nog te verschijnen belastingbedragen, berekend naar een rentevoet van 4 % per jaar.

  • 5.
    • a.

      Ingeval de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse heffing en de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak als bedoeld in artikel 5.1 eindigt of wijzigt als gevolg van het overdragen van eigendom, bezit of beperkt recht, wordt de nieuwe genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht met ingang van het eerstvolgende belastingjaar een aanslag-ineens opgelegd voor de nog niet aangevangen belastingjaren van het belastingtijdvak, berekend overeenkomstig lid 4 van dit artikel.

    • b.

      In afwijking van het bepaalde in onderdeel a, wordt op verzoek van de in dat onderdeel bedoelde belastingplichtige de jaarlijkse heffing overeenkomstig artikel 5.1 gecontinueerd. Het verzoek daartoe dient binnen zes weken na de dagtekening van de aanslag ingevolge onderdeel a, schriftelijk te worden ingediend bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar.

  • 6.

    Ingeval de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse heffing en in de loop van het belastingtijdvak de eigendom, het bezit of het beperkt recht van een gedeelte van de onroerende zaak wordt overgedragen, wordt - voor de verdeling van de resterende belastingschuld - de maatstaf van heffing als bedoeld in artikel 4 voor de betreffende onroerende zaken opnieuw vastgesteld voor de nog niet aangevangen belastingjaren.

  • De

    vaststelling van de resterende belastingschuld zoals bedoeld in de vorige volzin, geschiedt op basis van de volgende formule: A/BxCx€ 1,-

  • Voor

    deze formule geldt:

    • A:

      de oppervlakte met een bestemming als vermeld in artikel 5.1 van de na de overdracht bestaande onroerende zaak;

    • B:

      de oppervlakte met een bestemming als vermeld in artikel 5.1 van de voor de overdracht bestaande onroerende zaak;

    • C:

      de resterende belastingschuld voor de op het moment van de overdracht nog niet aangevangen belastingjaren, zoals deze gold voor de voor de overdracht bestaande onroerende zaak.

artikel 7. Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

artikel 8. Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand volgende op die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.

  • 2.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in lid 1 gestelde termijn.

artikel 9. Kwijtschelding

Bij de invordering van de baatbelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

artikel 10. Nadere regels door het college van Burgemeester en Wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de baatbelasting.

artikel 11. Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na de bekendmaking ervan.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 juli 2008.

artikel 12. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening baatbelasting riolering Nieuw-Vossemeersedijk.

Toelichting behorende bij de Verordening baatbelasting riolering Nieuw-Vossemeersedijk

artikel 13.1. Algemeen

De Wet milieubeheer geeft de gemeente de zorgplicht voor het doelmatig inzamelen en transporteren van afvalwater. De aanleg van deze riolering voorziet in de uitvoering van het gemeentelijk rioleringsplan van de gemeente Steenbergen. Het rioleringsplan is door de gemeenteraad vastgesteld in zijn vergadering van 24 april 2003.

Ter uitvoering van het gemeentelijke rioleringsplan heeft gemeente Steenbergen riolering aangelegd in de Nieuw-Vossemeersedijk.

artikel 14.2. Aangevuld bekostigingsbesluit

Teneinde het verhaal van de kosten van de aanleg van de riolering te kunnen realiseren, heeft de gemeenteraad van Steenbergen in zijn vergadering van 23 februari 2006 het "Aangevuld bekostigingsbesluit aanleg riolering Nieuw-Vossemeersedijk" vastgesteld. Dit aangevuld bekostigingsbesluit is gebaseerd op de Exploitatieverordening gemeente Steenbergen 1997 en voorziet in de mogelijkheid van privaatrechtelijk kostenverhaal in de vorm van exploitatieovereenkomsten. Het aangevuld bekostigingsbesluit voldoet echter tevens aan de voorwaarden van een bekostigingsbesluit als bedoeld in artikel 222 van de Gemeentewet. Het bekostigingsbesluit voorziet in kostenverhaal op publiekrechtelijke grondslag: een baatbelasting. Dit betekent dat een aangevuld bekostigingsbesluit tevens voorziet in de mogelijkheid om toepassing te geven aan baatbelasting. Het is dan ook niet nodig om naast het aangevuld bekostigingsbesluit alsnog een bekostigingsbesluit door de gemeenteraad te laten vaststellen.

