gemeente Steenbergen | Verordening op het referendum

Regeling Verordening op het referendum

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

  • Datum inwerking-treding 01-03-2006
  • Terugwerkende kracht t/m
  • Datum uitwerking-treding
  • Betreft nieuwe regeling
  • Datum ondertekening 26-01-2006
  • Bron bekendmaking -
  • Kenmerk voorstel 9b

Inleiding

De raad der gemeente Steenbergen;

in behandeling genomen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 23 januari 2006

gelet op het amendement van de fractie van de PvdA, dat door de raad in vergadering bijeen op 26 januari 2006 is aangenomen

gelet op de artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet

besluit:

vast te stellen de Verordening op het referendum

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder

  • a.

    referendum: een volksstemming waarbij de kiesgerechtigden zich uitspreken over een door de raad vastgestelde startnotitie als bedoeld in artikel 4 of 5 van deze verordening.

  • b.

    kiesgerechtigden: diegenen die op de drieënveertigste dag voorafgaande aan de dag waarop het referendum wordt gehouden overeenkomstig artikel B3 van de Kieswet gerechtigd zijn deel te nemen aan de verkiezing van de leden van de raad van de gemeente Steenbergen.

  • c.

    startnotitie: een door de raad vast te stellen notitie waarin een korte heldere probleemstelling en een korte heldere schets van de beoogde oplossingsrichtingen staan beschreven.

Artikel 2 Toepassingsgebied

Een referendum wordt gehouden onder de kiesgerechtigden van het hele grondgebied van de gemeente, tenzij de raad anders beslist.

Artikel 3 Uitzonderingen

Een referendum kan niet worden gehouden over:

  • a.

    over individuele kwesties, zoals benoemingen, ontslagen, schorsingen, kwijtscheldingen, schenkingen en besluiten over rechtspositionele regelingen alsmede beslissingen met betrekking tot geldelijke voorzieningen voor ambtsdragers en hun nabestaanden;

  • b.

    over de vaststelling van de gemeentelijke begroting en de rekening en over de gemeentelijke belastingen en tarieven;

  • c.

    kwesties inzake bezwaar-en beroepsprocedures en het voeren van rechtsgedingen;

  • d.

    besluiten inhoudende het voor kennisgeving aannemen van nota’s en rapporten;

  • e.

    kwesties over de toepassing van deze verordening;

  • f.

    besluiten ter uitvoering van een besluit van het rijk of de provincie waarbij de raad geen beleidsvrijheid heeft;

  • g.

    besluiten waarvan de inwerkingtreding of uitvoering niet kan worden uitgesteld vanwege de daarmee gemoeide spoedeisende gemeentelijke belangen;

  • h.

    kwesties waarover naar het oordeel van de raad eerder een referendum is gehouden of kon worden gehouden;

  • i.

    besluiten als bedoeld in artikel 158, eerste lid van de Gemeentewet;

  • j.

    besluiten als bedoeld in artikel 1, eerste en derde lid, artikel 51, eerste en derde lid, artikel 61, eerste en derde lid, artikel 73, eerste en derde lid en artikel 96 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 4 Initiatief van de raad

  • 1.

    De raad bepaalt of over een onderwerp een startnotitie wordt gemaakt. De raad kan besluiten dat over een startnotitie een referendum wordt gehouden. Indien de raad van oordeel is dat over een startnotitie een referendum kan worden georganiseerd, wordt een referendum pas georganiseerd nadat hiertoe een verzoek ondersteund door minimaal 500 handtekeningen, is ingediend. Een dergelijk verzoek moet binnen drie maanden nadat de startnotitie door de raad is vastgesteld, zijn ingediend.

  • 2.

    Indien de gemeenteraad van oordeel is dat over een startnotitie een referendum kan worden georganiseerd, wordt de uitvoering van deze startnotitie opgeschort voor één maand. Indien binnen deze maand een inleidend verzoek ondersteund door minimaal 50 handtekeningen wordt ingediend, wordt de uitvoering opgeschort tot een besluit als bedoeld in artikel 14 is genomen, mits binnen drie maanden na vaststelling een in voldoende mate ondersteund verzoek als bedoeld in lid 1 van dit artikel wordt ingediend en tot het houden van een referendum wordt besloten.

  • 3.

    Op het indienen van het inleidend verzoek en de ondersteuning daarvan is artikel 4 van de Verordening Burgerinitiatief overeenkomstig van toepassing waarbij geldt dat enkel kiesgerechtigden een dergelijk verzoek kunnen ondersteunen.

  • 4.

    De in het eerste en tweede lid bedoelde handtekeningen worden geplaatst op daartoe van gemeentewege verstrekte lijsten.

Artikel 5 Burgerinitiatief

  • 1.

    Op grond van de Verordening Burgerinitiatief kan een initiatief worden ingediend, inhoudende een verzoek om een referendum te doen houden over een onderwerp. Indien een dergelijk verzoek wordt ingediend, geldt artikel 3, zesde lid van de Verordening Burgerinitiatief niet en moet een dergelijk verzoek worden ondersteund door minimaal 500 handtekeningen van kiesgerechtigden.

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde handtekeningen worden geplaatst op daartoe van gemeentewege verstrekte lijsten.

  • 3.

    Indien het verzoek in voldoende mate is ondersteund, wordt over het desbetreffende onderwerp zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen twee maanden door de gemeenteraad een startnotitie geagendeerd tenzij het onderwerp is genoemd in artikel 3. De gemeenteraad besluit vervolgens of over deze startnotitie een referendum wordt georganiseerd waarbij artikel 3 onverminderd van toepassing is.

