gemeente Steenbergen | Beleidsregel gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang Gemeente Steenbergen

Officiele publicatie

Beleidsregel gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang Gemeente Steenbergen

Intitulé

Beleidsregel gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang gemeente Steenbergen

Burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen ;

gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht;

gelet op de artikelen 1.61, eerste lid, 1.65, eerste en vierde lid, 1.66 en 1.72, eerste lid, van de Wet kinderopvang;

besluiten vast te stellen de volgende Beleidsregel gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang Gemeente Steenbergen

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1 Definities

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

Definitie

Afwegingsmodel

In het afwegingsmodel worden per domein de kwaliteitseisen geclusterd weergegeven en voorzien van een hersteltermijn, de hoogte van de bestuurlijke boete en de last onder dwangsom. 

Het afwegingsmodel is als bijlage aan deze beleidsregels toegevoegd.

Awb

Algemene wet bestuursrecht

College

Het college van burgemeester en wethouders

Gemeente

Gemeente Steenbergen

GGD

GGD West-Brabant

Houder

Houder van een kinderopvangvoorziening

Kinderopvangvoorziening

Buitenschoolse opvang op een specifiek adres, kinderdagopvang op een specifiek adres, een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang

Kwaliteitseisen

De kwaliteitseisen vastgelegd in voorschriften, welke door de houder nageleefd moeten worden, staan genoemd in de Wet kinderopvang en alle onderliggende regelgeving

LRK

Landelijk register kinderopvang

Toezichthouder

De aangewezen toezichthouder van de GGD. De toezichthouder kinderopvang onderzoekt de naleving van de kwaliteitseisen en legt de bevindingen vast in een inspectierapport.

Wko

Wet kinderopvang

VE

Voorschoolse Educatie

Voor alle overige definities wordt aangesloten bij de definities zoals deze zijn gegeven in de Wet kinderopvang en onderliggende regelgeving.

Artikel 2 Toepassingsbereik

1.

Deze beleidsregel is van toepassing op de gemeentelijke inzet om:

  • a.
    toezicht te houden op de kwaliteit van de kinderopvang;
  • b.
    aanvragen tot exploitatie en wijzigingsverzoeken voor kinderopvang af te handelen; en
  • c.
    te handhaven naar aanleiding van het niet naleven van voorschriften van de bij of krachtens de Wko gestelde regelgeving.
2.

Deze beleidsregel is van toepassing op alle gastouderbureaus, voorzieningen voor kinderopvang en gastouderopvang binnen de gemeente.

Artikel 3 Kader

Aan kinderopvang worden kwaliteitseisen gesteld. Deze kwaliteitseisen staan in de Wko en in de daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen en aanverwante regelingen. De regelgeving stelt kwaliteitseisen aan de volgende onderwerpen:

  • a.
    registratie, wijzigingen en administratie;
  • b.
    het pedagogisch klimaat;
  • c.
    personeel en groepen;
  • d.
    veiligheid en gezondheid;
  • e.
    accommodatie; en
  • f.
    ouderrecht.

De Burgemeester en wethouders zijn belast met het toezicht op de naleving van deze kwaliteitseisen. De GGD is bij wet de aangewezen toezichthouder voor kinderopvang. Burgemeester en wethouders hebben de directeur publieke gezondheid van de GGD aangewezen als toezichthouder.

De Inspectie van het Onderwijs is de tweedelijns toezichthouder en controleert jaarlijks of de gemeente haar wettelijke taken met betrekking tot de registervoering en de uitvoering van het toezicht, goed uitvoert.

Artikel 4 Doelstelling

Doelstelling van deze beleidsregel is vast te leggen hoe binnen de gemeente het beleid is met betrekking tot de gemeentelijke taken die voortvloeien uit de Wko. Er wordt invulling gegeven aan de uitoefening van de bevoegdheid van burgemeester en wethouders om toezicht te houden op alle voorzieningen voor kinderopvang en waar nodig te handhaven.

Het vastleggen van dit beleid draagt bij aan:

  • a.
    het stimuleren van kwalitatief goede kinderopvang;
  • b.
    een transparante werkwijze, omdat houders, ouders, toezichthouders en andere belanghebbenden vooraf geïnformeerd zijn over de mogelijkheden en bevoegdheden van burgemeester en wethouders; en
  • c.
    rechtsgelijkheid, door het vastleggen van beleidsregels die voor iedereen van toepassing zijn.

Artikel 5 Visie en ambitie

Burgemeester en wethouders vinden kwalitatief goede kinderopvang zeer belangrijk. Het uitvoeren van de toezichts- en handhavingstaken zien zij als essentiële voorwaarde om te komen tot kwalitatief goede kinderopvang. Dit houdt in geregistreerde kinderopvang die voorziet in een veilige en gezonde omgeving voor de op te vangen kinderen, waar vaste en vertrouwde personen bijdragen aan de persoonlijke en sociale ontwikkeling en de kinderen normen en waarden meegeven die in het onderwijs en in de maatschappij van belang zijn. Hierbij streven burgemeester en wethouders een goede relatie met de houder na en werken zij vanuit vertrouwen.

Burgemeester en wethouders zetten drie rollen in om te sturen op de kwaliteit van kinderopvang: die van vergunningverlener, toezichthouder en handhaver.

  • a.
    Bij vergunningverlening zijn burgemeester en wethouders streng aan de poort. Ouders moeten er op kunnen vertrouwen dat de kinderen vanaf de eerste dag in een veilige en verantwoorde omgeving worden opgevangen.
  • b.
    Toezicht en handhaving heeft als doel het waarborgen van veilige en kwalitatief goede kinderopvang en het effectief bijdragen aan naleving van de kwaliteitseisen. Om dit te bereiken houdt de GGD risicogestuurd toezicht op naleving van de kwaliteitseisen (meer waar nodig, minder waar kan) en richt de handhaving hiervan zich niet alleen op eenmalig herstel, maar op langdurige verbetering en voorkoming van recidive.
  • c.
    Als er sprake is van een overtreding dan is het uitgangspunt om actief in te grijpen met een handhavingsmaatregel. Feiten en omstandigheden waaronder de overtreding is begaan worden daarbij meegewogen. Het doel van het handhavend optreden is de overtreding te laten herstellen en te bestraffen indien nodig.

