gemeente Steenbergen | Verordening voorziening maatschappelijke ondersteuning

Regeling Verordening voorziening maatschappelijke ondersteuning

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

  • Datum inwerking-treding 01-01-2007
  • Terugwerkende kracht t/m
  • Datum uitwerking-treding 01-01-2012
  • Betreft nieuwe regeling
  • Datum ondertekening 21-12-2006
  • Bron bekendmaking -
  • Kenmerk voorstel 7e

Inleiding

De raad der gemeente Steenbergen;

in behandeling genomen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 14 november 2006 gelet op artikel 5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning; overwegende dat het noodzakelijk is om voorzieningen te treffen om de beperkingen te compenseren, die iemand heeft om te kunnen participeren in de samenleving;

besluit:

vast te stellen de volgende Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning;

  • b.

    Ondersteuningsvrager: personen met een aantoonbare beperking of een chronisch psychisch probleem en personen met een psychosociaal probleem of diens wettelijke vertegenwoordiger;

  • c.

    Compenseren: het treffen van een voorziening, die de beperkingen van een ondersteuningsvrager bij het kunnen participeren in de maatschappij zo veel mogelijk opheft en waarbij wordt uitgegaan van de zelfredzaamheid van de ondersteuningsvrager;

  • d.

    Zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk en financieel vermogen om voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken;

  • e.

    Maatschappelijke participatie: normale deelname aan het maatschappelijke verkeer, te weten het voeren van een huishouden, het normale gebruik van de woning; het zich in en om de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven;

  • f.

    Voorziening: een voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging, een vervoersvoorziening, een woonvoorziening of een rolstoelvoorziening;

  • g.

    Algemene voorziening: een voorziening die wordt geleverd op basis van directe beschikbaarheid, een beperkte toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een ondersteuningsvrager ondervindt;

  • h.

    Individuele voorziening: een voorziening die individueel wordt aangeboden indien een algemene voorziening geen adequate oplossing biedt;

  • i.

    Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt;

  • j.

    Persoonsgebonden budget: een geldbedrag waarmee de ondersteuningsvrager een of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan verwerven en waarop de in deze verordening en het Besluit maatschappelijke ondersteuning te stellen regels van toepassing zijn;

  • k.

    Budgethouder: een ondersteuningsvrager, dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger, aan wie ingevolge deze verordening een persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het College verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget verschuldigd is.

  • l.

    Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van een voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de ondersteuningsvrager waar over de besteding verantwoording afgelegd dient te worden aan het College;

  • m.

    Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten: een door het College vast te stellen bijdrage, die bij de verstrekking van een voorziening in natura, een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget betaald moet worden en waarop de regels van het Besluit maatschappelijke ondersteuning van toepassing zijn;

  • n.

    Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de ondersteuningsvrager behorend;

  • o.

    Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen voorziening, voorzover dit deel van de kosten uitgaat boven voor de ondersteuningsvager als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van een dergelijke voorziening;

  • p.

    Besparingsbijdrage: een door de ondersteuningsvrager te betalen bijdrage, gelijk aan het bedrag dat ten gevolge van de verstrekking van een voorziening door de ondersteuningsvrager wordt bespaard omdat deze verstrekte voorziening een algemeen gebruikelijke voorziening vervangt of kan vervangen;

  • q.

    Een voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging: een voorziening gericht op het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van dat huishouden van een ondersteuningsvrager dan wel van de leefeenheid waartoe deze persoon behoort;

  • r.

    Gebruikelijke zorg: de normale, dagelijkse ondersteuning die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden, omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op de grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden;

  • s.

    Mantelzorg: langdurige ondersteuning die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving waarbij het verlenen van ondersteuning rechtstreeks voortvloeit uit een sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten elkaar overstijgt. Mantelzorg vindt plaats op basis van vrijwilligheid, dat wil zeggen dat de mantelzorger zelf aangeeft in staat te zijn deze ondersteuning te verlenen;

  • t.

    Woningaanpassing: ingreep van bouw- of woontechnische aard die is gericht op het opheffen of verminderen van ergonomische beperkingen die een ondersteuningsvrager ondervindt bij het normale gebruik van zijn woonruimte. Tevens vallen hieronder de aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten die noodzakelijk zijn om de individuele woning van de ondersteuningsvrager te kunnen bereiken.

  • u.

    Gemeenschappelijke ruimte: gedeelte(n) van een woongebouw, niet behorende tot de onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk om de woning van de ondersteuningsvrager vanaf de toegang van het woongebouw te bereiken; en ruimten die onder het gehuurde vallen en/of waarvan de ondersteuningsvrager gebruik moet kunnen maken;

  • v.

    Hoofdverblijf: de woonruimte waar de ondersteuningsvrager zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en op welk adres de ondersteuningsvrager in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven;

  • w.

    Tweede verblijf: de woonruimte in de gemeente Steenbergen waar de ondersteuningsvrager regelmatig verblijft naast zijn hoofdverblijf in een AWBZ-inrichting

  • x.

    Woonwagen: voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst;

  • y.

    Standplaats: een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten;

  • z.

    Woonschip: schip dat uitsluitend of in hoofdzaak gebezigd wordt of bestemd is voor bewoning;

  • aa.

    Ligplaats: een door het College aangewezen ligplaats welke door een woonschip wordt ingenomen;

  • bb.

    Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning: het door het College op grond van deze verordening vastgestelde regels, omvattende het geheel van verstrekkingen en bedragen, welke in het kader van de Wmo kunnen worden verstrekt.

Artikel 1.2 Beperkingen

  • 1.

    Een voorziening kan slechts worden toegekend voorzover:

    • a.

      deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen, op het gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan, op te heffen of te verminderen;

    • b.

      deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt;

    • c.

      deze in overwegende mate op het individu is gericht.

  • 2.

    Geen voorziening wordt toegekend:

    • a.

      indien de voorziening voor een persoon als de ondersteuningsvrager algemeen gebruikelijk is;

    • b.

      indien de ondersteuningsvrager niet woonachtig is in de gemeente Steenbergen;

    • c.

      voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

    • d.

      voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw;

    • e.

      voor zover er aan de zijde van de ondersteuningsvrager geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd;

    • f.

      voorzover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de ondersteuningsvrager voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt;

    • g.

      indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder krachtens deze, danwel krachtens de aan deze verordening voorafgaande Verordening voorzieningen gehandicapten aan ondersteuningsvrager is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of versterkte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de ondersteuningsvrager zijn toe te rekenen.

Artikel 1.3 Keuzevrijheid

  • 1.

    Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget;

  • 2.

    Het College stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget niet wordt geboden aan de hand van de in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning neergelegde criteria;

  • 3.

    Het College stelt in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning regels vast omtrent de vorm, de omvang, de hoogte en de uitbetaling van de te verstrekken individuele voorzieningen;

Artikel 1.4 Eigen bijdragen en eigen aandeel

  • 1.

    Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de wet is de ondersteuningsvrager een eigen bijdrage verschuldigd of wordt de financiële tegemoetkoming afgestemd op het inkomen;

  • 2.

    Het College legt in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning de omvang van de eigen bijdrage en het eigen aandeel vast.

Hoofdstuk 2. Voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging

Artikel 2.1 Vormen van huishoudelijke verzorging

De door het College te verstrekken huishoudelijke verzorging, ter compensatie van beperkingen die een ondersteuningsvrager ondervindt bij het voeren van een huishouden, kan bestaan uit:

  • a.

    een algemene voorziening;

  • b.

    een voorziening in natura;

  • c.

    een persoonsgebonden budget, te besteden aan een voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging.

Artikel 2.2 Aanspraak op een voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging

  • a.

    Een ondersteuningsvrager kan voor een voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging in aanmerking komen als aantoonbare beperkingen of problemen als gevolg van ziekte of een gebrek deze voorziening noodzakelijk maken voor het voeren van een huishouden.

  • b.

    Om in aanmerking te komen voor een voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging is een eigen bijdrage verschuldigd, zoals genoemd in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning.

  • c.

    Een ondersteuningsvrager komt niet in aanmerking voor een voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging als tot de leefeenheid waar de ondersteuningsvrager deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten. Voor gebruikelijke zorg wordt geen vergoeding verstrekt.

Artikel 2.3 Primaat van de algemene voorziening

Een ondersteuningsvrager kan in aanmerking komen voor een voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging, genoemd in artikel 2.1. onder b en c, wanneer aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk maken en de, in het artikel 2.1, onder a, genoemde voorziening

  • a.

    onvoldoende oplossing biedt of

  • b.

    niet beschikbaar is.

Artikel 2.4. Levering

  • 1.

    Het College verstrekt huishoudelijke verzorging in natura op basis van een overeenkomst, waarbij de gemeente afspraken heeft gemaakt met verschillende leveranciers waaruit de ondersteuningsvrager kan kiezen;

  • 2.

    Het College stelt in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning regels vast omtrent het persoonsgebonden budget, als genoemd in artikel 2.1, onder c.

Hoofdstuk 3. Woonvoorzieningen

Paragraaf 1. Algemene omschrijving

Artikel 3.1 Type woonvoorzieningen

De door het College te verstrekken woonvoorziening, ter compensatie van aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek bij het normale gebruik van de woning, kan bestaan uit

  • a.

    algemene woonvoorziening;

  • b.

    een woonvoorziening in natura;

  • c.

    een persoonsgebonden budget te besteden aan een woonvoorziening;

  • d.

    een financiële tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening.

Artikel 3.2 Soorten individuele woonvoorzieningen

  • 1.

    De in artikel 3.1, onder b en c genoemde voorzieningen kunnen bestaan uit:

    • a.

      woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of woningtechnische aard;

    • b.

      onderhoud, keuring en reparatie;

  • 2.

    Slechts als een financiële tegemoetkoming kunnen worden verstrekt:

    • a.

      Verhuis- en herinrichtingskosten;

    • b.

      Woningaanpassing

    • c.

      Kosten in tijdelijke huisvesting;

    • d.

      Kosten in huurderving

    • e.

      Een uitraasruimte

Paragraaf 2. Aanspraak op een woonvoorziening

Artikel 3.3 Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op individuele woonvoorzieningen.

  • 1.