In het aangevuld bekostigingsbesluit heeft de gemeenteraad de onroerende zaken aangeduid die baat ondervinden van de aanleg van de riolering. Uitgangspunt voor het afbakenen van dit gebied is de aard van de te treffen voorziening: de aanleg van de riolering.

Daarnaast heeft de gemeenteraad aangegeven dat een gedeelte van de kosten van deze voorziening worden verhaald. In het aangevuld bekostigingsbesluit is in het kader van de baatbelasting een indicatieve begroting van de kosten opgenomen. Tevens is ten aanzien van de baatbelasting vermeld dat de definitieve omvang en verdeling van de kosten over de gebate onroerende zaken worden geregeld in de later vast te stellen baatbelastingverordening. Uitsluitend de kosten die zijn gemaakt voor de gebate onroerende zaken die in deze verordening zijn aangeduid, zijn betrokken in de omslag over de gebate onroerende zaken.

Het aangevuld bekostigingsbesluit is gepubliceerd in het plaatselijke weekblad Steenbergse Courant' van 3 maart 2006 en is op 1 maart 2006 opgenomen in het Register Belastingverordeningen en (Aanvullende) Bekostigingsbesluiten gemeente Steenbergen. De aanleg van de riolering in het gebied is aangevangen op 22 mei 2006. De eerste oplevering van de aanleg van de riolering heeft blijkens het proces-verbaal plaatsgevonden op 12 juli 2006; de eindoplevering heeft plaatsgevonden op 8 februari 2007.

De gemeente Steenbergen verhaalt de kosten van de aanleg van de riolering zowel via het sluiten van overeenkomsten als via de baatbelasting. Voor die gebate onroerende zaken waarvoor geen overeenkomst is gesloten, verhaalt de gemeente de kosten via de heffing van een baatbelasting.

artikel 15.3. Bestemmingsplan en vrijstelling Wonen

De onroerende zaken die een aansluitmogelijkheid krijgen op de nieuwe riolering en dus baat ondervinden, zijn gelegen in de bestemmingsplannen "Kom Nieuw-Vossmeer" of "Buitengebied". In deze bestemmingsplannen zijn bestemmingen opgenomen, waarin de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden die voor een onroerende zaak gelden, in concrete en objectieve zin zijn vastgelegd. De bestemming van een onroerende zaak op de peildatum voor de baatbepaling zoals bedoeld in artikel 222, derde lid Gemeentewet, t.w. 1 juli 2007, is van belang voor de beoordeling van de vraag of de onroerende zaak is gebaat en voor het verschuldigd zijn van het bedrag voor de aanleg van de riolering. De bestemmingen die van belang zijn voor de beoordeling van de aanwezigheid en de mate van baat van de aangelegde riolering, bieden de mogelijkheid om op de onroerende zaak bebouwing op te richten. In het kader van de onderhavige belasting zijn alleen die bestemmingen relevant, op grond waarvan bebouwing mogelijk is voor die functies waarvoor het van belang is dat wordt voorzien in de aanleg van riolering, zoals woonfuncties, bedrijfsdoeleinden etc. De bestemmingen waarvoor dit geldt, zijn opgenomen in de tabel in artikel 5, lid 1. Onroerende zaken waarop ondergeschikte bebouwing, zoals schuilhutten, veldschuren en kleine veestallen, kunnen worden gebouwd, zijn in het kader van de aanleg van riolering dan ook niet gebaat en blijven daarmee buiten de omslag van de kosten.