Hoofdstuk 2 Toezicht

Artikel 6 Rol GGD

1.

De toezichthouder komt jaarlijks op alle kindercentra en gastouderbureaus en ziet wat daar in de dagelijkse praktijk gebeurt.

2.

De toezichthouder onderzoekt middels een steekproef van de in het LRK geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang, een deel van deze voorzieningen. De toezichthouder fungeert daarmee als de ogen en oren van de gemeente.

3.

De toezichthouder onderzoekt de naleving van de kwaliteitseisen en rapporteert en adviseert de gemeente over deze naleving.

4.

De toezichthouder geeft geen advies aan de houder maar kan wel toelichten wat er wordt getoetst en waarom.

Artikel 7 Onderzoeken

De toezichthouder van de GGD voert de volgende onderzoeken voor de gemeente uit:

  • a.
    Onderzoek voor registratie: naar aanleiding van een ingediende aanvraag tot exploitatie onderzoekt de toezichthouder of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden volgens de voorschriften van de Wko en onderliggende regelgeving.
  • b.
    Onderzoek na registratie: binnen drie maanden na registratie in het LRK vindt een onderzoek plaats (dit onderzoek vindt niet plaats bij voorzieningen voor gastouderopvang).
  • c.
    Jaarlijks onderzoek: alle kindercentra en gastouderbureaus worden jaarlijks onderzocht.
  • d.
    Onderzoek voorzieningen voor gastouderopvang: jaarlijks op basis van een steekproef. Met ingang van 2024 is de steekproef 50% van het aantal gastouders in de betreffende gemeente;
  • e.
    Nader onderzoek: naar aanleiding van eerder geconstateerde overtreding(en) en als er een handhavingsmaatregel is ingezet, onderzoekt de toezichthouder nadat de hersteltermijn is verstreken of de overtreding is hersteld; en
  • f.
    Incidenteel onderzoek: een onderzoek naar aanleiding van bijvoorbeeld een incident, een signaal of een wijzigingsverzoek van een houder.

De bevindingen tijdens een onderzoek en het oordeel van de toezichthouder worden in een inspectierapport vastgelegd. Deze inspectierapporten geven een beeld van de kwaliteit van de voorziening. De rapporten worden openbaar gemaakt in het LRK.

Artikel 8 Risicogestuurd en onaangekondigd toezicht

1.

Om een goed beeld te krijgen van een kindercentrum, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang, vinden de onderzoeken (met uitzondering van het onderzoek voor registratie) in principe onaangekondigd plaats.

2.

Het toezicht op kindercentra en gastouderbureaus die daarvoor in aanmerking komen, wordt risicogestuurd uitgevoerd. Dit betekent meer toezicht waar het nodig is, minder waar het kan. Om hier invulling aan te geven wordt door de toezichthouder een risicoprofiel opgesteld of aangepast na ieder (daarvoor relevant) onderzoek. Aan de hand hiervan wordt de intensiviteit van het daarna volgende toezicht bepaald.

Artikel 9 Herstelaanbod

1.

De gemeente en de GGD werken met de werkwijze herstelaanbod. Door te werken met herstelaanbod verwacht de gemeente dat een overtreding sneller beëindigd wordt. Dit komt de kwaliteit van de kinderopvang ten goede. Een herstelaanbod is het aanbod van de toezichthouder kinderopvang aan de houder om binnen de door de toezichthouder gestelde tijd een geconstateerde overtreding te herstellen. De houder wordt in de gelegenheid gesteld om geconstateerde overtredingen voor afronding van het conceptrapport te beëindigen. Dit leidt tot snellere inzet van het herstel en een betere inschatting van de nalevingsbereidheid.

2.

Het herstelaanbod kan aangeboden worden bij alle type voorzieningen, bij een onderzoek na registratie, een jaarlijks onderzoek en een incidenteel onderzoek. Het wordt niet aangeboden bij een onderzoek voor registratie of bij een nader onderzoek.

3.

Elke overtreding kan in aanmerking komen voor herstelaanbod. De toezichthouder beoordeelt of de aard en omstandigheid zich leent voor herstelaanbod. De periode tot herstel is maximaal vier weken. De toezichthouder schrijft in het inspectierapport het verloop van het aanbod. De houder is niet verplicht om van het aanbod gebruik te maken.

4.

De GGD geeft geen herstelaanbod bij:

  • a.
    recidive; als de overtreding van hetzelfde voorschrift het jaar ervoor ook is geconstateerd tijdens het jaarlijks onderzoek, zal er geen herstelaanbod worden aangeboden. Recidive zal bekeken worden op locatieniveau en niet op houderniveau;
  • b.
    te veel overtredingen, te beoordelen door de toezichthouder;
  • c.
    een benodigde hersteltermijn langer dan vier weken; of
  • d.
    een bevel wordt afgegeven voor een andere overtreding.
5.

De gemeente weegt de oorspronkelijke overtreding en de resultaten van herstelaanbod mee bij haar beslissing om wel of niet te handhaven.

Artikel 10 Schriftelijk bevel

1.

Indien de toezichthouder tijdens een onderzoek een situatie tegenkomt waarin het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de toezichthouder zelf ingrijpen. Dit gebeurt met een schriftelijk bevel. Dit bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen. In het bevel geeft de toezichthouder aan wat de overtreding(en) is/zijn, welke actie(s) de houder moet ondernemen en binnen welke termijn dit dient te gebeuren.

2.

De toezichthouder informeert de gemeente over het opgelegde schriftelijk bevel. Hierdoor is de gemeente tijdig op de hoogte om eventueel vervolgstappen (zoals verlenging van het schriftelijk bevel) te nemen.

Artikel 11 Voorschoolse educatie

1.