    Een ondersteuningsvrager kan voor de in artikel 3.1, onder a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek een aanpassing aan de woning noodzakelijk maken en de algemene woonvoorziening dit snel en adequaat kan oplossen.

  • 2.

    Een ondersteuningsvrager kan voor de in artikel 3.1, onder b. c. en d. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht, indien de in het vorige lid genoemde oplossing niet aanwezig is of niet tot een snelle en adequate oplossing leidt.

Artikel 3.4 Primaat van verhuizen

  • 1.

    Een ondersteuningsvrager kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, onder a. in aanmerking worden gebracht, wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van de woning belemmeren.

  • 2.

    Een ondersteuningsvrager kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, onder a, in aanmerking worden gebracht, wanneer de in het eerste lid van deze bepaling genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening is.

  • 3.

    Een ondersteuningsvrager kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, onder e, in aanmerking worden gebracht wanneer sprake is van een op basis van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon tot rust kan komen.

Artikel 3.5 Uitsluitingen.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op ondersteuningsvrager en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.

Artikel 3.6 Beperkingen.

  • 1.

    De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien:

    • a.

      de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;

    • b.

      de ondersteuningsvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het College;

    • c.

      deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen;

    • d.

      de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak;

    • e.

      de ondersteuningsvrager verhuist naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg,

  • 2.

    Een ondersteuningsvrager, die voor het eerst zelfstandig gaat wonen kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de extra kosten van verhuizing en herinrichting die verband houden met zijn handicap.

Paragraaf 3. Voorwaarden bij verstrekking van woonvoorzieningen behoudens verhuizing en inrichting

Artikel 3.7 Hoofdverblijf

  • 1.

    Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de ondersteuningsvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.

  • 2.

    In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de ondersteuningsvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling.

  • 3.

    De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat.

  • 4.

    De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het College in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning vast te leggen maximumbedrag.

  • 5.

    Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de ondersteuningsvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken.

Artikel 3.8 Verlenen van een woonvoorziening

  • Het

    College verleent slechts een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget indien:

  • a.

    niet reeds een begin met de werkzaamheden, waarop de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget betrekking heeft, is gemaakt zonder hun toestemming;

  • b.

    de door hen aangewezen personen toegang is verstrekt tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt verricht;

  • c.

    aan de onder b genoemde personen inzicht wordt geboden in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing;

  • d.

    de onder b genoemde personen de gelegenheid wordt geboden tot het controleren van de woningaanpassing.

Artikel 3.9 Frequentie van woningaanpassingen

  • 1.

    Het College verleent een woonvoorziening, als bedoeld in artikel 3.2, tweede lid onder a, b maximaal éénmaal in de 7 jaar, indien de noodzaak van het treffen van deze woonvoorziening, het gevolg van een verhuizing is waar op grond van objectief aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte en gebrek geen aanleiding toe bestond.

  • 2.

    Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien de verhuizing plaatsvindt als gevolg van het aanvaarden van een werkkring in een andere gemeente.

Paragraaf 4 Aanpassingen van woonwagens, woonschepen en binnenschepen

Artikel 3.10 Aanpassing van woonwagens

Het College verleent een voorziening in de aanpassingskosten van een woonwagen indien:

  • a.

    de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal 5 jaar is;

  • b.

    de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt;

  • c.

    de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een woonvoorziening bij de gemeente op de standplaats stond; en

  • d.

    de hoofdbewoner van een woonwagen behoort tot de doelgroep zoals vermeld in de Huisvestingswet.

Artikel 3.11 Aanpassing van woonschepen

Het College verleent een voorziening in de aanpassingskosten van een woonschip indien:

  • a.

    de technische levensduur van het woonschip nog minimaal vijf jaar is;

  • b.

    het woonschip nog minimaal vijf jaar op de ligplaats mag blijven liggen;

Artikel 3.12 Voorziening bij kortere termijnen

Indien de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip minder dan vijf jaar is of de standplaats van de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt of het woonschip niet tenminste nog vijf jaar op de ligplaats mag liggen, kan het College van burgemeester en wethouders een gemaximeerde vergoeding in de aanpassingskosten, ingevolge het Besluit maatschappelijke ondersteuning, toekennen.

Artikel 3.13 Aanpassing van binnenschepen

Het College van burgemeester en wethouders verleent slechts een voorziening in de aanpassingskosten van een binnenschip indien de aanpassing betrekking heeft op het voor de schipper, de bemanning en hun gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel V, van het Binnenschepenbesluit (Stb. 1987, 466), van een binnenschip, dat:

  • 1.

    in het register, bedoeld in artikel 783 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek als zodanig te boek is gesteld op de wijze omschreven in de maatregel te boek gestelde schepen 1992; en

  • 2.

    bedrijfsmatig wordt gebruikt, hetzij voor het vervoer van goederen, daarbij blijkens de meetbrief bedoeld in het metingsbesluit binnenvaartuigen 1978 een laadvermogen van tenminste 15 ton hebbend, of voor het vervoer van meer dan 12 personen buiten de in de aanhef bedoelde personen.

Paragraaf 5. Facultatieve woonvoorzieningen

Artikel 3.14 Kosten in verband met onderhoud, keuring en reparatie

Het College verleent slechts een voorziening in de kosten van onderhoud, keuring en reparatie als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid onder b,indien:

  • a.

    de woonvoorziening in het kader van deze verordening dan wel Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning, dan wel op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten dan wel op grond van de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten (RGSHG), is verleend;

  • b.

    de woonvoorziening behoort tot het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning ;

  • c.

    de ondersteuningsvrager ten tijde van het onderhoud, de keuring of reparatie de woonruimte als hoofdverblijf of tweede verblijf heeft en bewoont, zoals bedoeld in art. 3.7.

Artikel 3.15 Kosten in verband met tijdelijke huisvesting

  • 1.

    Het College kan een financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting verlenen die door de ondersteuningsvrager moeten worden gemaakt in verband met het aanpassen van:

    • a.

      zijn huidige woonruimte;

    • b.

      door de ondersteuningsvrager nog te betrekken woonruimte;

  • 2.

    De financiële tegemoetkoming als bedoeld in lid 1, onder a. en b. wordt uitsluitend verleend voor de periode dat de aan te passen woonruimte ten gevolge van het realiseren van de woningaanpassing niet bewoond kan worden en de ondersteuningsvrager als gevolg daarvan voor dubbele woonlasten komt te staan.

  • 3.

    Het College verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting als de ondersteuningsvrager redelijkerwijs niet kan voorkomen dat hij deze dubbele woonlasten heeft.

  • 4.

    Het College verleent maximaal zes maanden een financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.16 Voorziening bij huurderving

In geval van huurbeëindiging van een aangepaste woonruimte, die voor meer dan € 7.000,- is aangepast, kan het College een financiële tegemoetkoming verlenen aan de eigenaar van de woning, in verband met derving van huurinkomsten voor de duur van maximaal 6 maanden na de eerste maand huurderving, die niet voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking komt.

Paragraaf 8. Antispeculatie

Artikel 3.17 Terugbetaling bij verkoop.

  • 1.

    De eigenaar-bewoner, die een woonvoorziening heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding van de voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het College te melden. De meerwaarde van de woning dient volgens het in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning door het College vastgelegde afschrijvingsschema te worden terugbetaald.

  • 2.

    Het bovenstaande lid heeft slechts betrekking op de meerwaarde van de woning, ontstaan door volume-uitbreiding van de woning, door middel van het realiseren van een aanbouw aan de woning.

Hoofdstuk 4. Vervoersvoorzieningen

Paragraaf 1. Algemene omschrijving

Artikel 4.1 Vormen van vervoersvoorzieningen

De door het College, ter compensatie van beperkingen, die een ondersteuningsvrager ondervindt bij het zich lokaal verplaatsen, waardoor mede het ontmoeten van medemensen mogelijk wordt en op basis daarvan sociale verbanden aangegaan kunnen worden, te verstrekken voorziening kan bestaan uit:

  • a.

    een algemene voorziening, waaronder een collectieve vervoersvoorziening;

  • b.

    een vervoersvoorziening in natura;

  • c.

    een persoonsgebonden budget te besteden aan een vervoersvoorziening.

Artikel 4.2 Soorten individuele vervoersvoorzieningen

  • 1.

    De in artikel 4.1, onder b en c, genoemde voorzieningen kunnen bestaan uit:

    • a.

      een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen

    • b.

      een open elektrische buitenwagen;

    • c.

      een ander verplaatsingsmiddel;

  • 2.

    Slechts in een persoonsgebonden budget kunnen worden verstrekt:

    • a.

      de kosten voor het gebruik van de taxi of een eigen auto;

    • b.

      de kosten voor het gebruik van de rolstoeltaxi;

    • c.

      de kosten voor het gebruik van een ander verplaatsingsmiddel;

    • d.

      de kosten voor aanpassing eigen auto.

  • 3.

    Het College stelt in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning nadere regels met betrekking tot de vervoersvoorziening in natura en het persoonsgebonden budget als bedoeld in het vorige lid;

  • 4.

    Bij het vaststellen van de voorzieningen, in het vorige lid wordt rekening gehouden met de meerkosten van de vervoersvoorzieningen zoals genoemd in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning.

Paragraaf 2. Aanspraak op een algemene voorziening

Artikel 4.3 Aanspraak op een algemene voorziening

Een ondersteuningsvrager kan voor de in artikel 4.1 onder a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek

  • a.

    het gebruik van het openbaar vervoer of

  • b.

    het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.

Artikel 4.4 Het primaat van het collectief vervoer

Een ondersteuningsvrager kan voor de in artikel 4.1, onder b en c vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer

  • a.

    aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 4.1, onder a., onmogelijk maken dan wel

  • b.

    een collectief systeem als bedoeld in artikel 4.1, onder a., niet aanwezig is.

Artikel 4.5 Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen

Indien het inkomen van een ongehuwde ondersteuningsvrager of het gezamenlijke inkomen met zijn gehuwde of samenwonende partner meer bedraagt dan 1,5 maal de in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning voor de diverse categorieën genoemde inkomensgrenzen, wordt het bezit van een personenauto algemeen gebruikelijk geacht, zodat een auto of een met een auto vergelijkbare voorziening niet in aanmerking komen voor verstrekking of vergoeding.

Artikel 4.6 Omvang in gebied en in kilometers.

  • 1.

    Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de ondersteuningsvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de ondersteuningsvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.

