gemeente Steenbergen | Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing Steenbergen 2021

Regeling Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing Steenbergen 2021

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

  • Datum inwerking-treding 24-12-2020
  • Terugwerkende kracht t/m
  • Datum uitwerking-treding
  • Betreft Nieuwe regeling
  • Datum ondertekening 17-12-2020
  • Bron bekendmaking gmb-2020-340936
  • Kenmerk voorstel BM2006336

Inleiding

De raad van de gemeente Steenbergen;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 november 2020;

gelet op:

artikel 228a van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen de volgende verordening:

Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing Steenbergen 2021.

Artikel 1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

  • b.

    water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater;

  • c.

    perceel: een roerende of onroerende zaak;

  • d.

    onroerende zaak: de onroerende zaak als bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken;

  • e.

    roerende zaak:

    • 1.

      een object, niet zijnde een onroerende zaak, dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering;

    • 2.

      een gedeelte van een onder 1 bedoeld object dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

    • 3.

      een samenstel van twee of meer onder 1 bedoelde objecten of onder 2 bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;

    • 4.

      het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel 1 bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel 2 bedoelde gedeelte daarvan of een in onderdeel 3 bedoeld samenstel;

  • f.

    woning: een roerende of onroerende zaak welke in hoofdzaak dient tot woning.

  • g.

    garagebox: een zelfstandig opstal, bedoeld en als zodanig in gebruik, voor het stallen van (motor)voertuigen en/of het opslaan van goederen, zonder dat dit een bedrijfsmatig doel dient en dit opstal in de uitvoering van de Wet WOZ als garagebox wordt aangemerkt, terwijl vanuit de opstal enkel hemelwater wordt afgevoerd.

Artikel 2 Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

  • 1.

    de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

  • 2.

    de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

1.

De belasting wordt geheven van:

  • a.

    degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel;

  • b.

    degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel.

2.

Voor het eigenarendeel wordt, als het eigendom een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

3.

Voor het gebruikersdeel wordt:

  • a.

    als gebruiker aangemerkt degene die naar de omstandigheden beoordeeld het eigendom al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;

  • b.

    gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;

  • c.

    gebruik door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven;

  • d.

    het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat eigendom voor volgtijdig gebruik ter beschikking heeft gesteld.

Artikel 4 Voorwerp van de belasting

Voorwerp van de belasting is een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering.

Artikel 5 Maatstaf van heffing

1.

Het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.

2.

Het gebruikersdeel wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.

3.

In afwijking van het tweede lid wordt het gebruikersdeel, ingeval het perceel een woning is, geheven naar een vast bedrag per perceel gerekend naar het aantal personen in een huishouden.

Artikel 6 Belastingtarief

1.

Het eigenarendeel bedraagt per perceel, per jaar € 111,00.

2.

In afwijking van het eerste lid bedraagt het eigenarendeel ingeval het perceel een woning is, per perceel, per jaar € 59,00.

3.

Het gebruikersdeel bedraagt per perceel, per jaar € 148,00.

4.

In afwijking van het derde lid bedraagt het gebruikersdeel in geval het perceel een woning is, en indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar, bij de aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door:

  • a.

    één persoon, per perceel per jaar: € 70,00;

  • b.

    meer dan één persoon, per perceel per jaar: € 93,00.

5.

In afwijking van lid 1 tot en met 4 wordt geen belasting geheven van een garagebox.

Artikel 7 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8 Wijze van heffing

De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.

Artikel 9 Ontstaan van belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

1.

De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of voor zover het betreft het gebruikersdeel, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

2.

Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor zover het betreft het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven.

3.

Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor zover het betreft het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelte van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar na het einde van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven.

4.

Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt.

Artikel 10 Betalingstermijnen

1.

In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de volgende termijn zes maanden later.

2.

In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

3.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 11 Overgangsrecht en inwerkingtreding

1.

De ‘Verordening rioolheffing Steenbergen 2020’ van 7 november 2019 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

2.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

3.

De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021.

Artikel 12 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening rioolheffing Steenbergen 2021’.