Voorschoolse educatie is een belangrijk instrument om kinderen met een achterstand extra ondersteuning te bieden voordat zij aan het basisonderwijs beginnen. De GGD inspecteert jaarlijks de basiskwaliteit van de voorschoolse educatie zoals vastgelegd in de Wko en heeft hierbij een signaalfunctie richting de Inspectie van het Onderwijs die toezicht houdt op de gehele voor- en vroegschoolse educatie (VVE).

2.

Als bij inspectie blijkt dat de houder niet voldoet aan de eisen voorschoolse educatie gesteld bij of krachtens de Wko, dan treden burgemeester en wethouders handhavend op. Ook wordt de beleidsadviseur van de gemeente die betrokken is bij VVE geïnformeerd over de geconstateerde overtreding(en) en het hersteltraject. Bij overtredingen van Wko-overstijgende subsidievoorschriften voor voorschoolse educatie, maakt de beleidsadviseur afspraken met de houder over het opheffen van de tekortkoming. Dit alles kan ertoe leiden dat subsidie aan voorschoolse aanbieders lager wordt vastgesteld of zelfs wordt stopgezet.

Hoofdstuk 3 Aanvraag tot exploitatie

Artikel 12 Nieuwe voorziening

1.

Een nieuwe kinderopvangvoorziening mag pas in exploitatie genomen worden/starten nadat daartoe schriftelijke toestemming is verleend door burgemeester en wethouders, op een in dat besluit vastgestelde specifieke datum. Als er toestemming is gegeven, wordt de voorziening in het LRK geregistreerd.

2.

Om deze toestemming te verkrijgen dient de houder een aanvraag tot exploitatie in bij de gemeente waar de beoogd te exploiteren kinderopvangvoorziening zich bevindt. De beslistermijn is tien weken. Deze termijn kan in bepaalde situaties nog verlengd worden. Het is van belang dat de houder een aanvraag tijdig voor de gewenste startdatum indient.

3.

Een aanvraag wordt ingediend middels een door de rijksoverheid vastgesteld aanvraagformulier, te vinden op Externe link:www.rijksoverheid.nl. Bij het indienen van een aanvraag voor een nieuwe kinderopvangvoorziening worden leges in rekening gebracht. In de gemeentelijke legesverordening is jaarlijks te zien hoe hoog de leges zijn.

Artikel 13 Illegale kinderopvang

1.

Zonder, of voorafgaand aan de schriftelijke toestemming tot exploitatie mag een kinderopvangvoorziening niet geëxploiteerd worden. Indien dit toch gebeurt, wordt dit ook wel aangeduid met illegale kinderopvang. De gemeente treedt streng op tegen illegale opvang. Illegale opvang is op grond van de Wet op de economische delicten reden voor aangifte bij het Openbaar Ministerie 1 Het exploiteren van een kinderopvangvoorziening zonder toestemming van burgemeester en wethouders is strafbaar gesteld. Dit is een economisch delict (artikel 1, lid 2, Wet op de economische delicten). of het opleggen van een bestuurlijke boete door de gemeente.

2.

Ook bij een kinderopvangvoorziening waarvan de toestemming tot exploitatie is ingetrokken en die desondanks in exploitatie blijft, is sprake van illegale opvang met dezelfde gevolgen als hiervoor beschreven.

Artikel 14 Streng aan de Poort

1.

De gemeente wil dat er direct vanaf de start van de exploitatie van een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang verantwoorde en kwalitatief goede opvang geboden wordt. Voor een gastouderbureau geldt dat deze direct vanaf de start de werkzaamheden zo moet kunnen uitvoeren dat zowel het gastouderbureau als de door het gastouderbureau te begeleiden gastouders, aan de kwaliteitseisen voldoen. De gemeente laat daarom alle nieuwe aanvragen tot exploitatie uitgebreid toetsen door de GGD.

2.

De toezichthouder zal bij het onderzoek voor registratie toetsen of er voldoende vertrouwen is dat er vanaf datum van exploitatie kwalitatief goede opvang of begeleiding geboden wordt. Uitgangspunt hierbij is dat al bij de aanvraag tot exploitatie (voor zover mogelijk) alle eisen beoordeeld worden. Aanvullend kan een gesprek met de houder duidelijkheid geven of hij ‘redelijkerwijs aan de kwaliteitseisen’ zal gaan voldoen. Op basis van dit totaal onderzoek vormt de toezichthouder een oordeel over de aanvraag tot exploitatie.

3.

De gemeente neemt in de beoordeling van de aanvraag de kwaliteit van andere kinderopvangvoorzieningen van de houder en de daarbij behorende handhavingshistorie mee. Voortdurende, ernstige en/of veel overtredingen op deze voorzieningen vormen een indicatie voor de naleving van de kwaliteitseisen op een nieuwe voorziening. Signalen buiten het advies van de toezichthouder kunnen eveneens meewegen in de beoordeling van de aanvraag.

4.

De gemeente kijkt naast de beoordeling op de eisen vanuit de Wko, bij een nieuwe aanvraag ook naar andere vergunningen die van belang zijn voor de veiligheid en gezondheid van de op te vangen kinderen. De gemeente vindt het van groot belang dat wanneer een kinderopvangvoorziening start met exploiteren, ook aan de andere benodigde eisen gesteld aan bijvoorbeeld het brandveilig gebruik, de bouw (het gebouw) en de bestemming is voldaan.

Artikel 15 Startdatum exploitatie

Op basis van het onderzoek voor registratie neemt de gemeente een beslissing op de aanvraag. In de beslissing op de aanvraag wordt aangegeven vanaf welke datum de exploitatie mag starten op grond van de Wko.

Artikel 16 Onderzoek na registratie

Binnen drie maanden na de registratiedatum beoordeelt de toezichthouder of de kinderopvangvoorziening (niet zijnde een voorziening voor gastouderopvang) in de praktijk aan de kwaliteitseisen voldoet. Hierbij wordt met name gekeken naar de uitvoeringspraktijk van het veiligheids-, gezondheids- en pedagogisch beleid, de inzet van het personeel en de wijze waarop de kinderen worden opgevangen.