  • 2.

    De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste een omvang per jaar van 1500 kilometer met een maximum tot 2000 kilometer mogelijk maken.

Hoofdstuk 5. Rolstoelvoorzieningen.

Paragraaf 1. Algemene omschrijving

Artikel 5.1 Vormen van rolstoelvoorzieningen.

De door het College, ter compensatie van beperkingen, die een ondersteuningsvrager ondervindt bij het zich verplaatsen in en om de woning, dan wel voor sportbeoefening, te verstrekken voorziening kan bestaan uit:

  • a.

    een algemene voorziening waaronder een algemene rolstoelvoorziening;

  • b.

    een rolstoelvoorziening in natura;

  • c.

    een persoonsgebonden budget te besteden aan een rolstoelvoorziening;

  • d.

    een persoonsgebonden budget te besteden aan een sportrolstoel.

Artikel 5.2 Primaat algemene rolstoelvoorziening bij incidenteel rolstoelgebruik en sportrolstoel.

  • 1.

    Een ondersteuningsvrager kan voor de in 5.1, onder a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek incidenteel zittend verplaatsen in en rond de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden.

  • 2.

    Een ondersteuningsvrager kan voor de in artikel 5.1, onder b. en c. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden.

  • 3.

    Een ondersteuningsvrager kan voor de in artikel 5.1, onder d. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek sportbeoefening zonder sportrolstoel onmogelijk maken.

Artikel 5.3 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners.

In uitzondering op het gestelde in artikel 5.2 lid 2 komt een ondersteuningsvrager, die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen erkende instelling uitsluitend voor een rolstoel in aanmerking indien hij geen recht heeft op een rolstoel, verstrekt op grond van de AWBZ.

Artikel 5.4 Levering

Het College stelt in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning regels vast omtrent de levering van de voorzieningen, als genoemd in artikel 5.1.

Hoofdstuk 6. Het verkrijgen van een voorziening

Artikel 6.1. Gebruik aanvraagformulier.

Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het College ter beschikking gesteld formulier.

Artikel 6.2 Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

De aanvraag wordt ingediend bij het Wmo- loket, waar, zowel aanvragen voor voorzieningen inzake de wet, alsook aanvragen inzake de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten kunnen worden ingediend

Artikel 6.3 Inlichtingen, onderzoek, advies.

  • 1.

    Het College is bevoegd om,voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een aanvraag is ingediend:

    • a.

      op te roepen in persoon te verschijnen op een door het College te bepalen plaats en tijdstip en hem te ondervragen;

    • b.

      op een door het College te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen ondervragen en/of onderzoeken.

  • 2.

    Het College vraagt aan het Centrum Indicatiestelling Zorg waaraan door het college het alleenrecht is verleend te adviseren bij aanvragen inzake de wet advies indien:

    • a.

      het handelt om een aanvraag een ondersteuningsvrager, die nog niet eerder een aanvraag in het kader van deze verordening heeft ingediend en een voorziening betreft waarvan de kosten naar verwachting het bedrag als genoemd in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning te boven zal gaan;

    • b.

      de gevraagde voorziening om medische redenen wordt afgewezen;

    • c.

      het College dat overigens gewenst vindt.

  • 3.

    Een ondersteuningsvrager is verplicht aan het College of de door hen aangewezen adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

  • 4.

    Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door de adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de International Classification of Functions, Disabilities and Health, de zogenaamde ICF classificatie.

  • 5.

    De beschikking vermeldt op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van de ondersteuningsvrager

Artikel 6.4 Samenhangende afstemming.

Het College legt in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning regels vast omtrent de wijze waarop de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend wordt afgestemd op de situatie van de ondersteuningsvrager.

Artikel 6.5 Wijzigingen in de situatie.

Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt, is verplicht aan het College mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.

Artikel 6.6 Intrekking van een voorziening

  • 1.

    Het College kan een beschikking, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien:

    • a.

      niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening;

    • b.

      op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.

  • 2.

    Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

Artikel 6.7 Terugvordering

  • 1.

    Ingeval een voorziening is ingetrokken kan het College een op basis daarvan reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget terugvorderen.

  • 2.

    In geval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken kan het College deze voorziening terugvorderen indien de voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte gegevens.

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen

Artikel 7.1 Hardheidsclausule.

Het College kan in bijzondere gevallen ten gunste van de ondersteuningsvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 7.2 Indexering.

Het College kan jaarlijks de hoogte van de, in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning, geldende bedragen aanpassen.

Artikel 7.3 Periodieke evaluatie gemeentelijk beleid en bijstelling verordening

Het door het college gevoerde beleid wordt jaarlijks geëvalueerd; indien deze evaluatie daar aanleiding toe geeft wordt de verordening aangepast. Het College zendt in ieder geval van elke evaluatie aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

Artikel 7.4 Citeertitel; inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening wordt aangehaald als: "Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Steenbergen 2007".

  • 2.

    De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning, welke op 28 september 2006 door de Raad van Steenbergen is vastgesteld wordt hierbij ingetrokken.

  • 3.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2007

Algemene toelichting op de Verordening

Inleiding

Met de invoering van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) heeft de gemeente de verantwoordelijkheid gekregen met betrekking tot de beleidsbepaling en uitvoering op het gebied van maatschappelijke ondersteuning.

Artikel 5 van de Wmo schrijft voor dat de gemeenteraad een Verordening vaststelt waarin regels worden vastgelegd over de door het College van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en onder welke voorwaarden personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Steenbergen, hierna te noemen: de Verordening, geeft invulling aan deze opdracht.

Enkele begrippen

Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer is nadrukkelijk stilgestaan bij het compensatiebeginsel. Strekking van dit beginsel is dat het College van burgemeester en wethouders de opdracht heeft tot het treffen van voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die de persoon, genoemd in de prestatievelden 4, 5 en 6- in staat stellen:-een huishouden te voeren;-zich te verplaatsen in en om de woning;-zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;-medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

Consequentie van dit beginsel voor de gemeente is dat er op haar een verplichting rust om de gevolgen van de beperkingen zo veel mogelijk op te heffen.

In de Verordening wordt verder het begrip algemene voorziening geïntroduceerd. Reden hiervoor is dat hiermee –vroegtijdig- een juridische basis wordt vastgelegd voor nog te ontwikkelen voorzieningen die er op gericht zijn een snelle oplossing te bieden voor de gevolgen van de beperking die de ondersteuningsvrager ondervindt.

Het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning

In de Verordening worden de kaders van de Wmo vastgelegd. Het College van burgemeester en wethouders wordt bevoegd verklaard om nadere regels vast te leggen met betrekking tot het geheel van verstrekkingen en bedragen welke in het kader van de Wmo kunnen worden verstrekt. Deze uitvoeringsregels worden vastgelegd in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning.

Vaststelling en inwerkingtreding van de Verordening

Met ingang van 2007 treedt de Wmo in werking. De Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg), de Welzijnswet alsmede aanspraken op huishoudelijke verzorging binnen de AWBZ komen per die datum te vervallen. Op deze hoofdregel zijn een aantal uitzonderlingen gemaakt, het zgn. overgangsrecht. Het overgangsrecht is opgenomen in de artikelen 40 en 41 van de Wmo.

Het overgangsrecht heeft betrekking op aanspraken of voorzieningen die burgers hebben op een Wvg-voorziening of op huishoudelijke verzorging. In hoofdlijnen komt het op het volgende neer:

  • aanspraken die burgers hebben op een Wvg-voorziening of op de huishoudelijke verzorging, blijven behouden voor de duur van de beschikking (Wvg) of indicatie-besluit (HV), maar uiterlijk tot een jaar na inwerkingtreding van de Wmo;• In de lopende bezwaar- en beroepsprocedures tegen Wvg- of AWBZ-besluiten, blijven de Wvg en AWBZ van kracht;

  • roerende zaken die op basis van de Wvg zijn verstrekt, blijven niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening of beslag, zolang deze voorzieningen een geschikte voorziening zijn (art. 9 Wvg);

  • financiële bepalingen over de verantwoording, vaststelling en uitbetaling blijven van kracht voor de al verleende, aangevraagde of aan te vragen uitkeringen op grond van de Wvg;

  • nieuwe aanvragen: de Wvg en/of AWBZ blijven van kracht tot 3 maanden nadat de Wmo-Verordening is vastgesteld door de gemeenteraad. Doch uiterlijk één jaar na inwerkingtreding van de wet.

Om met ingang van 1 januari 2007 de bepalingen uit de Wmo te kunnen toepassen, is het van belang dat de Raad vóór 1 oktober 2006 de Verordening vaststelt. Hiermee wordt voorkomen dat het AWBZ-regime de eerste drie maanden bij nieuwe aanvragen dient te worden toegepast.

Artikelsgewijze toelichting op de Verordening

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In dit artikel wordt een aantal begrippen omschreven.

b., c., d, en e Ondersteuningsvrager, Compenseren, Zelfredzaamheid en Maatschappelijke participatie

Gekozen is om het begrip ondersteuningsvrager in de Verordening op te nemen, omdat dit begrip nauw aansluit bij de compensatieverplichting, genoemd in artikel 4 van de Wmo. Niet alleen personen met een lichamelijke beperking kunnen een beroep doen op de individuele voorzieningen, maar ook personen met een chronisch psychisch probleem of met een psychosociaal probleem kunnen in aanmerking komen voor de voorziening, beschreven in deze Verordening. Dit komt overeen met het doel van de Wmo, namelijk het bieden van ondersteuning aan personen, die in hun zelfredzaamheid en bij hun maatschappelijke participatie problemen ondervinden.

Het begrip “compenseren” wordt omschreven als het treffen van een voorziening, die de beperkingen van een ondersteuningsvrager bij het kunnen participeren in de maatschappij zo veel mogelijk opheft en waarbij wordt uitgegaan van de zelfredzaamheid van de ondersteuningsvrager.