In de plaats van de genoemde bestemmingsplannen zijn de gebruiksmogelijkheden voor een aantal onroerende zaken vastgelegd in de vorm van een artikel 19 WRO-vrijstelling. Een dergelijke vrijstelling houdt in dat het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling van een geldend bestemmingsplan heeft verleend voor het oprichten van bebouwing in afwijking van laatstbedoeld bestemmingsplan. In het kader van de aanleg van riolering heeft het college voor een aantal onroerende zaken vrijstelling verleend voor het oprichten van bebouwing voor die functies waarvoor het van belang is dat wordt voorzien in de aanleg van riolering, i.c woonfuncties. Deze vrijstelling is opgenomen in de tabel in artikel 5, lid 1.

In onderstaande tabel zijn de bestemmingen en vrijstelling Wonen opgenomen met bijbehorende gebruiksmogelijkheden en het bijbehorende tarief wat betreft de omslag van de kosten van de aangelegde riolering.

Regeling informatie

Gemengde bebouwing met de functieaanduiding "Woondoeleinden"

wonen toegestaan

3.600

Gemengde bebouwing met de functieaanduiding "Detailhandel"

wonen en detailhandel toegestaan

7.200

Gemengde bebouwing met de functieaanduiding "Detailhandel in volumineuze goederen"

wonen en detailhandel in volumineuze goederen toegestaan

7.200

Gemengde bebouwing met de functieaanduiding "Horeca"

wonen en horeca toegestaan

7.200

Gemengde bebouwing met de functieaanduiding"Bedrijf"

wonen en bedrijf toegestaan

7.200

Agrarisch bouwblok A

wonen en agrarisch bedrijf toegestaan

7.200

Vrijstelling Wonen

wonen toegestaan

3.600

artikel 16.4. Artikelsgewijze toelichting

  • 1.

    Artikel 1: Begripsomschrijvingen

    • Met betrekking tot de afbakening van het belastingobject is uitgegaan van een op de peildatum gebouwd of ongebouwd of ongebouwde eigendommen die naar omstandigheden beoordeeld bij elkaar horen.

    • Lid 2 bepaalt wat verstaan dient te worden onder bestemmingsplan.

    • Lid 3 verwijst naar de bestemmingen die op de onroerende zaken van toepassing zijn, zoals opgenomen in het bestemmingsplan. Deze bestemmingen zijn onder andere van belang voor de vaststelling van de objectieve gebruiksmogelijkheden (zie artikelen 4 en 5).

    • Lid 4 vermeldt wat er onder de vrijstelling Wonen wordt verstaan. Deze vrijstelling is onder andere van belang voor de vaststelling van de objectieve gebruiksmogelijkheden (zie artikelen 4 en 5).

    • Lid 5 bepaalt de peildatum voor het meten van de baat zoals bedoeld in artikel 222, derde lid Gemeentewet. In dit artikel is het tijdstip van gebaat zijn opgenomen. Op grond van artikel 222, derde lid van de Gemeentewet mag dit tijdstip liggen uiterlijk één jaar nadat de voorzieningen geheel zijn voltooid. De gemeente moet dit tijdstip in de verordening vermelden. De aanleg van de riolering is gestart op 22 mei 2006 en de eerste oplevering heeft plaatsgevonden op 12 juli 2006. De aanleg van de riolering is geheel definitief voltooid op 8 februari 2007. Dit betekent dat de peildatum uiterlijk ligt op 12 juli 2007. Nu de peildatum in dit lid is gesteld op 1 juli 2007, wordt voldaan aan het gestelde in artikel 222, lid 3 van de Gemeentewet.

  • 2.

    Artikel 2: Belastbaar feit

    • Door middel van dit artikel maakt de kaart waarop de gebate onroerende zaken zijn aangegeven, deel uit van de belastingverordening. De gebate onroerende zaken zijn gelegen binnen de rode omlijning zoals deze op de kaart is aangegeven.

    • In dit artikel is het tijdstip van 'gebaat zijn' opgenomen. Voor een nadere uitleg hiervan wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1, lid 4.