Artikel 17 Mogelijkheden na afwijzing aanvraag tot exploitatie

Wanneer een aanvraag tot exploitatie is afgewezen, kan de houder een nieuwe aanvraag indienen. Om een nieuwe aanvraag te kunnen indienen, moet er sprake zijn van nieuwe feiten en omstandigheden. Deze moeten door de houder bij de nieuwe aanvraag worden vermeld. Alleen als dat het geval is, wordt een nieuwe aanvraag in behandeling genomen.

Artikel 18 Houderwijziging

1.

Een kindercentrum of gastouderbureau dat wordt overgenomen, is veelal al in exploitatie en er worden kinderen opgevangen/bemiddeld. Het is voor de continuïteit daarom van groot belang dat de oude en nieuwe eigenaar de overname samen goed regelen. Een houderwijziging wordt ingediend middels een door de rijksoverheid vastgesteld wijzigingsformulier. Deze formulieren zijn te vinden op Externe link: www.rijksoverheid.nl (en dan klikken op het zoekvenster rechts boven).

De gemeente hanteert de volgende uitgangspunten bij een overname:

  • a.
    Een overname moet worden behandeld als een nieuwe aanvraag. Dat betekent dat ook bij een overname streng wordt getoetst. Naleving van de kwaliteitseisen bij andere kinderopvangvoorzieningen en de handhavingshistorie van de nieuwe houder worden meegewogen.
  • b.
    Bij een overname worden leges in rekening gebracht, omdat de overname wordt behandeld als een nieuwe aanvraag, met bijbehorend onderzoek.
  • c.
    De nieuwe houder heeft redelijkerwijs tijd nodig om eventuele bestaande tekortkomingen op te heffen. Daar wordt rekening mee gehouden.

Artikel 19 Verhuizing van een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang

1.

Wanneer een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang verhuist, moet dit in behandeling worden genomen als zijnde een nieuwe aanvraag.

2.

Bij de gemeente wordt ingediend:

  • a.
    Voor de oude kinderopvangvoorziening een wijzigingsverzoek tot intrekken toestemming exploitatie (uitschrijving). Hierbij moet de aanvrager op het wijzigingsformulier vermelden dat het een verhuizing betreft.
  • b.
    Voor de nieuwe kinderopvangvoorziening een aanvraag tot exploitatie (inschrijving).

Artikel 20 Verhuizing van een gastouderbureau

1.

Wanneer een gastouderbureau (GOB) verhuist, geldt een andere procedure. Wettelijk is vastgelegd dat een GOB geen nieuwe aanvraag tot exploitatie hoeft in te dienen wanneer het adres van een GOB wijzigt.

2.

Bij de gemeente wordt een wijzigingsverzoek tot wijziging van het vestigingsadres ingediend.

3.

Als het om verhuizing naar een andere gemeente gaat, moet het wijzigingsverzoek gestuurd worden naar de huidige gemeente van vestiging. Deze stuurt het verzoek door (na verwerking in het LRK), waarna de beoogde gemeente van vestiging een besluit zal nemen over het verzoek. Die gemeente kan de GGD vragen advies uit te brengen over het verzoek alvorens dat besluit te nemen.

Hoofdstuk 4 Handhaving

Artikel 21 Rol gemeente

1.

De gemeente heeft een beginselplicht tot handhaven en kan een handhavingsbesluit nemen als is geconstateerd dat de kwaliteitseisen niet nageleefd zijn. Dit zal doorgaans blijken uit de inspectierapporten van de GGD. Het niet naleven van de kwaliteitseisen kan echter ook door de gemeente zelf worden geconstateerd. In beide gevallen zal de gemeente in principe handhaven.

2.

Bij handhaving hebben burgemeester en wethouders oog voor de specifieke situatie van het geval. Individuele omstandigheden - verzwarend of verzachtend – kunnen van invloed zijn op het wel of juist niet geven van een maatregel nadat geconstateerd is dat een kwaliteitseis niet is nageleefd. Dat doet recht aan het feit dat niet alle situaties ‘standaard’ zijn. Handhaven is maatwerk.

3.

De Wko verplicht gemeenten om na het onherroepelijk worden van een handhavingsbesluit, deze te publiceren in het LRK. Een handhavingsbesluit is pas onherroepelijk wanneer de procedures met betrekking tot bezwaar en beroep ten aanzien van dat besluit zijn afgerond. Hoe in bezwaar of beroep gegaan kan worden, wordt bij ieder besluit bekendgemaakt aan de ontvanger.

Artikel 22 Preventie

De gemeente vindt het van belang om het niet naleven van kwaliteitseisen (zoveel mogelijk) te voorkomen. In dit kader informeren wij houders over ons toezicht en handhavingsbeleid. Als een nieuwe houder zich wil vestigen binnen de gemeente zal een voorgesprek bij de aanvraag plaatsvinden. Tijdens het voorgesprek wordt besproken wat de verwachtingen eisen zijn bij het starten van een kinderopvang. Dit gesprek wordt in principe niet met nieuwe gastouders gehouden.

Artikel 23 Herstellend en/of bestraffend handhaven

1.

De gemeente heeft de mogelijkheid om zowel herstellend als bestraffend te handhaven:

  • a.
    Herstellend betekent dat de gemeente de houder ertoe aanzet de overtreding van een kwaliteitseis op te heffen en opgeheven te houden.
  • b.
    Bestraffend betekent dat de gemeente een bestuurlijke boete geeft voor bepaalde overtredingen.
2.

Herstellend en bestraffend handhaven kan naast elkaar ingezet worden

Artikel 24 Escalatieladder

Bij de handhaving wordt de volgende escalatieladder wordt gebruikt:

a.

In beginsel start een herstellend handhavingstraject met een waarschuwing of een aanwijzing met een hersteltermijn.

b.