De ondersteuningsvrager komt pas in aanmerking voor een individuele voorziening, wanneer hij niet meer in staat is zichzelf te redden, hij geen ondersteuning (meer) krijgt vanuit zijn omgeving en voor hem geen algemene voorzieningen, bijvoorbeeld voorzieningen op gemeentelijk of wijkniveau, beschikbaar zijn. Bij de beoordeling van het recht op een individuele voorziening wordt nadrukkelijk naar deze drie elementen gekeken en wordt het verlenen van individuele voorzieningen hierop afgestemd. Voorts wordt bij de beoordeling bekeken welke individuele voorzieningen een bijdrage leveren aan het zelfstandig functioneren van de ondersteuningsvrager en welke voorzieningen moeten worden ingezet om zijn participatie in de samenleving mogelijk te maken.

g. Algemene voorzieningen

Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare voorzieningen, die met een minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan een scala van reeds bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen: collectief vervoer, scootermobielpools, algemene woonvoorzieningen als klussendiensten en voorzieningendepots, rolstoelpools en vrijwilligersdiensten. Daarbij is het kenmerk van algemene voorzieningen dat zij altijd in natura worden verleend en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget. Aan de ondersteuningsvrager wordt wel een beschikking afgegeven, zodat rechtsbescherming gewaarborgd is.

h. Individuele voorziening

Algemene voorzieningen hebben in het kader van deze Verordening voorrang op individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst een algemene voorziening worden aangeboden, waar nodig zal een individuele voorziening worden verstrekt. Hoe de keuze zal worden gemaakt tussen beide categorieën voorzieningen hangt uiteraard helemaal af van de individuele situatie van de ondersteuningsvrager. Door het College van burgemeester en wethouders vast te stellen beleidsregels zullen afwegingscriteria geven, verder zal een op de individuele situatie afgestemd medisch advies vaak van groot belang zijn. De algemene voorzieningen, nu nog genoemd in de vorm van een primaat, kunnen uitgroeien tot voorliggende voorzieningen en op den duur uit deze Verordening verdwijnen, wanneer zij zodanig functioneren dat zij gerekend kunnen worden tot de groep voorzieningen zoals bijvoorbeeld maaltijdvoorzieningen en personenalarmering.

i. Voorziening in natura

Naturavoorzieningen zijn voorzieningen die niet in de vorm van enigerlei financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van dienstverlening.

j. Persoonsgebonden budget

Persoonsgebonden budget: een geldbedrag dat de ondersteuningsvrager onder door het College van burgemeester en wethouders bepaalde voorwaarden mag besteden aan een soortgelijke voorziening naar zijn keuze. Nadere uitwerking omtrent de relatie tussen diverse compenserende voorzieningen en daarbij behorende persoonsgebonden budgetten vindt plaats in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning.

l. Financiële tegemoetkoming

Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde voorziening te verwerven. Het is niet persé een kostendekkende vergoeding, maar een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten. Nadere uitwerking omtrent de relatie tussen diverse compenserende voorzieningen en daarbij behorende financiële tegemoetkomingen vindt plaats in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning.

n. Algemeen gebruikelijk

Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten het geval was, is het ook onder de Wet maatschappelijke ondersteuning niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarover de ondersteuningsvrager, gezien zijn individuele situatie, ook zonder zijn handicap of beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen gebruikelijk” is geconcretiseerd in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Het begrip heeft vaak voor verwarring gezorgd, omdat algemeen gebruikelijke voorzieningen soms wel specifiek voor een handicap worden aangeschaft, maar vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet vergoed worden. Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de Verordening opgenomen. Het gaat daarbij om voorzieningen:

  • -

    die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;

  • -

    die niet speciaal voor ondersteuningsvrager bedoeld zijn;

  • -

    die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel.

o. Meerkosten

Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen gebruikelijk”. Deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De meerkosten zijn de kosten, die in een direct oorzakelijk verband staan met het compenseren van de ondervonden beperkingen van de ondersteuningsvrager in zijn participatie in de samenleving. Een met de persoon als de ondersteuningsvrager vergelijkbaar persoon, zonder die beperkingen, heeft deze meerkosten per definitie niet, omdat daarvoor in diens situatie geen noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze meerkosten, dus de kosten, die voor een ondersteuningsvrager niet algemeen gebruikelijk zijn, is de wet gericht.

p. Besparingsbijdrage

Wanneer een voorziening wordt verstrekt waar een algemeen gebruikelijk deel onderdeel van uitmaakt (er wordt een driewielfiets verstrekt, de fiets is algemeen gebruikelijk en maakt daar onderdeel van uit: men hoeft zelf geen fiets meer te kopen) zou sprake kunnen zijn van besparing: er hoeft immers geen algemeen gebruikelijke voorziening meer aangeschaft te worden. Aangezien verstrekking binnen de wet zich beperkt tot de meerkosten, kan in die situatie van de ondersteuningsvrager het bedrag dat bespaard wordt, gevraagd worden als besparingsbijdrage. Dit is geen vorm van eigen bijdrage of eigen aandeel, zodat de regels daaromtrent niet van toepassing zijn.

Bb, Besluit voorzieningen maarschappelijke ondersteuning

In dit besluit worden de regels door het College van burgemeester en wethouders vastgesteld, die handelen over de vorm, de omvang, de hoogte en de uitbetaling van de te verstrekken individuele voorzieningen. Het gaat hier om regels, die uitvoering geven aan wat in de Verordening is bepaald.

Artikel 1.2, lid 1

  • a.

    Deze definitie is in zijn kern ontleend aan de Model Verordening Wet voorzieningen gehandicapten en aan de wet aangepast. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in tijd uitgedrukt, gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerk is in beide genoemde situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap op het moment van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de ondersteuningsvrager. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de betrokkene na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt bij het antwoord op de vraag of er al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening een belangrijke rol. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in het kader van deze Verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan een beroep doen op de hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in het kader van de AWBZ. Uit deze depots kan men twee maal drie maanden een hulpmiddel gratis lenen, welke periode kan worden verlengd, zij het dat dan huur is verschuldigd. Waar precies de grens tussen kortdurend en langdurig ligt, zal van situatie tot situatie verschillen.

  • Een

    uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden.

  • b.

    Voorzieningen die in het kader van deze Verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Hoewel datgene wat de ondersteuningsvrager als adequaat beschouwt mee zal moeten wegen in de beoordeling van het adequaat zijn van de voorziening, zal ook het criterium van het goedkoop zijn, de kosten van de voorziening, een rol spelen bij de uiteindelijke beoordeling van het al dan niet adequaat zijn van een voorziening. Het gaat immers om gemeenschapsgeld. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een adequate voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, mits de ondersteuningsvrager bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst adequaat geeft het College mogelijkheden tot sturen binnen het beleid.

  • c.

    Het probleem van het individu dient op grond van de wet te worden gecompenseerd. Dat individuele probleem staat dan ook centraal bij de beoordeling van de aanvraag voor een voorziening op grond van de wet.

Artikel 1.2. lid 2

  • a.

    Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de ondersteuningsvrager vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Dit beginsel wordt al tientallen jaren tijd gehanteerd in de sociale wetgeving (AAW/WAO, voormalige Wet-Rea, Wvg) en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie geleid, die is vastgelegd in de definitie van dit begrip, zoals die is opgenomen in artikel 1, onder n. van deze Verordening. Wat in een concreet geval algemeen gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van de aard van de gevraagde voorziening. Daarnaast speelt de -financiële- situatie van de ondersteuningsvrager een rol, bezien in relatie tot de maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag. Met name die financiële situatie van de ondersteuningsvrager kan leiden tot een uitzondering op het beginsel dat geen algemeen gebruikelijke voorzieningen worden verstrekt. Uit de bovengenoemde jurisprudentie blijkt immers dat een dergelijke uitzondering zich voordoet als het inkomen van de ondersteuningsvrager – mede ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn beperking, onder het in diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te geraken. Een andere uitzondering is het ten gevolge van een plotseling optredende handicap moeten vervangen van zaken die nog niet zijn afgeschreven; dat zou zonder die handicap immers ook niet gebeuren.

  • b.

    In de wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de Wet voorzieningen gehandicapten, geen specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente woonachtige personen, hoewel artikel 11 van de wet spreekt over ingezetenen. Dit artikel moet opgenomen worden om te voorkomen dat er aanvragen binnenkomen bij gemeenten waar de ondersteuningsvrager niet woonachtig is.

  • c.

    Deze afwijzingsgrond is afkomstig uit de Modelverordening Wet voorzieningen gehandicapten, en is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen.

  • d.

    Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het Bouwbesluit 2003. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in beginsel van voldoende kwaliteit; duurdere of andere voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Een duidelijke begrenzing derhalve. Garages bijvoorbeeld vallen daarom niet onder dit niveau. Alleen in die gevallen dat bijvoorbeeld vanuit welstandstoezicht hogere eisen worden gesteld, kan het College hierop een uitzondering maken. Over de hiermee gepaard gaande kosten moeten in een concrete situatie afspraken gemaakt worden. Ook bij hulp bij het huishouden speelt deze bepaling een rol. Indien bijvoorbeeld aanzienlijk meer hulp wordt gevraagd vanwege het feit dat men in een veel grotere of meer luxe woning woont, geeft deze bepaling een duidelijke grens aan.

  • e.

    In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na het optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun situatie kunnen leiden tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met zich meebrengt. Daarvoor is deze onder e. genoemde bepaling bedoeld.

  • f.

    en g. In artikel 2 lid 2, onder f. en g. geeft de Verordening een tweetal gronden voor weigering aan. Onder f. wordt gedoeld op de situatie dat de ondersteuningsvrager een voorziening aanvraagt, nadat deze al door hem gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het College van burgemeester en wethouders dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Bijvoorbeeld nadat het College van burgemeester en wethouders een beslissing over de aanvraag voor een woningaanpassing heeft genomen mag een aanvang worden gemaakt met de werkzaamheden. Pas op dat moment heeft het College alle op de aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit genomen over de te treffen voorziening.Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het College als goedkoopst adequate voorziening beschouwt. Het College kan bijvoorbeeld ook factoren mee laten wegen die buiten de woonruimte van de ondersteuningsvrager gelegen zijn, zoals een beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning elders, of een losse woonunit, waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is.