    • Voor de vraag of een onroerende zaak is gebaat, geldt dat er binnen 40 meter van de onroerende zaak een aansluitmogelijkheid op de riolering dient te zijn. Het criterium van 40 meter is gebaseerd op het arrest van het gerechtshof Arnhem d.d. 14 juni 2001, zaaknummer 99/30. Voor de aanwezigheid van baat is tevens van belang de bestemming/vrijstelling die voor een onroerende zaak geldt; een en ander is uitgelegd in deze toelichting in paragraaf 3 Bestemmingsplan. Is er op 1 juli 2007 sprake van een gebate onroerende zaak, dan wordt deze in de omslag betrokken; ongeacht of er later sprake is van een gewijzigde bestemming of vrijstelling of van een splitsing van de gebate onroerende zaak in verschillende eigendommen.

    • Als heffingsmaatstaf wordt uitgegaan van een vast bedrag per onroerende zaak. Bij het bepalen van het tarief per onroerende zaak is uitgegaan van het aantal onroerende zaken op de in artikel 2 genoemde peildatum. Een latere splitsing van een op de peildatum bestaande onroerende zaak heeft niet tot gevolg dat tweemaal het oorspronkelijke bedrag per nieuw ontstane onroerende zaak aan belasting wordt geheven. Dit zou er immers toe kunnen leiden dat, in geval van splitsing, de belastingopbrengst meer zou kunnen bedragen dan de gemaakte kosten of het maximale bedrag aan te verhalen kosten zoals dat in het aangevuld bekostigingsbesluit is vermeld, hetgeen niet is toegestaan. Voor de vaststelling van de belasting op de peildatum van ingang van de heffing bestaande onroerende zaak wordt uitgegaan van een verdeling van de belastingschuld zoals deze geldt voor de op 1 juli 2007 bestaande onroerende zaak, over de op de datum van ingang heffing bestaande nieuwe onroerende zaken. De heffingsmaatstaf legt een nadrukkelijke relatie met de planologische situatie die op de peildatum 1 juli 2007 op een onroerende zaak van toepassing is.

    • Het hanteren van deze maatstaven leidt er niet toe dat het bedrag dat in het aangevuld bekostigingsbesluit als totaal aan bijdragen is vermeld, wordt overschreden. Dit is immers niet toegestaan.

    Regeling informatie

    De kosten van de aanleg van de riolering zijn als volgt:

    Kosten vestiging zakelijk recht

    12.684,74

    Kosten aanleg riolering

    66.718,81

    Kosten engineering, Voorbereiding en toezicht

    19.267,12

    Niet-verhaalbare btw

    633,00

    Totale kosten

    99.303,67

    • De kosten voor de gemeente bedragen dus € 99.303,67.

    • Huisaansluitingen

    • In dit kostenoverzicht zijn de kosten van de huisaansluitingen niet opgenomen. Onder huis-aansluiting wordt verstaan de kosten van de aanleg van de aansluiting voor een individuele onroerende zaak. Aangezien de riolering met bijbehorende pompputten is gesitueerd binnen de begrenzing van een onroerende zaak, bestaan de kosten van de huisaansluiting uit de kosten vanaf de pompput van de persleiding of het vrijvervalriool (hoofdtracé) tot aan de gevel van de aan te sluiten panden op de desbetreffende onroerende zaak.

    • a. Opbrengsten

    • De tarieven die de gemeente hanteert bij de toepassing van baatbelasting, zijn gelijk aan de bedragen die de gemeente hanteert bij het verhalen van kosten via het sluiten van exploitatie-overeenkomsten.

    • In het aangevuld bekostigingsbesluit is bepaald dat de maximaal verhaalbare kosten € 101.192,–bedragen. In het onderdeel "Wijze van toerekening" van bedoeld aangevuld bekostigingsbesluit is aangegeven op welke wijze de gebate onroerende zaken bijdragen in de kosten. Uit het overzicht "Kosten" dat hiervoor is opgenomen, blijkt dat de werkelijke kosten voor de gemeente € 99.303,67 bedragen. De werkelijke kosten zijn hiermee lager dan de kosten die in het aangevuld bekostigingsbesluit zijn geraamd. Het totaal van de bijdragen dat van de gebate onroerende zaken wordt geheven, is lager dan het totaal aan de werkelijk verhaalbare kosten.