Na de hersteltermijn vindt een nader onderzoek plaats. Blijkt uit het nader onderzoek dat de kwaliteitseis(en) nog niet of niet volledig worden nageleefd en/of is er vrees voor herhaling van de overtreding(en), dan zal er een afweging plaatsvinden over een vervolgstap in de handhaving. We blijven in gesprek met de houder en als het nodig blijkt kan worden overgegaan tot het opleggen van een last onder dwangsom.

c.

Leidt ook deze stap niet tot (volledige) naleving dan zal wederom een afweging over een vervolgstap plaatsvinden. In dat geval ligt een verhoogde last onder dwangsom of een exploitatieverbod voor de hand. Het uiterste middel binnen een herstellend traject is het intrekken van de toestemming tot exploitatie.

d.

Naast een herstellend traject kan er ook een bestraffend traject worden ingezet. Dit is een bestuurlijke boete. De boete kan opgelegd worden voor het overtreden van een bepaalde kwaliteitseis. Ook kan de boete opgelegd worden voor het niet opvolgen van een aanwijzing, een bevel of exploitatieverbod, het niet meewerken aan een vordering van de toezichthouder, illegale opvang of het niet tijdig doorgeven van een wijziging.

Artikel 25 Handhavingsafwegingen

Om te komen tot de uiteindelijke beoordeling van de situatie en de in te zetten handhaving worden meerdere afwegingen gemaakt om te bepalen of en zo ja welke actie nodig is. De beoordeling van de afwegingen kan leiden tot gemotiveerd afwijken van de reguliere escalatieladder. Voor de herstellende handhaving zijn dit onder andere de volgende afwegingen:

  • a.
    Is er herstelaanbod geweest?
  • b.
    Wat is de aard van de overtreding?
  • c.
    Wat is de ernst van de overtreding?
  • d.
    Hoeveel overtredingen zijn er totaal?
  • e.
    Betreft het een herhaalde overtreding (recidive)?
  • f.
    Wat zijn de omstandigheden waaronder de overtreding begaan is?
  • g.
    Komt de overtreding voort uit economisch belang?

Artikel 26 Hersteltermijn/begunstigingstermijn

1.

De gemeente geeft de houder bij een op herstel gericht handhavingsmaatregel altijd een termijn om de overtreden kwaliteitseis alsnog na te leven. Dit heet de herstel- of de begunstigingstermijn. De hersteltermijn of begunstigingstermijn van een herstellende maatregel is afgestemd op een redelijke tijd die nodig is om de overtreding te beëindigen en herhaling te voorkomen. Bij de bepaling van de termijn wordt rekening gehouden met de aard en de ernst van de overtreding, waarbij het uitgangspunt is dat de overtreding zo spoedig mogelijk moet worden opgeheven. Zo zullen overtredingen die direct invloed hebben op de kwaliteit van de opvang en daarmee de veilige en gezonde omgeving, of die direct invloed hebben op de ontwikkeling van de kinderen, over het algemeen een korte hersteltermijn kennen.

2.

Als uitgangspunt worden door de gemeente de volgende termijnen gehanteerd:

  • a.
    Maximaal twee weken voor herstel van overtredingen met gevolgen voor de directe veiligheid, gezondheid of pedagogisch welbevinden van de kinderen in de dagelijkse opvangpraktijk.
  • b.
    Maximaal twee maanden voor herstel of wijziging van beleidsvoering en administratieve vereisten die redelijkerwijs moeten leiden tot verantwoorde kinderopvang.
  • c.
    Maximaal zes maanden voor herstel van andere overtredingen die geen directe gevolgen hebben voor de veilige en gezonde omgeving van de kinderen.
3.

De hersteltermijn zal met de in het voorgaande lid genoemde uitgangspunten bij elk handhavingsbesluit aan de hand van de specifieke situatie worden bepaald.

Artikel 27 Handhavingsmiddelen

1.

De gemeente kan de volgende herstellende en bestraffende handhavingsmiddelen inzetten:

Traject

Handhavingsmiddel

Informeel herstellend

Overleg en overreding

(schriftelijke) Waarschuwing

Formeer herstellend

Aanwijzing

Last onder dwangsom

Last onder bestuursdwang

Exploitatieverbod

Intrekken toestemming tot exploitatie

Formeel bestraffend

Bestuurlijke boete

2.

Niet ieder middel is in iedere situatie geschikt om in te zetten. De gemeente kiest altijd het meest passende middel. Als de feiten en omstandigheden het toelaten zal de gemeente zich als eerste richten op een informeel herstellend traject. Mocht dat niet passend of effectief zijn, dan worden de formele trajecten ingezet.

Artikel 28 De waarschuwing

1.

De waarschuwing wordt doorgaans ingezet als eerste stap in het handhavingstraject. Deze maatregel maakt wel onderdeel uit van het handhavingstraject, maar heeft geen juridische gevolgen. In een waarschuwing wordt aangegeven op welke punten de kwaliteitseisen niet of in onvoldoende mate worden nageleefd. Ook wordt aangegeven welke maatregelen door de houder genomen moeten worden. Daarvoor krijgt de houder een hersteltermijn.

2.

Na afloop van de hersteltermijn wordt een opdracht aan de GGD gegeven om een nader onderzoek uit te voeren. Hierin wordt beoordeeld of de overtreding van de kwaliteitseis is beëindigd.

3.

In sommige situaties kan er ook voor worden gekozen om de hercontrole van de overtreden kwaliteitseis(en) bij de eerstvolgende reguliere inspectie te laten uitvoeren. Er volgt dan geen apart/extra onderzoek. Burgemeester en wethouders bepalen of de aard en de ernst van de overtreding en de omstandigheden waaronder de overtreding heeft plaatsgevonden zich hiervoor leent. Daarbij wordt ook meegewogen of de houder direct gestart is met verbetermaatregelen en of deze eerder voldoende nalevingsbereidheid heeft getoond.

Artikel 29 De aanwijzing

1.