Pas nadat het College een positieve beschikking voor een verhuiskostenvergoeding heeft gegeven, komt een ondersteuningsvrager hiervoor in aanmerking. Pas nadat advies is verkregen en er een afweging is gemaakt welke oplossing het meest adequaat is kan de ondersteuningsvrager tot verhuizen overgaan. Met deze voorwaarde wordt tevens voorkomen dat de gemeente achteraf, nadat de ondersteuningsvrager reeds is verhuisd, met een claim voor een verhuiskostenvergoeding geconfronteerd wordt. In bepaalde gevallen kan het echter nodig zijn dat de ondersteuningsvrager snel moet beslissen, omdat de woning anders aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. In deze of andere urgente gevallen is het verkrijgen van toestemming van het College ook voldoende. Maar in alle gevallen dient de ondersteuningsvrager voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Het hoeft hier uiteraard niet te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een situatie waarin men bepaalde onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel voorafgaan aan een verhuizing, zoals het sluiten van een koop- huur- of erfpachtovereenkomst inzake de te betrekken woning. Onder g. wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de ondersteuningsvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de ondersteuningsvrager geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de ondersteuningsvrager hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen verhalen. Indien in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze Verordening worden gedaan.

Artikel 1.3

De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op een individuele voorziening de keuze te bieden tussen een persoonsgebonden budget en een naturaverstrekking, is niet absoluut. Er kunnen overwegende bezwaren bestaan om niet over te gaan tot verstrekking van een persoonsgebonden budget. Het College zal in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning regels stellen om af te wegen in welke gevallen er sprake is van bezwaren van overwegende aard, die reden zijn om geen persoonsgebonden budget te verstrekken. Daarbij zal het College in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning regels vaststellen, die handelen over de vorm, de omvang, de hoogte en de uitbetaling van de te verstrekken individuele voorzieningen. Het College geeft hiermee uitvoering aan de aanspraken op individuele voorzieningen

Artikel 1.4

Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van voorzieningen in natura of een persoonsgebonden budget eigen bijdragen te vragen. Artikel 19 van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële tegemoetkomingen af te stemmen op het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt verleend: het zogeheten eigen aandeel. In dit artikel stelt de raad vast van deze mogelijkheid gebruik te maken, zoals opgedragen in artikel 15 lid 1 van de wet. Bovendien wordt bepaald dat de wijze waarop dit wordt uitgevoerd door het College in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning wordt vastgelegd. De Raad heeft hierbij ingevolge de Algemene Maatregel van Bestuur de mogelijkheid binnen de grenzen, die de Algemene Maatregel van Bestuur stelt de verschillende bedragen vast te stellen. Deze afwijkende bedragen kunnen in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning worden opgenomen.

Hoofdstuk 2 Voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging

Artikel 2.1 Vormen van huishoudelijke verzorging

In artikel 4 lid 1 van de wet wordt het College opgedragen om voorzieningen aan te bieden ter ondersteuning van het voeren van een huishouden.Huishoudelijke verzorging kan in drie vormen als voorziening worden aangeboden. Onder a. wordt genoemd de algemene voorziening; een snelle en eenvoudige dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp voor gemeente en ondersteuningsvrager. Gedacht moet worden aan vormen van direct beschikbare huishoudelijke verzorging vanuit bijvoorbeeld een wijksteunpunt, met name voor eenvoudige werkzaamheden, al dan niet op basis van een kortdurende hulpbehoefte. Onder b. wordt genoemd de huishoudelijke verzorging in natura. Ook hier gaat het om een vorm van persoonlijke dienstverlening, net als bij de onder a. genoemde vorm. Het verschil zit echter in de toekenningsprocedure, die meer op de persoon is afgestemd, en in de regel meer geschikt zal zijn voor de wat grotere en langduriger behoefte aan hulp.Onder c. is genoemd het persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke verzorging. Met dit pgb moet de ondersteuningsvrager zelf hulp inhuren.

Artikel 2.2 Aanspraak op een voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging

In dit artikel is bepaald wanneer er aanspraak bestaat op de voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging.

Voor huishoudelijke verzorging wordt de volgende definitie gehanteerd:

‘een voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging is een voorziening die gericht is op het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden van een persoon dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon behoort’.

Het begrip ‘huishoudelijke verzorging’ valt uiteen in twee categorieën:

  • -

    Categorie 1, huishoudelijke werkzaamhedenGeheel of gedeeltelijk overnemen van activiteiten op het gebied van verzorging van het huishouden. Dit betreft de volgende werkzaamheden: schoonmaakwerkzaamheden (zoals stofzuigen, stof afnemen, schrobben, dweilen, sanitair / keuken, bedden opmaken en verschonen, was sorteren en machinaal wassen, wasgoed ophangen / afhalen / strijken / opruimen, opruimen afval, etc.)

  • -

    Categorie 2, huishoudelijke werkzaamheden aangevuld met organisatie van het huishouden en hulp bij een ontregeld huishouden.Dit betreft de activiteiten uit categorie 1 aangevuld met signalering / instructie / advies gericht op het huishouden, dagelijkse organisatie van het huishouden, opvang en verzorging van kinderen.

Men is zelf primair verantwoordelijk voor het voeren van het eigen huishouden, de eigen gezondheid, levensstijl en de wijze waarop het huishouden wordt gevoerd. De Wmo moet gezien worden als een aanvulling op de eigen mogelijkheden. Dit betekent dat van een gezin verwacht mag worden dat bij uitval van één van de leden, gestreefd dient te worden naar een herverdeling van de huishoudelijke taken. Redenen als ‘niet gewend zijn om’ of geen huishoudelijk werk willen en/of kunnen (in de zin van niet geleerd hebben) verrichten leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. Als het nodig is, kan er een indicatie worden gesteld voor 6 weken huishoudelijke verzorging voor het aanleren van huishoudelijke taken en/of het leren (efficiënter) organiseren van het huishouden. Voor gebruikelijke zorg zal dan ook geen vergoeding worden verstrekt.

Hoofdstuk 3 Woonvoorzieningen

Artikel 3.1 Type woonvoorzieningen

a. De algemene woonvoorziening. Hierbij moet worden gedacht aan een mogelijkheid om snel oplossingen voor vaak minder complexe woonproblemen te krijgen. Te denken valt aan klussendiensten, snel beschikbare voorzieningen uit depot en mogelijk andere, nog te ontwikkelen voorzieningen.

Artikel 3.2 Soorten individuele woonvoorzieningen.

Woningaanpassingen, woonvoorzieningen van niet –bouwkundige of woningtechnische aard, woonvoorzieningen voor onderhoud, keuring en reparaties en een uitraasruimte kunnen worden verstrekt in natura, als persoonsgebonden budget en in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Verhuiskostenvergoedingen, vergoedingen in de kosten van tijdelijke huisvesting en vergoedingen in huurderving worden slechts verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming, aangezien de aard van deze voorzieningen dit noodzaakt.

  • a.

    en b. Een woningaanpassing is een bouwkundige aanpassing van de woning zelf, ter compensatie van de problemen die in de woning spelen ten aanzien van de bewoner met een beperking. Onder een woonvoorziening, waarbij geen sprake is van een ingreep van bouw- of woontechnische aard zal in de praktijk met name een persoonsgebonden budget voor woningsanering i.v.m. CARA verstaan worden. Ook kan onder deze categorie worden begrepen hulpmiddelen voor baden, wassen en douchen welke niet nagelvast aan de woning zijn bevestigd, alsmede mobiele patiëntenliften. Deze laatste twee categorieën roerende woonvoorzieningen kunnen ook in de vorm van een voorziening in natura worden verstrekt, bijvoorbeeld in bruikleen of huur, zodat hergebruik mogelijk is.

  • d.

    Omdat met de Wet maatschappelijke ondersteuning niet wordt beoogd om het inhoudelijke beleidsterrein ten opzichte van de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten te verbreden, noch om dat te versmallen, is de uitraasruimte als woonvoorziening opgenomen. Een uitraasruimte is een ruimte die op basis van het vervallen artikel 1, lid 1, onder e. van de Wet voorzieningen gehandicapten kan worden gedefinieerd als een verblijfsruimte, waarin een persoon die tengevolge van een beperking in de vorm van een ernstige gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Een zeer specifieke voorziening derhalve, die alleen op basis van een specifieke noodzaak en op basis van een specifieke beperking kan worden verstrekt. Het zal in de regel gaan om een kleine, veilige en prikkelarme ruimte.

Lid 2

a. Het College kan besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken in de verhuis- en inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of een goedkoper aan te passen woning dan de reeds bewoonde woning . Het College maakt de afweging tussen verstrekking van een tegemoetkoming in de verhuiskosten en een woningaanpassing. Een woonvoorziening, en dus ook een verhuiskostenvergoeding is, volgens de Wvg-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, alleen bedoeld voor situaties waarin de ondervonden problemen in direct oorzakelijk verband staan met bouwkundige of woontechnische aspecten van de te verlaten woning zelf. Omgevingsfactoren als lawaai, stank, onveiligheidsgevoelens, overlast etcetera zijn dus niet van belang. Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat zo goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de voorraad aangepaste woningen in de gemeente.

Artikel 3.4 Primaat van verhuizen

Al onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold de regel dat bij een aanvraag voor een woningaanpassing eerst werd bezien of verhuizing naar een andere woning een oplossing kon bieden. Dit is het zogenaamde primaat van de verhuizing. In feite gaat het om een uitwerking van de regel dat in beginsel wordt gekozen voor de goedkoopst adequate voorziening. De mogelijkheid tot het hanteren van het primaat van de verhuizing is onder de Wet voorzieningen gehandicapten in de jurisprudentie erkend, zij het dat wel enkele duidelijke voorwaarden zijn gesteld. In de eerste plaats moeten de financiële gevolgen van de verhuizing voor de woonlasten binnen aanvaardbare financiële grenzen vallen, een eis die ook onder de wet gesteld kan worden. Verder moet duidelijk zijn dat de oplossing in de vorm van een verhuizing kan worden gerealiseerd binnen een uit het advies blijkende medisch verantwoorde termijn. Dat houdt dus in dat het College zicht moet hebben op de woningvoorraad om een indicatie te kunnen geven van de mogelijkheden om binnen die medisch verantwoorde termijn te kunnen verhuizen naar een geschikte aangepaste of goedkoper aan te passen woning. Ook diverse andere relevante aspecten, nader uit te werken in de gemeentelijke beleidsregels, kunnen, afhankelijk van de situatie een rol spelen bij de afweging omtrent het toepassen van het primaat van de verhuizing in een concreet geval.

