Officiele publicatie

Beleidsregels vrijlating inkomsten uit arbeid Participatiewet, IOAW en IOAZ

gelet op het bepaalde in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

BESLUIT:

de Beleidsregels vrijlating inkomsten uit arbeid Participatiewet, IOAW en IOAZ vast te stellen.

Artikel 1 Algemene bepalingen

1) Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de Algemene wet bestuursrecht.

2) In deze beleidsregels worden verstaan onder:

a. PW: Participatiewet;

b. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

c. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

d. uitkering: algemene bijstand op grond van de PW dan wel een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ;

e. uitkeringsgerechtigde: degene die uitkering ontvangt;

f. inkomstenvrijlating: het gedeeltelijk vrijlaten van inkomsten uit arbeid, zoals bedoeld in artikel 31, lid 2, onder n, r en y, PW, artikel 8, lid 2, lid 5 en lid 7, IOAW en artikel 8, lid 3, lid 9 en lid 11, IOAZ;

g. urenbeperkt: een persoon als bedoeld in artikel 6b PW, artikel 4b IOAW en artikel 4b IOAZ.

Artikel 2 Vaststelling vrijlating van inkomsten uit arbeid

1) Het college past de inkomensvrijlating ambtshalve toe.

2) Voor de toepassing van een inkomstenvrijlating dienen de inkomsten uit arbeid tezamen met andere in aanmerking te nemen inkomensbestanddelen niet hoger te zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm of grondslag.

3) De inkomstenvrijlating is van toepassing op inkomsten uit arbeid die na de ingangsdatum van de uitkering zijn aangevangen.

4) Bij het ontvangen van inkomsten uit arbeid bij aanvang van de uitkering geldt de inkomstenvrijlating vanaf het moment dat er sprake is van een structurele urenuitbreiding van minimaal 5 uur per week.

Artikel 3 Reguliere vrijlating en aanvullende vrijlating alleenstaande ouders

1) Inkomsten uit arbeid worden gedurende maximaal 6 maanden vrijgelaten tot 25% van deze inkomsten met een maximum als genoemd in artikel 31, lid 2, onder n, PW, artikel 8, lid 2, IOAW en artikel 8, lid 3, IOAZ voor zover dit bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van de uitkeringsgerechtigde.

2) Als de vrijlatingstermijn van 6 maanden in het vorige lid is verstreken, worden inkomsten uit arbeid van de alleenstaande ouder die de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind jonger dan 12 jaar, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden vrijgelaten tot 12,5% van deze inkomsten met een maximum als genoemd in artikel 31, lid 2, onder r, PW, artikel 8, lid 5, IOAW en artikel 8, lid 9, IOAZ voor zover dit bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van de uitkeringsgerechtigde.

3) In het kader van deze vrijlatingsfaciliteiten worden inkomsten uit arbeid in alle gevallen, behoudens bij lid 4, geacht bij te dragen aan de arbeidsinschakeling van de uitkeringsgerechtigde.

4) Inkomsten die voortvloeien uit illegale activiteiten (bijvoorbeeld diefstal/heling of drugsverkoop) alsmede inkomsten uit arbeid waarvan geen, niet tijdig of onvolledig opgave is gedaan waardoor sprake is geweest van schending van de inlichtingenplicht en teveel uitkering is verstrekt, worden niet geacht bij te dragen aan de arbeidsinschakeling van de uitkeringsgerechtigde.

5) Het recht op de inkomstenvrijlating bestaat bij gehuwden voor ieder van de partners afzonderlijk met dien verstande dat als beide partners in dezelfde maand recht hebben op deze vrijlating het maximale vrijlatingsbedrag voor beide partners tezamen over die maand niet hoger is dan het maximale vrijlatingsbedrag als vermeld in artikel 31, lid 2, onder n, PW, artikel 8, lid 2, IOAW of artikel 8, lid 3, IOAZ.

6) Het recht op de inkomstenvrijlating bestaat één keer per uitkeringsperiode.

7) Als de uitkeringsperiode ten minste 6 maanden wordt onderbroken, ontstaat er een nieuw recht op de inkomstenvrijlating.

8) Overeenkomstig artikel 31, lid 5, PW geldt deze vrijlating niet voor uitkeringsgerechtigden jonger dan 27 jaar.

Artikel 4 Inkomstenvrijlating medisch urenbeperkte persoon

1) Inkomsten uit arbeid van een persoon die medisch urenbeperkt is, worden vrijgelaten tot 15% van deze inkomsten met een maximum als genoemd in artikel 31, lid 2, onder y, PW, artikel 8, lid 7, IOAW en artikel 8, lid 11, IOAZ tenzij artikel 3, lid 1 of lid 2, van deze beleidsregels van toepassing is.

2) Voor een persoon de medisch urenbeperkt is, blijft artikel 2, lid 3 en lid 4, van deze beleidsregels buiten toepassing.

3) Het recht op de inkomstenvrijlating bestaat bij gehuwden voor ieder van de partners afzonderlijk met dien verstande dat als beide partners in dezelfde maand recht hebben op deze vrijlating het maximale vrijlatingsbedrag voor beide partners tezamen over die maand niet hoger is dan het maximale vrijlatingsbedrag als vermeld in artikel 31, lid 2, onder y, PW, artikel 8, lid 7, IOAW of artikel 8, lid 11, IOAZ.

Artikel 5

Gereserveerd.

Artikel 6 Gelijkstelling met inkomsten uit arbeid

1) Naast inkomsten uit arbeid geldt de vrijlating ook voor de volgende inkomsten:

a. doorbetaling van loon door de werkgever tijdens ziekte;

b. een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling, uitsluitend vanuit een werksituatie;

c. inkomen uit werkzaamheden als (marginale) zelfstandige.

2) In dit verband wordt onder marginale zelfstandige verstaan de uitkeringsgerechtigde die niet voldoet aan het urencriterium als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en daarmee niet als zelfstandige in de zin van artikel 1, onder b, van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 kan worden aangemerkt.

Artikel 7 Gelijkstelling met uitkeringsperiode

Onder dezelfde uitkeringsperiode wordt verstaan de situatie dat:

a. sprake is van voortzetting van een uitkering die voorheen door een andere gemeente werd verstrekt;

b. na wijziging van de woon- en/of gezinssituatie de uitkering naar een andere norm of grondslag wordt voortgezet.

Artikel 8 Hardheidsclausule

In bijzondere gevallen wordt met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht ten gunste van belanghebbende afgeweken van deze beleidsregels, indien toepassing hiervan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 9 Inwerkingtreding

1. Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 januari 2019.

2. Deze beleidsregels zijn ook van toepassing op uitkeringsgerechtigden die op de datum van inwerkingtreding inkomsten uit arbeid ontvangen en voldoen aan de voorwaarden van deze beleidsregels, maar op grond van het bestaande beleid geen recht hebben op een vrijlating van inkomsten uit arbeid.

Artikel 10 Citeerartikel

Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als: “Beleidsregels vrijlating inkomsten uit arbeid Participatiewet, IOAW en IOAZ”.

Steenbergen, 27 november 2018.

Hoogachtend,

burgemeester en wethouders van Steenbergen,

de secretaris, de burgemeester,
M.J.P. de Jongh, RA R.P. van den Belt, MBA