De aanwijzing wordt door de gemeente ingezet als eerste stap in het juridische handhavingstraject. Het is feitelijk een waarschuwing in de vorm van een besluit. Willen burgemeester en wethouders na een aanwijzing gaan handhaven, dan is er alsnog eerst een voornemen last onder dwangsom of een voornemen last onder bestuursdwang nodig. In een aanwijzing wordt aangegeven op welke punten de bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd. Ook wordt aangegeven welke maatregelen door de houder genomen moeten worden. Daarvoor krijgt de houder een hersteltermijn.

2.

Na afloop van de hersteltermijn kan de gemeente de GGD opdracht geven om een nader onderzoek uit te voeren om te beoordelen of de overtreding van de kwaliteitseis is beëindigd.

Artikel 30 De last onder dwangsom

1.

De last onder dwangsom (LOD) is een herstelmaatregel die doorgaans wordt gegeven na het niet opvolgen van een aanwijzing. Of als in het verleden al eerder een aanwijzing voor eenzelfde overtreding gegeven is.

2.

Met een LOD krijgt een houder wederom de plicht (last) opgelegd om een overtreding van een kwaliteitseis te herstellen binnen een aangegeven (begunstigings)termijn en daarna hersteld te houden. Na afloop van de begunstigingstermijn geeft de gemeente de GGD opdracht om te controleren of de houder aan de last heeft voldaan. Wanneer de houder niet of niet op tijd herstelt verbeurt de dwangsom van rechtswege en moet de houder deze van rechtswege betalen.

3.

De hoogte van de dwangsom is gelijk aan het bedrag dat in het afwegingsmodel staat genoemd als boete.

4.

Een dwangsom kan worden opgelegd:

  • a.
    Als bedrag ineens. In dat geval wordt er na de begunstigingstermijn eenmalig beoordeeld of wel of niet aan de opgelegde last is voldaan en of de dwangsom dus wel of niet is verbeurd.
  • b.
    Per constatering van een overtreding. Hierbij wordt na de hersteltermijn de dwangsom verbeurd elke keer wanneer (door of namens de gemeente) geconstateerd wordt dat de houder de last overtreedt. Er wordt in dit geval wel een maximumbedrag aan gekoppeld, welke in het besluit is opgenomen.
  • c.
    Per periode dat de last wordt overtreden. Hierbij wordt na de hersteltermijn per in het besluit aangegeven periode beoordeeld of wel of niet aan de last is voldaan en of deze derhalve is verbeurd of niet. Ook deze vorm is aan een maximumbedrag verbonden. Deze wordt ook in het besluit genoemd. Deze vorm van de LOD wordt bij zogenaamde voortdurende overtredingen opgelegd. Dat zijn overtredingen die onafgebroken gedurende een langere periode aanhouden, zoals dat bijvoorbeeld bij een beleidsdocument het geval kan zijn.
5.

Het betalen van de dwangsom kan voorkomen worden door tijdig herstellen en hersteld houden van de overtreding.

6.

De houder waaraan een LOD is opgelegd, kan, indien een jaar nadat de last van kracht is geworden geen overtreding van de betreffende kwaliteitseis is geconstateerd, verzoeken om de last op te heffen.

Artikel 31 Last onder bestuursdwang

Bij een last onder bestuursdwang (LOB) neemt de gemeente bepaalde maatregelen om de overtreding van de kwaliteitseis op te heffen. De kosten die hierbij gemaakt worden zijn voor rekening van de houder.

Artikel 32 Het exploitatieverbod

1.

Bij een exploitatieverbod verbiedt de gemeente de houder om de voorziening in exploitatie te nemen of te houden. Dit is een zwaar handhavingsmiddel vanwege de verstrekkende gevolgen voor de houder, de ouders en de kinderen.

2.

De gemeente kan een houder een exploitatie verbod opleggen zolang de houder een bevel of aanwijzing niet opvolgt (en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is).

3.

Bij het exploitatieverbod stelt de gemeente een maximale termijn. Dit is geen hersteltermijn zoals eerder beschreven in artikel 25.

4.

Zodra de houder de maatregelen uit het exploitatieverbod of het eventueel daaraan voorafgaande bevel of de aanwijzing heeft opgevolgd, dient hij de gemeente daarover schriftelijk te berichten. De houder geeft in dat bericht een opsomming van de genomen maatregelen waaruit moet blijken dat hij aan de kwaliteitseisen zal gaan voldoen. De gemeente kan de GGD opdracht geven om naar aanleiding van deze melding op korte termijn te onderzoeken of de kinderopvangvoorziening voldoet aan de kwaliteitseisen van de Wko en onderliggende regelgeving. Hierna informeert de gemeente de houder of het verbod nog blijft gelden.

5.

Indien bij het verstrijken van de gestelde termijn de kwaliteitseisen niet voldoende worden nageleefd, volgt het besluit tot intrekken van de toestemming tot exploitatie. De houder kan de gemeente ook zelf verzoeken de gegeven toestemming tot exploitatie in te trekken.

Artikel 33 Intrekken toestemming tot exploitatie in vervolg op handhaving

1.

Er zijn verschillende gronden waarop, in het kader van handhaving, de toestemming tot exploitatie kan worden ingetrokken:

  • a.
    als is gebleken dat de houder de kinderopvangvoorziening niet langer exploiteert.
  • b.
    als de exploitatie van de voorziening drie maanden na de inschrijving in het LRK niet daadwerkelijk is aangevangen.
  • c.
    als uit een GGD-onderzoek of anderszins is gebleken dat de houder niet of niet langer zal voldoen aan de bij en krachtens hoofdstuk 1, afdeling 3, paragrafen 2 en 3 gegeven voorschriften van de Wko.
2.

Het intrekken van de toestemming tot exploitatie is een uiterste handhavingsmiddel. De gemeente zal in de basis een zo licht mogelijk handhavingsmiddel inzetten om het doel (herstel) te bereiken (subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel). Het intrekken van de toestemming tot exploitatie vanwege het niet of niet langer voldoen aan de wettelijke voorschriften wordt ingezet wanneer eerder ingezette handhavingsmiddelen zoals een aanwijzing, last onder dwangsom of een exploitatieverbod niet het beoogde (blijvende) herstellende effect hebben.