Artikel 3.5 Primaat van de losse woonunit

Onder de Wet voorzieningen gehandicapten konden gemeenten woningaanpassingen duurder dan € 20.420,-- onder bepaalde voorwaarden declareren bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onder de Wet maatschappelijke ondersteuning vervalt deze mogelijkheid en zullen de kosten voor rekening van de gemeenten komen. Als het gaat om grote aanpassingen aan huurwoningen die opnieuw kunnen worden verhuurd voor de huisvesting van mensen met beperkingen, kan de investering over een langere periode afgeschreven worden. In gevallen waarin dat niet speelt, wordt in principe uitgegaan van het primaat van losse woonunits. In situaties waarin de mogelijkheid in de concrete situaties bestaat, wordt aan gebruik van een dergelijke unit voorrang gegeven middels deze bepaling.

Artikel 3.6 Uitsluitingen

Een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming voor het treffen van voorzieningen wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden. Een uitzondering zijn aanpassingen aan woonschepen en binnenschepen; deze komen weinig voor en worden apart geregeld. Verder worden geen woonvoorzieningen verstrekt in gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen voor ouderen of ondersteuningsvrager of voorzieningen, die in dergelijke gebouwen, ook in de wooneenheden, bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen.

Artikel 3.7 Beperkingen

Om in aanmerking te komen voor woonvoorzieningen moet er een duidelijke samenhang zijn tussen de ondervonden woonproblemen en de beperking die men heeft. Aanvragen voor woonvoorzieningen die hun oorzaak vinden in andere factoren dan die beperking, kunnen worden geweigerd op grond van artikel 3.7.

  • a.

    Onder a. wordt de verhuizing naar een inadequate woning genoemd als weigeringsgrond voor woonvoorzieningen. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden, maar gewoon omdat men daar zin in heeft. Uitzondering in deze bepaling is de zogeheten “belangrijke reden”. Daarbij moet gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders.

  • b.

    Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie tot die beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een verhuizing, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract.

    • Voor de toepassing van deze weigeringsgrond geldt dat ook de gemeente ervoor zal moeten zorgen zicht te hebben op de aangepaste of makkelijk aan te passen woningvoorraad, niet alleen sociale huurwoningen, maar ook in de vrije sector en zonodig het koopwoningenbestand. Daarnaast zal de gemeente haar burgers goed moeten informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat iemand al dan niet is verhuisd naar de voor zijn situatie meest geschikte woning.

  • c.

    Op basis van het feit dat voorzieningen op grond van de wet in hoofdzaak zijn gericht op het individu, worden in beginsel geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen verstrekt. Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold, zijn er uitzonderingen gemaakt voor de in de Verordening genoemde voorzieningen in gemeenschappelijk ruimten. De opsomming is limitatief, dat wil zeggen dat er niet meer hoeft te worden verstrekt dan er in de Verordening is genoemd.

  • d.

    Onder d. wordt met name gedoeld op verhuiskostenvergoedingen; veel verhuizingen zijn als algemeen gebruikelijk te beschouwen, ook los van de beperking die men heeft. Te denken valt aan verhuizingen van het ouderlijk huis naar een zelfstandige woonruimte, verhuizing van senioren naar een kleinere woning, omdat de eengezinswoning te bewerkelijk is geworden en kinderen reeds zelfstandig wonen.

  • e.

    Verhuizingen naar AWBZ- en andere zorginstellingen leiden ertoe dat de ondersteuningsvrager buiten de doelgroep van de wet valt; deze mensen kunnen immers niet meer zelfstandig participeren en hebben dus geen aanspraak op woonvoorzieningen, ook al omdat ze die onder de Wvg ook al niet hadden. Als er in de te verlaten woning geen problemen bij het normale gebruik van de woning werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men verhuisd naar een inadequate woning. In dergelijke situaties is er, evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten geen aanspraak op woonvoorzieningen, hetgeen al meermaals door de Centrale Raad van Beroep is bevestigd.

Artikel 3.8 Hoofdverblijf

Bij de besluitvorming zal naast de algemeen geldende uitgangspunten zoals goedkoopst adequaat en langdurig noodzakelijk de frequentie, de duur en het belang van de bezoek/logeer-mogelijkheid worden betrokken. Aangezien het om een tweede verblijf gaat is er een maximum aan de kosten van de aanpassing gesteld.

Artikel 3.10 Frequentie woningaanpassingen

Uitgangspunt is dat de ondersteuningsvrager 7 jaar nadat zijn woning met overheidssubsidie is aangepast, de mogelijkheid heeft naar een andere woning te verhuizen zonder dat dit noodzakelijk is vanwege ergonomische beperkingen. In dat geval kan de ondersteuningsvrager een aanvraag indienen voor een woningaanpassing. Doordat de termijn van 7 jaar is overschreden wordt aan dit artikel (een van de voorwaarden van de Verordening) voldaan. Bij de behandeling van de aanvraag wordt uiteraard uitgegaan van de voorwaarden die verder in de Verordening zijn opgenomen. Het staat de ondersteuningsvrager uiteraard vrij om binnen een periode van 7 jaar nadat zijn woning aangepast is te verhuizen. Echter, op dat moment bestaat er geen recht op een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten van de andere woning.Dit artikel is niet van toepassing, indien binnen 7 jaar een reeds gedeeltelijk aangepaste woning met nieuwe voorzieningen dient te worden uitgerust indien deze wegens voortschrijdende belemmeringen voor de ondersteuningsvrager noodzakelijk worden geacht.Lid 2 Indien de aanvaarding van een werkkring in een andere gemeente de verplichting met zich meebrengt dat de ondersteuningsvrager dient te verhuizen komt de ondersteuningsvrager in de zijn nieuwe woongemeente in aanmerking voor een woningaanpassing, zoals dat in het beleid van deze gemeente is opgenomen.

Artikel 3.15 Kosten in verband met onderhoud, keuring en reparatie

Alleen van bepaalde voorzieningen komen de kosten van onderhoud, keuring en reparatie in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming. Hiervoor wordt verwezen naar het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning

Artikel 3.16 Kosten in verband met tijdelijke huisvesting

Alleen in die gevallen dat het redelijkerwijs buiten de mogelijkheden van de ondersteuningsvrager ligt om te voorkomen dat er dubbele woonlasten opgebracht moeten worden, kan tot vergoeding van extra woonlasten in verband met tijdelijke huisvesting worden overgegaan. De kosten verbonden aan de 1ste maand dubbele huurbetaling komen niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien dit algemeen gebruikelijk is wanneer een persoon verhuist.

Artikel 3.18 Terugbetaling bij verkoop

Deze bepaling heeft als doel het door de eigenaar laten terugbetalen van een deel van de waardestijging, die het gevolg is van de aanpassing van de eigen woning op grond van de wet. De datum van de verkoop is daarbij bepalend, omdat op die datum reeds vaststaat wat de verkoopprijs van de woning en wat de meerwaarde ten gevolge van de aanpassing is. Het is aan het College om te bepalen of en in hoeverre in een concrete situatie gebruik van deze bepaling wordt gemaakt, aangezien er een afweging dient plaats te vinden tussen de kosten van het effectueren van deze bepaling (taxatie, administratieve lasten) in relatie tot de te verwachten baten.

Hoofdstuk 4 Vervoersvoorzieningen

Artikel 4.1 Vormen van vervoersvoorzieningen

  • a.

    De collectieve vervoersvoorziening is al bekend in de vorm van het collectief vraagafhankelijk vervoer, zoals dat zich vanaf 1994 onder de Wet voorzieningen gehandicapten heeft ontwikkeld. Naast het collectief vervoer kan ook worden gedacht aan de mogelijkheden voor het opzetten van scootermobielpools, zoals in sommige verzorgingshuizen al op basis van de Wet voorzieningen gehandicapten gebeurde.

  • b.

    Individuele voorzieningen in natura kunnen bestaan uit een diversiteit van vervoermiddelen, evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten.

  • c.

    Belangrijkste aanvulling ten opzichte van de Wet voorzieningen gehandicapten is het persoonsgebonden budget. De vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget door het College wordt in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning uitgewerkt.

Artikel 4.2 Soorten individuele vervoersvoorzieningen

Het artikel beschrijft de verschillende soorten individuele vervoersvoorzieningen, die in het kader van deze Verordening verstrekt kunnen worden. Een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen, een open elektrische buitenwagen en een eventueel ander verplaatsingsmiddel kunnen in de vorm van natura of een persoonsgebonden budget worden verstrekt. Gezien de aard van de voorzieningen uit het tweede lid van dit artikel worden deze voorzieningen alleen in de vorm van het persoonsgebonden budget verstrekt. Ten aanzien van de kosten aanpassing eigen auto bestaat de mogelijkheid indien de gehandicapte een eigen auto bezit en vanwege medische redenen geen gebruik gemaakt kan worden van het collectief systeem, bestaat de mogelijkheid financieel tegemoet te komen in de kosten van aanpassing aan de eigen auto. Ook kan hierbij de draagkracht van de gehandicapte worden betrokken.

Artikel 4.3 Aanspraak op een algemene voorziening

Door deze formulering is bepaald dat louter de aantoonbare beperkingen van de persoon in relatie tot de beperkingen van de bestaande vervoerssystemen bepalend zijn voor de vraag of, en zo ja in hoeverre de ondersteuningsvrager in aanmerking komt voor een voorziening terzake.

Algemeen criterium om in aanmerking te kunnen komen voor een vervoermiddel is het ten gevolge van een beperking niet kunnen gebruiken van het openbaar vervoer. Die regel stamt uit de aan de Wet voorzieningen gehandicapten voorafgaande AAW en wordt in de praktijk beoordeeld door te kijken naar de loopafstand van een ondersteuningsvrager (de bekende 800-metergrens).Doordat de streekbus, bijvoorbeeld voor iemand met een beperking niet toegankelijk is, heeft men recht op een vervoersvoorziening.

Artikel 4.4 Het primaat van het collectief vervoer

Artikel 4.1 geeft het primaat van de algemene voorzieningen aan boven de individuele verstrekkingen zoals genoemd onder b. en c. van dit artikel. Men kan voor individuele verstrekkingen in aanmerking komen:

  • a

    indien men door de aard van de beperking geen gebruik kan maken van een collectieve vervoersvoorziening of;

  • b

    indien er geen algemene voorziening aanwezig is.