    • De voorzieningen die baat opleveren voor de onroerende zaken zoals deze zijn aangeduid op de kaart, zijn in lid 2 van dit artikel verwoord.

  • 3.

    Artikel 3: Belastingplicht

    • Ingevolge artikel 222, eerste lid Gemeentewet zijn belastingplichtig de genothebbenden krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de door de gemeente getroffen voorzieningen. Niet relevant is of de genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht ook geldt als (feitelijke) gebruiker van de gebate onroerende zaak. Voor de vaststelling van de genothebbende wordt uitgegaan van de gegevens zoals deze blijken uit de kadastrale registratie, tenzij blijkt dat deze (rechts)persoon op de desbetreffende onroerende zaak geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

    • Indien de kosten die zijn verbonden aan het treffen van de voorzieningen genoemd in artikel 2, tweede lid door de belastingplichtige krachtens overeenkomst zijn of worden voldaan, wordt de belasting ter zake van de betreffende onroerende zaak niet geheven.

  • 4.

    Artikel 4: Maatstaf van heffing

    • De gemeente is in beginsel vrij in het bepalen van de heffingsmaatstaf, mits het bedrag van de gemeentelijke belastingen niet afhankelijk wordt gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen.

    • Gekozen is voor een maatstaf van een bedrag per onroerende zaak. Het vaste bedrag is gekoppeld aan een bestemming of vrijstelling die op de onroerende zaak van toepassing is.

    • In lid 2 is vermeld dat in eerste instantie de belastingschuld is gerelateerd aan de situatie zoals deze voor een onroerende zaak geldt per peildatum van het meten van de baat: 1 juli 2007. In het geval een gedeelte van de onroerende zaak na de peildatum is vervreemd, wordt de aldus vastgestelde belastingschuld vervolgens verdeeld over de uit deze onroerende zaak (nieuw) ontstane onroerende zaken op de datum van ingang van de heffing (i.c. 1 juli 2008). De verdeling geschiedt naar rato van de oppervlakte van de op de datum van ingang van de heffing bestaande onroerende zaken. Hierbij wordt de oppervlakte bepaald door het aantal volle vierkante meters van de onroerende zaken, voor zover deze vierkante meters zijn gelegen in de bestemmingen die in artikel 5 zijn vermeld.

  • 5.

    Artikel 5: Belastingtarief

    • Lid 1

    • De belasting per onroerende zaak is afgestemd op de bestemming of vrijstelling die op een onroerende zaak op de peildatum van toepassing is. De bestemming of vrijstelling bepaalt in objectieve zin de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de onroerende zaak. In het kader van de onderhavige belasting zijn alleen die bestemmingen of vrijstellingen relevant, op grond waarvan bebouwing mogelijk is voor die functies waarvoor het van belang is dat wordt voorzien in de aanleg van riolering. Voor de bestemmingen die in dit lid zijn opgenomen, geldt dat het oprichten van gebouwen is toegestaan, zoals woningen, bedrijfsgebouwen, etc. Onroerende zaken waarop ondergeschikte bebouwing zoals schuilhutten, veldschuren en kleine veestallen, kunnen worden gebouwd, zijn in het kader van de aanleg van riolering niet gebaat en blijven daarmee buiten de omslag van de kosten.

    • De omslag van kosten

    • Zoals hiervoor is vermeld, worden de kosten omgeslagen overeenkomstig het gestelde in dit artikel. Deze wijze van omslag van de kosten leidt ertoe dat de gemeente Steenbergen niet meer kosten omslaat dan zij heeft bepaald in het aangevuld bekostigingsbesluit en die in werkelijkheid zijn gemaakt.

  • 6.