3.

Wanneer de toestemming tot exploitatie is ingetrokken, wordt de voorziening uit het LRK verwijderd. Dit betekent dat er geen sprake meer is van kinderopvang in de zin van de wet. Er mag geen opvang of bemiddeling meer plaatsvinden. Voortzetten van exploitatie leidt tot illegale opvang en tot een boete of vervolging door het Openbaar Ministerie op basis van overtreding van de Wet op de economische delicten.

4.

De gemeente publiceert het intrekken van de toestemming tot exploitatie en de uitschrijving uit het LRK in de gemeenteberichten (niet wanneer dit een voorziening voor gastouderopvang betreft).

Artikel 34 De bestuurlijke boete

1.

Een bestuurlijke boete (hierna: boete) bestraft een overtreding die in het verleden begaan is. Er is dus een overtreding geconstateerd en dat feit wordt bestraft. Een boete kan gelijktijdig opgelegd worden met een aanwijzing, een last onder dwangsom of een exploitatieverbod.

2.

Een boete is onvoorwaardelijk en moet altijd worden betaald. Het is, in tegenstelling tot de andere hierboven behandelde maatregelen, een punitieve (bestraffende) sanctie. De boete verschilt daarin van de dwangsom. Bij de dwangsom kan het betalen van het bedrag namelijk worden voorkomen door de overtreding tijdig te herstellen en hersteld te houden. Bij de boete is dat niet het geval.

3.

Een boete kan worden opgelegd bij:

  • a.
    Het overtreden van de kwaliteitseisen uit de Wko en aanverwante regelgeving.
  • b.
    Het niet opvolgen van een bevel of aanwijzing.
  • c.
    Niet meewerken aan een verzoek van een toezichthouder of het bewust verkeerd informeren van een toezichthouder.
  • d.
    Het starten van de exploitatie, voor de datum van ingang van de toestemming tot exploitatie.
  • e.
    Het niet tijdig melden van wijzigingen van de in het LRK geregistreerde gegevens.
  • f.
    Het overtreden van een exploitatieverbod.

Artikel 35 Hoogte van een boette en grootte van een organisatie

1.

De Wko geeft de gemeente de bevoegdheid om voor een overtreding/ het niet naleven van een kwaliteitseis uit de Wko een boete op te leggen van maximaal € 45.000,00. Voor de hoogte van boetes zijn in het afwegingsmodel (zie bijlage) normbedragen opgesteld. Proportionaliteit en een goede dosering zijn een belangrijke uitgangspunten bij handhaving.

De gemeente hanteert daarom vier categorieën waar de boetebedragen op worden afgestemd:

  • a.
    Grote organisaties: een totale capaciteit van meer dan 150 kindplaatsen/ bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang. Voor een grote organisatie geldt het volledige normbedrag zoals opgenomen in het afwegingsmodel.
  • b.
    Middelgrote organisaties: een totale capaciteit van 51 tot en met 150 kindplaatsen/ bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang. Voor een middelgrote organisatie is twee derde deel van het normbedrag de richtlijn.
  • c.
    Kleine organisaties: een totale capaciteit van minder dan 51 kindplaatsen/ bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang. Voor een kleine organisatie is één derde deel van het normbedrag de richtlijn.
  • d.
    Voorzieningen voor gastouderopvang. Voor voorzieningen voor gastouderopvang is de richtlijn één vijfde deel van het normbedrag. Dit geldt niet voor die voorwaarden in het afwegingsmodel waar specifiek gastouder staat vermeld. Daar is de hoogte van de som al afgestemd op deze voorziening.
2.

Bij de bepaling van de grootte van de organisatie is de registratie in het LRK op het moment van begaan van de overtreding het uitgangspunt. Hierbij wordt over gemeentegrenzen heen gekeken.

3.

Wanneer er meerdere overtredingen zijn waar een boete voor wordt opgelegd, worden de bedragen bij elkaar opgeteld tot één bedrag.

Artikel 36 Verzachtende en verzwarende omstandigheden

Na bepaling van de categorie en het bijbehorende normbedrag kan er een verlaging of verhoging van het bedrag van toepassing zijn, afhankelijk de ernst van het feit, de verwijtbaarheid of de omstandigheden van het geval. Dit zijn de eventuele verzachtende of verzwarende omstandigheden. De gemeente kan de boete verlagen als de omstandigheden hier aanleiding toe geven. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn bij het gedeeltelijk niet opvolgen van een aanwijzing. De gemeente kan de boete ook verhogen als de omstandigheden hier aanleiding toe geven. Denk hierbij bijvoorbeeld aan herhaling van de overtreding (recidive).

Artikel 37 Handhaving na herstelaanbod

1.

Wanneer er geen herstelaanbod is gedaan, of wanneer de houder een herstelaanbod niet heeft aangenomen, wordt dit niet gezien als verzwarende omstandigheid voor de handhaving.

2.

In de basis wordt niet handhavend opgetreden wanneer er een herstelaanbod gedaan is met positief resultaat. De overtreding is immers verholpen. Bij bepaalde overtredingen is er gezien de aard van de overtreding meer risico op herhaling dan bij andere overtredingen. In die gevallen kan een handhavingstraject gestart worden ter voorkoming van herhaling van de overtreding(en).

3.

Als de overtreding na herstelaanbod niet (volledig) is opgelost, handhaaft de gemeente in principe conform het reguliere handhavingsbeleid.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

Artikel 38 Onvoorziene gevallen/bijzondere omstandigheden

Burgemeester en wethouders kunnen bij onvoorziene gevallen/bijzondere omstandigheden gemotiveerd afwijken van deze beleidsregel.

Artikel 39 Overgangsrecht

Op overtredingen die zijn begaan voor inwerkingtreding van deze beleidsregel, blijft het beleid zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing.

Artikel 40 Intrekking oude beleidsregel

De Beleidsregel: ‘Handhavingsbeleid Wet Kinderopvang en Kwaliteitseisen Peuterspeelzalen Gemeente Steenbergen’, zoals is vastgesteld door burgemeester en wethouders op 28 april 2011, wordt ingetrokken.