Individuele voorzieningen kunnen echter ook in aanvulling op het gebruik van een collectief systeem verstrekt worden. Dit is het geval wanneer het collectief systeem de vervoersbehoefte van de ondersteuningsvrager die een aanspraak heeft niet volledig dekt. Dit is volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de Wet voorzieningen gehandicapten van bijzonder belang bij mensen die slechts zeer beperkt mobiel zijn (mensen met een loopafstand van maximaal circa 100 meter). Alleen collectief vervoer is voor deze categorie mensen geen adequate voorziening.

Artikel 4.5 Algemeen gebruikelijke voorzieningen

Iemand met een dergelijk inkomen wordt geacht de kosten van het lokaal vervoer of bezit en gebruik van een auto zelf te kunnen dragen. Er is een duidelijke relatie met het begrip “algemeen gebruikelijk”; indirect worden de kosten van vervoer in relatie tot het inkomen algemeen gebruikelijk geacht.

Artikel 4.6 Omvang en gebied in kilometers

Onder de Wet voorzieningen gehandicapten is de zorgplicht voor vervoer beperkt tot verplaatsingen in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving; de wet spreekt nu in artikel 4 lid 1, onder c. over “het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel”. Dit lijkt beperkter te zijn dan de zorgplicht onder de Wet voorzieningen gehandicapten, maar aangezien met de Wet maatschappelijke ondersteuning niet is beoogd de reikwijdte van de Wet voorzieningen gehandicapten te beperken of uit te breiden, is er geen reden om aan te nemen dat alleen de letterlijk lokale verplaatsingen onder de wet zullen vallen. Vandaar dat in artikel 4.6, conform de onder de Wet voorzieningen gehandicapten gevormde jurisprudentie, wordt uitgegaan van de eigen woon- of leefomgeving, met als uitzondering de bovenregionale zorgplicht, zoals die ook in de Wvg-jurisprudentie is omschreven.

Sinds maart 2002 houdt de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de Wet voorzieningen gehandicapten in dat een vervoersvoorziening of een combinatie van voorzieningen de mogelijkheid moet bieden om op jaarbasis minimaal 1.500-2.000 kilometer af te leggen. Deze jurisprudentie wordt hier vastgelegd, aangezien met de wet niet wordt beoogd de werkingssfeer van de Wet voorzieningen gehandicapten uit te breiden.

Hoofdstuk 5 Rolstoelvoorzieningen

Artikel 5.1 Vormen van rolstoelvoorzieningen

Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren rolstoelen in de wet zelf als aparte categorie voorzieningen opgenomen. In de Wet maatschappelijke ondersteuning is dat niet het geval, maar aangezien met deze wet niet wordt beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de voorafgaande Wet voorzieningen gehandicapten te verbreden of te versmallen, wordt de rolstoel gehandhaafd als de enige voorziening waarmee beperkingen bij het verplaatsen in en rond de woning in het kader van de wet gecompenseerd kunnen worden. Een definitie van een rolstoel is niet te geven, daarom dient hier onder het begrip “rolstoel” te worden begrepen de rolstoel zoals iedereen die kent. Deze rolstoel kan zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn. Een (elektrische)trippelstoel wordt niet als rolstoel beschouwd en wordt niet op grond van de wet verstrekt. De trippelstoel valt onder de door de Regeling Zorgverzekering te verstrekken voorzieningen. Een rolstoel kan zowel worden gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor binnen als voor buiten. Primair doel van de rolstoel is het zittend verplaatsen, omdat lopend verplaatsen, ook met op grond van andere regelingen te verstrekken voorzieningen als looprekken, rollators, wandelstokken en krukken niet of onvoldoende mogelijk is. Kosten van onderhoud en reparatie van de rolstoel vallen eveneens onder de wet.

Voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire verstrekkingsdoel, het verplaatsen, omdat ze nodig zijn in verband met therapeutische doeleinden, worden niet op grond van de wet verstrekt. Hierbij valt te denken aan aanpassingen voor het gebruik van zuurstofapparatuur en andere aanpassingen. Bij accessoires gaat het uiteraard alleen om medisch noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke zaken.

De sportrolstoel valt in het kader van deze Verordening onder het begrip rolstoel. Onder de Wet voorzieningen gehandicapten was de sportrolstoel, meestal verstrekt in de vorm van een forfaitaire financiële tegemoetkoming, een bovenwettelijke voorziening die alleen op basis van de Verordening werd verstrekt.

Bij artikel 5.1 is gekozen voor de mogelijkheden een rolstoel in de vorm van een algemene voorziening te verstrekken als het gaat om een rolstoel voor incidenteel gebruik. Deze rolstoelen voor incidenteel gebruik hoefden onder de Wet voorzieningen gehandicapten formeel niet te worden verstrekt, hoewel dat in de praktijk wel vaak gebeurde. Deze optie geeft een regeling waarbij wel incidenteel noodzakelijke rolstoelen worden verstrekt, maar dan via een algemene rolstoelvoorziening. Dit is geregeld onder a. Het betreft dan situaties waarbij soms een rolstoel nodig is, terwijl het dagelijks verplaatsen in en om de woning zonder rolstoel plaatsvindt. Het recht op een dergelijke rolstoel kan in die situaties ingevuld worden via een rolstoelpool waarop de betrokkene een beroep kan doen. Hierdoor wordt voorkomen dat een groot aantal rolstoelen weinig frequent wordt gebruikt. De rolstoelen uit de rolstoelpool worden daarentegen wel frequent gebruikt. Uiteraard moet het daadwerkelijk mogelijk zijn een rolstoel uit de pool te lenen. De pool moet dan ook voldoende geschikte rolstoelen op voorraad hebben. Onder b. en c. betreft het de individuele rolstoel voor dagelijks zittend gebruik, terwijl onder d. de sportrolstoel wordt genoemd.

Artikel 5.2 Primaat algemene rolstoelvoorziening bij incidenteel rolstoelgebruik en sportrolstoel

In dit artikel is geregeld dat een ondersteuningsvrager voor een rolstoel uit een rolstoelpool in aanmerking kan komen als het gaat om incidenteel gebruik van de rolstoel, terwijl een rolstoel in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt zal worden als de rolstoel voor het dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning langdurig medisch noodzakelijk is. Geen rolstoel wordt verstrekt als hulpmiddelen als krukken, een rollator, of andere hulpmiddelen een voldoende oplossing bieden voor het verplaatsingsprobleem. Wel kan, als dit noodzakelijk is, een rolstoel verstrekt worden in aanvulling op dergelijke voorzieningen, mits het gebruik dagelijks noodzakelijk is. De nadere verstrekkingscriteria worden vastgelegd in de beleidsregels.Indien de rolstoel niet noodzakelijk is voor incidenteel gebruik, maar voor dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning kan de rolstoel verstrekt worden als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget. Een rolstoel uit de rolstoelpool is dan immers geen adequate voorziening. Een sportrolstoel, in principe altijd te verstrekken als een persoonsgebonden budget, zal verstrekt worden als zonder de sportrolstoel sportbeoefening niet mogelijk is of zal zijn. Daarbij dient onder het begrip sportrolstoel uitsluitend een sportrolstoel verstaan te worden. Andere sportvoorzieningen worden niet verstrekt, evenmin als hulpmiddelen aan een sportrolstoel zoals een handbike, die alleen voor sportbeoefening, en niet voor het lokaal verplaatsen nodig is.

Artikel 5.3 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners

Recht op een op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel aan AWBZ-bewoners bestaat alleen indien de AWBZ-bewoner zowel de AWBZ-functie “verblijf”, als de functie “behandeling” geniet in één en dezelfde erkende AWBZ-instelling. Als een AWBZ-bewoner niet aan deze voorwaarde voldoet, is er ook geen recht op een AWBZ-rolstoel, en zal er door de gemeente een rolstoel moeten worden verstrekt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

Onduidelijkheid kan ontstaan, wanneer een instelling met alleen erkenning voor de AWBZ-functie “verblijf” (bijvoorbeeld een verzorgingshuis) de AWBZ-functie “behandeling”als het ware inkoopt bij een voor die functie wél erkende instelling. Het “verzorgingshuis met verpleegafdeling” is een veelvoorkomende situatie, waarin in de instelling wél beide AWBZ-functies kunnen worden “genoten”, maar de instelling zelf geen erkenning heeft voor beide AWBZ-functies, maar alleen voor de functie “verblijf”. Het gevolg is dat er geen recht op een AWBZ-rolstoel bestaat in een dergelijke situatie, juist omdat beide functies op die verpleegafdeling niet door één en dezelfde erkende AWBZ-instelling worden verzorgd, maar door twee verschillende AWBZ-instellingen, waarbij de ene instelling gebruik maakt van de erkenning van de andere instelling.

Hoofdstuk 6 het verkrijgen van een voorziening

Artikel 6.1 Gebruik van een aanvraagformulier

In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Dat betekent dat er altijd een eerste handeling van de kant van de ondersteuningsvrager noodzakelijk is: er moet eerst een aanvraag worden ingediend. Een persoon uit de doelgroep van deze wet kan dus niet verwachten dat vanuit de gemeente op eigen initiatief iets in zijn of haar richting wordt ondernomen. In dit artikel is bepaald dat de aanvraag plaats dient te vinden op een daartoe beschikbaar gesteld aanvraagformulier. De aanvraag in het kader van de wet die niet op het beschikbaar gestelde aanvraagformulier is ingediend, kan echter niet zonder meer buiten behandeling worden gelaten. De Algemene wet bestuursrecht bepaalt immers dat de aanvraag in ieder geval naam en adres van de ondersteuningsvrager en een aanduiding van de beschikking die gevraagd wordt, dient te bevatten en verder ondertekend moet zijn. Jurisprudentie leert dat een ondertekend formulier, dat overigens niet is ingevuld, geaccepteerd dient te worden als de overige benodigde bescheiden daarbij zijn gevoegd. Het ligt voor de hand in een dergelijke situatie te verzoeken om aanvulling van de gegevens.