    Artikel 6: Regeling inzake de heffing in de vorm van een jaarlijkse belasting

    • Op verzoek van de belastingplichtige kan de baatbelasting in de vorm van een jaarlijkse belasting gedurende maximaal dertig jaren worden geheven. De gemeente is verplicht daarvoor een regeling te treffen in de verordening.

    • De gemeente is van mening dat vijf jaar een redelijke termijn is voor het hanteren van een jaarlijkse belasting. Hierbij is rekening gehouden met de hoogte van de aanslag-ineens. Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse belasting wordt uitgegaan van de annuïteit van het bedrag van de heffing-ineens, uitgaande van een periode van vijf jaren en een rente van 4 %. Deze rente is gebaseerd op het rente omslag percentage, voor de aanleg van drukriolering in de Nieuw-Vossemeersedijk, gehanteerde rente.

    • In het geval van een jaarlijkse belasting geschiedt de bepaling van de annuïteit op het beginsel van `prenumerandoannuïteif. Dit betekent dat de annuïteit wordt bepaald op basis van het uitgangspunt dat rente is verschuldigd vanaf het moment dat de jaarlijkse belasting verschuldigd is.

    • Nu de maatstaf van heffing is bepaald op een bedrag per onroerende zaak, is een nadere regeling nodig voor de verdeling van de belastingschuld in geval van tussentijdse splitsing. Wordt een nadere regeling achterwege gelaten, dan zou dit betekenen dat voor de oorspronkelijk voor de onroerende zaak (voordat de splitsing plaatsvond) vastgestelde belastingschuld, een hernieuwde belastingschuld in de plaats komt voor iedere nieuw ontstane onroerende zaak bepaald op de wijze zoals bedoeld in artikel 5. Een en ander kan betekenen dat de totale opbrengst het totaal van de gemaakte kosten overschrijdt, nu er in feite sprake is van een tussentijdse toename van het aantal onroerende zaken. De opgenomen nadere regeling voorziet erin dat de oorspronkelijk vastgestelde belastingschuld wordt verdeeld over de nieuw ontstane onroerende zaken naar rato van de oppervlakte. Ook hiervoor geldt dat de oppervlakte wordt bepaald door het aantal volle vierkante meters van de onroerende zaken, voor zover deze vierkante meters zijn gelegen in de bestemmingen of vrijstelling die in artikel 5 zijn vermeld.

  • 7.

    Artikel 7: Wijze van heffing

    • Geen toelichting.

  • 8.

    Artikel 8: Termijn van betaling

    • Geen toelichting.

  • 9.

    Artikel 9: Kwijtschelding

    • De reden van dit artikel is dat het heffen van baatbelasting is aan te merken als een betaling voor de aanleg van bepaalde voorzieningen van de gemeente.

  • 10.

    Artikel 10: Nadere regels voor het college van burgemeester en wethouders

    • Burgemeester en wethouders zijn bevoegd voor de heffing en invordering nadere regels te stellen. Hierbij kan gedacht worden aan regels over de berekening van de invorderingsrente.

  • 11.

    Artikel 11: Inwerkingtreding en citeertitel

    • Ingevolge artikel 139 van de Gemeentewet moeten gemeenten de besluiten tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van de belastingverordeningen bekendmaken. Dit geschiedt door plaatsing van de integrale tekst van het besluit in het gemeenteblad dan wel bij gebreke daaraan, in een andere door de gemeente algemeen verkrijgbaar gestelde uitgave.

    • Op grond van artikel 142 van de Gemeentewet treedt het bekendgemaakte besluit in werking met ingang van de achtste dag na de dag van de bekendmaking, tenzij in de verordening een ander tijdstip is aangegeven. Het feit dat de belastingverordening eerst in werking treedt na bekendmaking, houdt slechts in dat de gemeente voor dat tijdstip geen belastingaanslagen kan opleggen of bedragen kan vorderen. De aanslagen of gevorderde bedragen kunnen echter wel betrekking hebben op de periode van de datum van ingang van de heffing.

    • Als datum van de ingang is gehanteerd 1 juli 2008.

Behoort bij besluit van de gemeenteraad van Steenbergen van 19 juni 2008.