Artikel 41 Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na zijn bekendmaking.

Artikel 42 Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: ‘Beleidsregel gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang Gemeente Steenbergen'.

Ondertekening

Aldus vastgesteld op 7 mei 2024 door

burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen;
secretaris, burgemeester,
J. van Delden R.P. van den Belt, MBA

Behorend bij Beleidsregel ‘Gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang Gemeente Steenbergen’

Afwegingsmodel

Diversen mbt naleving, registratie en wijzigingen

Wettelijke bepaling / kwaliteitseis

Maximale hersteltermijn

Bestuurlijke boete

Last onder dwangsom per constatering 2 Voor alle op te leggen lasten onder dwangsom geldt dat de uiteindelijk hoogte van het bedrag berekend wordt op de wijze zoals opgenomen in het handhavingsbeleid.

Niet voldoen aan de definitie van kinderopvang, gastouderopvang, gastouder of gastouderbureau.

N.v.t, intrekken toestemming tot exploitatie is aan de orde.

n.v.t.

n.v.t.

Start exploitatie voor ontvangst toestemming burgemeester en wethouders3 Overtreding van art. 1.45 en 1.46 Wko is een misdrijf conform art. 1 lid 2 Wet op de economische delicten. Burgemeester en wethouders zullen eerst aangifte hiervan doen bij het OM, indien het OM aangeeft niet te vervolgen of de bestraffing aan burgemeester en wethouders over te laten, volgt oplegging van een boete maximaal gelijk aan de boete zoals genoemd in de Wet op de economische delicten. of voor de datum waarop burgemeester en wethouders bepaald hebben dat exploitatie mag aanvangen.

n.v.t.

Gelijk aan bedrag boete 4e categorie (2019: € 20.750)

€ 20.7504 Betreft een preventieve last onder dwangsom.

Houder geeft wijziging van in het LRK opgenomen gegevens later door / niet door terwijl dit zou moeten gebeuren zodra de houder bekend is met deze wijziging.

2 maanden

€ 2.000

€ 2.000

Niet nakomen van een vordering tot medewerking van de toezichthouder.

n.v.t.

Gelijk aan bedrag boete 2e categorie

(2019: € 4.150)

Gelijk aan bedrag boete 2e categorie

Niet opvolgen van een aanwijzing / bevel.

2 weken

€ 4.000

n.v.t.

Niet opvolgen van exploitatieverbod gegeven opgelegd op grond van art. 1.66 Wko.

n.v.t.

€ 20.750

n.v.t.

Niet nakomen van een afspraak zoals genoemd in 167 Wet op het primair onderwijs.

n.v.t.

€ 4.000

n.v.t

Praktijk / uitvoering

Wettelijke bepaling / kwaliteitseis

Maximale hersteltermijn

Bestuurlijke boete

Last onder dwangsom per constatering

De houder biedt geen verantwoorde opvang.

2 weken

€ 8.000

GO: € 2.000

€ 8.000

GO: € 2.000

Het gastouderbureau voldoet niet aan zijn zorgplicht.

2 weken

€ 4.000

€ 4.000

De houder voldoet niet aan zijn informatieplicht.

2 maanden

€ 1.000

€ 1.000

De houder zorgt er niet voor dat conform het beleid gehandeld wordt.

2 weken

€ 2.000

€ 2.000

De houder voldoet niet aan de eisen gesteld aan veilige en gezonde kinderopvang5 Met uitzondering van het niet handelen conform beleid, dat valt onder “houder zorgt er niet voor dat conform het beleid gehandeld wordt”.

2 weken

€ 3.000

GO: € 500

€ 3.000

GO: € 500

De houder voldoet niet aan de eisen mbt formatie en/of kwalificatie.

2 weken

€ 5.000

GO: € 200

€ 5.000

GO: € 200

De houder voldoet niet aan de eisen mbt stabiliteit

(GO: groepsgrootte).

2 weken

€ 3.000

GO: € 300

€ 3.000

GO: € 300

De houder voldoet niet aan de eisen mbt de VOG’s en het personenregister kinderopvang.

2 weken

€ 3.000

GO: € 500

€ 3000

GO: € 500

De houder voldoet niet aan de eis mbt de voertaal, taaleis VE en de taaleis BSO..

2 weken

€ 3.000 (voertaal)

€ 1.500 (overige)

GO: € 200

€ 2.000

GO: € 200

De binnen- en buitenspeelruimtes voldoen niet aan de eisen.

De VGO voldoet niet aan de eisen.

2 weken

€ 2.000

GO: € 200

€ 2.000

GO: € 200

De houder voldoet niet aan het ouderadviesrecht / klachtrecht.

2 maanden (OC)

6 maanden (klachtr.)

€ 1.000

€ 1.000

De houder van het gastouderbureau voert aantoonbaar de kassiersfunctie en/of de verplicht gestelde gesprekken niet uit.

2 weken

€ 3.000

€ 3.000

De houder voldoet niet aan de uren norm voor VE.

2 weken

€ 2.000

€ 2.000

Documenten

Wettelijke bepaling / kwaliteitseis

Maximale hersteltermijn

Bestuurlijke boete

Last onder dwangsom

De houder heeft beleidsdocumenten die onvolledig zijn en/of niet alle verplicht te beschrijven onderwerpen bevatten en/of niet actueel zijn.

2 maanden

€ 3.000 voor het ontbreken van het document

€ 750 voor iedere (sub)eis waaraan niet is voldaan

€ 3.000 het ontbreken van het document

€ 750 voor ieder(e) (sub)eis waaraan niet is voldaan

De administratie van de houder bevat niet alle verplicht op te nemen documenten en/of is op verzoek van de toezichthouder niet onverwijld te raadplegen.

2 maanden

€ 3.000

per ontbrekend document

€ 3.000

per ontbrekend document

De houder gebruikt geen VE programma dat voldoet aan de eisen.

2 maanden

€ 1.000

€ 1.000