Artikel 6.2 Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten

Op basis van het amendement-Mosterd c.s. (kamerstuk nr. 30 131-54 ) is in artikel 5, lid 2, onder a. van de wet opgenomen dat de gemeenteraad bij Verordening regels moet vaststellen omtrent de wijze waarop de toegang tot individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het gebied van wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is geregeld. Gezien de toelichting op dit amendement, waarbij is vermeld dat lid 2, onder a. ertoe strekt dat “de gemeente bepaalt hoe achter één loket de samenhang van toegang tot voorzieningen krachtens deze wet met toegang tot zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ of toegang tot voorzieningen op het gebied van wonen is geregeld”, wordt gedoeld op de zogenaamde één-loketgedachte. Wetsbepaling en toelichting lopen echter enigszins uit elkaar, omdat in de wetsbepaling “voorzieningen op het gebied van wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten” gebundeld (als vallend onder de AWBZ) worden genoemd, terwijl in de toelichting op het amendement waarop de wetsbepaling is gebaseerd onderscheid wordt gemaakt tussen toegang tot zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ en toegang tot voorzieningen op het gebied van het wonen. Verder wordt er, zoals hierboven al geciteerd, in de toelichting geen onderscheid meer gemaakt tussen raad en College, slechts “de gemeente” wordt genoemd. Praktisch gezien zal de concrete uuitvoering van activiteiten in het zorgloket en de werking ervan een typische uitvoeringsactiviteit zijn, dus naar zijn aard vallen onder de verantwoordelijkheid van het College. De door de raad vast te stellen Verordening beperkt zich daarom tot het aanwijzen van een loket,waarbij de nadere uitwerking daarvan via het College geregeld moeten worden.

Artikel 6.3 Inlichtingen en onderzoek,advies en beschikking

Lid 1 onder a. en b. van dit artikel in de Verordening bepaalt dat het College bevoegd is de ondersteuningsvrager op te roepen in persoon te verschijnen en te ondervragen op een door het College te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of ondervragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de aanvraag.

Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een vijftal artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt: een persoon of College, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan.

Advies wordt in ieder geval gevraagd wanneer het een eerste aanvraag door de betrokkene betreft. Dit bijvoorbeeld om te kunnen beoordelen of het wellicht om een progressief ziektebeeld gaat, waarbij vooruitlopend op dit proces reeds eerder ingrijpender maatregelen getroffen dienen te worden dan op het moment van de aanvraag nodig lijkt. Doorslaggevend is echter dat vanaf het begin duidelijk geobjectiveerd wordt wat er medisch gezien speelt bij de betrokken ondersteuningsvrager. Het spreekt voor zich dat bij overgang van AWBZ en Wvg naar deze wet voor diegenen die al een voorziening hadden niet gesproken wordt van eerste aanvraag. Van eerste aanvraag wordt gesproken als een ondersteuningsvrager in zijn geheel niet bekend is bij deze wet.Een afwijzing om medische redenen, zoals bedoeld onder b., kan uiteraard alleen maar op basis van een medisch advies. Met name wanneer de aard van de aandoening niet echt duidelijk is, is advies onontbeerlijk; soms kan een op het oog eenvoudige aanvraag leiden tot een stroom van verdere aanvragen, zonder dat duidelijk is wat iemand mankeert. Dat kan bij verstrekking van voorzieningen zelfs tot invaliderende effecten voor de ondersteuningsvrager en onnodige kosten voor de gemeente leiden. Dit probleem speelt in het bijzonder bij een aantal zogeheten (medisch) moeilijk objectiveerbare aandoeningen: (m)moa’s.Tot slot vraagt het College advies, indien dit overigens gewenst wordt geacht. Het zal duidelijk zijn dat hier een scala aan argumenten op te voeren valt. Door deze bepaling is het echter te allen tijde mogelijk om advies te vragen. Het is verstandig hierbij te (kunnen) motiveren waarom advies gevraagd wordt, met het oog op een eventuele beroepsprocedure, waarin dit een rol zou kunnen spelen.

De bepaling in lid 3 spreekt voor zich; het is duidelijk dat gegevens inzake de medische toestand, het inkomen, de woonsituatie en allerlei andere gegevens noodzakelijk kunnen zijn om een aanvraag te kunnen beoordelen. Er is een duidelijke praktische samenhang met artikel 6.1 van deze Verordening, inzake het gebruik van een door het College te verstrekken formulier. Door middel van gebruik van een formulier kunnen de procedures inzake de gegevensverstrekking worden gestroomlijnd.Uiteraard moet er niet meer worden opgevraagd dan noodzakelijk is voor het nemen van een besluit op de aanvraag, zie hieromtrent ook artikel 4:3 Algemene wet bestuursrecht. Weigert de ondersteuningsvrager echter de voor het nemen van het besluit noodzakelijke gegevens te verstrekken, dan rest het College niets anders dan de aanvraag volgens de procedure van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling te laten.

Ten aanzien van het omgaan met de – vaak privacygevoelige – gegevens moet de gemeente rekening houden met de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).

Lid 4 geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet worden van de zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Deze bepaling is in de Verordening opgenomen naar aanleiding van de toelichting op amendement 65, waarin staat “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.”Mede omdat bij de indicatiestelling van de diverse functies in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten eveneens van deze classificatie gebruik wordt gemaakt kan het gebruik van de ICF-classificatie afstemming tussen de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en deze wet vergemakkelijken.

Lid 5 vertaalt de opdracht van artikel 26 lid 1 van de wet naar de Verordening en bepaalt dat de beschikking dient te vermelden op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.

Artikel 6.4 Samenhangende afstemming

In artikel 5, lid 2, onder b. van de wet is vastgelegd dat de raad in de Verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend afgestemd wordt op de situatie van de ondersteuningsvrager. Deze bepaling is bedoeld om, naast de toepassing van algemene bestuursrechtelijke zorgvuldigheidseisen, de inhoud van de voorzieningen zelf, vanuit cliëntperspectief, in samenhang te bezien.

Artikel 6.6 Intrekking van een voorziening

Duidelijk is, dat verstrekking van voorzieningen gebonden is aan voorwaarden. Het is in verband met het kenbaarheidvereiste, verwoord in de passage “waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed zijn op het recht op een voorziening”, van groot belang om de beschikkingsvoorwaarden duidelijk te vermelden in een beschikking. Het is daarom raadzaam om een belanghebbende te wijzen op de voorwaarden die het recht op de voorziening met zich meebrengen. Daarnaast is het belangrijk in de beschikking ook expliciet te wijzen op de verplichting om wijzigingen in de situatie aan het College door te geven. Mocht er sprake zijn van een, om wat voor reden dan ook, ten onrechte toegekende voorziening, dan vergemakkelijkt een duidelijke formulering in de beschikking een eventuele beëindiging of terugvordering van (het recht op) een voorziening , omdat de betrokkene zich dan niet kan beroepen op onbekendheid met de feiten.

Artikel 6.7 Terugvordering

De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen, wat reden is om deze mogelijkheid op te nemen in de Verordening, omdat er anders geen juridische basis is om voorzieningen terug te vorderen. Indien er, naar later blijkt, ten onrechte is uitbetaald of geleverd (voorziening in natura), kan het College de voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Het besluit tot herziening van het recht op de voorziening en de daaraan gekoppelde terugvordering biedt echter geen executoriale titel, zoals bijvoorbeeld in de Wet werk en bijstand het geval is bij terugvordering. Er is wel sprake van een civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde betaling waarvoor het Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203 e.v. de wettelijke basis biedt. Aan de gerechtelijke procedure zijn kosten verbonden, met name in gevallen waarin de vordering hoger is dan € 5.000,- en dus een procedure met procureurstelling bij de rechtbank noodzakelijk is. Bij lagere bedragen kan een eenvoudige dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter gevolgd worden, zonder verplichte procureurstelling.

Het ligt voor de hand dat van de terugvorderingmogelijkheid in ieder geval gebruik wordt gemaakt indien er aan de zijde van de ondersteuningsvrager sprake is van verwijtbaarheid. Wanneer deze dus bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt, bijvoorbeeld over zijn inkomen. Ook kan terugvordering van een voorziening in natura aan de orde zijn wanneer de ondersteuningsvrager in gebreke blijft zijn eigen bijdrage binnen de gestelde termijn en na aanmaning te voldoen. Het is raadzaam vooraf een inschatting te maken van de kosten en te verwachten baten, gezien de mogelijke kosten van een civielrechtelijke procedure. Daarbij moet niet alleen gekeken worden naar de kosten van inschakeling van een procureur, maar ook naar mogelijke invorderingskosten, zoals de kosten van inschakeling van een deurwaarder.

Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een gemaximeerde vergoeding binnen zes maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling ook worden teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de uitbetaling van de tegemoetkoming of de vergoeding aan de aanschaf van de voorziening voorafgaat. Bij woningaanpassingen zal dit in de regel niet voorkomen omdat de uitbetaling pas dan plaatsvindt nadat de woningaanpassing is uitgevoerd. Artikel 6.7 is dus niet van toepassing op woningaanpassingen.

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen

Artikel 7. 1 Hardheidsclausule.

Artikel 7.1 bepaalt dat het College in bijzondere gevallen ten gunste van de ondersteuningsvrager kan afwijken van de bepalingen van deze Verordening, en dus niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen. Zonodig wordt hierbij advies ingewonnen. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van de betrokken persoon met beperkingen of de eigenaar van de woonruimte. Bij de woningeigenaar, bijvoorbeeld een corporatie kan gedacht worden aan een situatie waar het van belang is dat een woonruimte ook langer dan zes maanden leeg staat, omdat bijvoorbeeld bekend is dat een persoon met beperkingen voor wie de aangepaste woning uitermate geschikt is, op het punt staat om uit een revalidatiecentrum te worden ontslagen. In die gevallen kan het doelmatiger zijn om een langere periode een tegemoetkoming in de huurderving te verstrekken. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Het College moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de Verordening wordt afgeweken.

Artikel 7.2. Indexering.

Deze bepaling, maakt het mogelijk alle bedragen, genoemd in het op de Verordening gebaseerde Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning te indexeren. Indexering voor de meeste van de op deze Verordening gebaseerde normbedragen vindt plaats volgens het CBS-prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie hiermee door te voeren.

Artikel 7.3 Evaluatie.

Op grond van dit artikel dient het gemeentelijk beleid periodiek geëvalueerd te worden. Dat beleid omvat zowel het algemene beleid, zoals door de gemeenteraad neergelegd in de Verordening, als het uitvoeringsbeleid, dat onder de bevoegdheid van het College is neergelegd in beleidsregels. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld omdat het voorzieningenniveau te hoog of te laag blijkt te zijn, dient de evaluatie te leiden tot aanpassing van de Verordening of van de beleidsregels.