  • 4.

    Indien de gemeenteraad besluit dat een referendum over deze startnotitie wordt georganiseerd, is artikel 4 van de verordening niet van toepassing. De uitvoering van deze startnotitie wordt opgeschort tot een besluit als bedoeld in artikel 14 is genomen.

  • 5.

    Het burgerinitiatief wordt op de gangbare wijze behandeld echter de stemming over het door de raad te nemen besluit zoals dat luidt na verwerking van de aanvaarde amendementen, wordt aangehouden tot de raadsvergadering waarin over de startnotitie wordt besloten.

Artikel 6 Datum

  • 1.

    De raad stelt de dag vast waarop het referendum wordt gehouden. Met dien verstande dat het referendum niet later plaatsvindt dan uiterlijk vier maanden na de dag waarop de raad heeft besloten tot het houden van een referendum op basis van artikel 5, tweede lid of na de dag waarop een in voldoende mate ondersteund verzoek als bedoeld in artikel 4, eerste lid is ingediend. De raad kan besluiten deze termijn te verlengen met maximaal drie maanden indien binnen deze periode algemene verkiezingen worden gehouden.

  • 2.

    Er kunnen meer referenda op dezelfde dag worden gehouden.

Artikel 7 Vraagstelling

  • 1.

    De raad stelt, tenminste acht weken voor het te houden referendum, de vraagstelling en de antwoordcategorieën van het referendum vast.

  • 2.

    De vraagstelling wordt weergegeven op de oproepingskaart.

  • 3.

    In de vraagstelling worden tenminste twee alternatieven aan de kiezer voorgelegd. Het is eveneens mogelijk de vraag voor te leggen of de kiezer voor of tegen de beoogde oplossingsrichting uit de startnotitie is.

Artikel 8 Advies en toezicht

  • 1.

    De raad kan zich bij het vaststellen van de vraagstelling laten adviseren door een ad hoc commissie van advies en toezicht.

  • 2.

    De raad stelt een reglement vast ten behoeve van de vergaderingen en van de werkwijze van de commissie.

Artikel 9 Uitvoering

Het college is belast met de uitvoering van het raadsbesluit tot het houden van een referendum. Het college regelt de bestuurlijke en ambtelijke coördinatie.

Artikel 10 Budget

  • 1.

    De raad stelt, nadat is besloten tot het houden van een referendum, een budget beschikbaar voor voorlichting en organisatie.

  • 2.

    Indien een initiatief als bedoeld in artikel 5 wordt ingewilligd, kent het college verzoekers desgevraagd een tegemoetkoming toe in de kosten van de organisatie en publiciteit ten behoeve van de verwerving van voldoende steun voor de indiening van het definitief verzoek.

  • 3.

    Indien het definitieve verzoek wordt ingewilligd, kent het college verzoekers en maatschappelijke organisaties desgevraagd een tegemoetkoming toe in de kosten van organisatie en publiciteit ten behoeve van de campagne over het besluit waarop het referendum betrekking heeft.

  • 4.

    Het college stelt beleidsregels vast met betrekking tot de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor de in het tweede en derde lid bedoelde tegemoetkoming.

Artikel 11 Dekking

De begroting bevat een voorziening om ten minste de kosten van één referendum per jaar te kunnen dekken.

Artikel 12 De stemming

  • 1.

    Stemgerechtigden zijn degenen die op de drieënveertigste dag vóór de dag waarop het referendum wordt gehouden, kiesgerechtigd zijn voor de verkiezing van de leden van de raad.

  • 2.

    De bepalingen van de Kieswet zijn voor wat betreft de raadsverkiezingen voor zover nodig van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13 Geldigheid van de uitslag

  • 1.

    Het referendum wordt als geldig beschouwd, indien meer dan vijfentwintig procent van de kiesgerechtigden een stem heeft uitgebracht.

  • 2.

    De uitslag van het referendum wordt berekend op basis van de gewone meerderheid van het totaal aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 14 De beslissing van de raad

Zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen twee maanden na de dag waarop het referendum wordt gehouden neemt de gemeenteraad een besluit naar aanleiding van de uitslag van het referendum.

Artikel 15 Strafsanctie

Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie wordt gestraft degene die:

  • a.

    stembiljetten, volmachtbewijzen of referendumkaarten namaakt of vervalst met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

  • b.

    stembiljetten, volmachtbewijzen of referendumkaarten die hij zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij deze ontving, bekend was, opzettelijk als echt en onvervalst gebruikt of door anderen doet gebruiken, dan wel deze met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, in voorraad heeft;

  • c.

    stembiljetten, volmachtbewijzen of referendumkaarten voorhanden heeft met het oogmerk deze wederrechtelijk te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

  • d.

    als gemachtigde stemt voor een persoon, wetende dat deze is overleden.

  • e.

    bij een verkiezing een ander heeft gemachtigd voor hem te stemmen en niettemin in persoon aan de stemming deelneemt.

  • f.

    stelselmatig personen aanspreekt of anderszins persoonlijk benadert ten einde hen te bewegen het formulier op hun oproepingskaart, bestemd voor het stemmen bij volmacht, te ondertekenen en deze kaart af te geven.

Artikel 16 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 maart 2006.

Artikel 17 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als ‘Referendumverordening’.